BAART, Maria Elize

Maria Elize Baart

(roepnaam: Elize), voorvechtster van vrouwenemancipatie, is geboren te Middelburg op 20 juni 1854 en overleden te Groningen op 13 oktober 1879. Zij was de dochter van Kornelis Baart, winkelier in manufacturen, en Wilhelmina Maria Beunke. Op 15 februari 1879 trad zij in het huwelijk met Bastiaan Pieter Korteweg, leraar aan de Koninklijke Militaire Academie, later redacteur en effectenhandelaar. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Baart was de derde van het vier dochters tellende gezin. Zij en haar oudere zuster Lucie traden het meest op de voorgrond en werden excentriek gevonden om hun vooruitstrevende ideeën inzake de 'vrouwenkwestie'. Hun vader speelde een opmerkelijke rol in het Middelburgse sociale en culturele leven en gaf zijn dochters een goede opvoeding en opleiding. Hij liet hen moderne talen leren. Toen de Belgische schrijver Charles de Coster in 1873 Middelburg bezocht was hij er van onder de indruk dat Baart ('une tête d'artiste et de poète') Corneille, Molière, Shakespeare, Schiller en Goethe in hun eigen taal las. In het gezin gold dat ook meisjes moesten Ieren hun eigen brood te verdienen, zodat zij nooit een huwelijk tegen haar zin hoefden aan te gaan. Baart viel al jong op door haar voordrachtskunst en begon literaire schetsen te schrijven. Waarschijnlijk bevonden de zusjes Baart zich onder het gehoor van de voor onafhankelijkheid van vrouwen pleitende Mina Krüsernan en Betsy Perk, die in 1873 een lezingentournee door Nederland hielden en op 14 mei in Middelburg optraden. Nog hetzelfde jaar kwam het tot een correspondentie tussen Krüseman en Baart. Krüseman zou grote invloed op haar gaan uitoefenen. Zij beschouwde Baart als de enige vrouw in Nederland die kracht genoeg had om haar na te volgen en hield, zoals zij op het laatst van haar leven nog verklaarde, veel van haar. Door haar bemiddeling werd Baarts schets 'Geëmancipeerden' in 1874 in het maandblad Europa en als feuilleton in een Indisch blad geplaatst. In de zomer van 1874 schreef Baart twee novellen, Koket en Een oude jongejuffrouw, die zij beide op aanraden van Krüseman voor eigen rekening uitgaf (Middelburg 1874). Al is de strekking serieus genoeg (eerbied voor de liefde, het huwelijk is een ernstige zaak en vrouwen moeten zichzelf zonodig kunnen onderhouden), het zijn nogal larmoyante geschiedenissen. In november las Baart, ingeleid door Krüseman, beide novellen voor in Frascati te Amsterdam. Een verslaggever vond haar 'een getrouwe afspiegeling van mej. Krüseman, in gang, intonatie en voordracht'. Baart, die vol ondernemingszin was, had in juli bij Krüseman in Brussel gelogeerd. Omdat zij actrice wilde worden was het plan geboren het conservatorium aldaar te bezoeken. Hier kwam echter niets van omdat de opening van het nieuwe conservatorium steeds werd uitgesteld, zodat Baart naar Middelburg terugkeerde. Toen Krüseman erin geslaagd was een toneelgezelschap te interesseren in het opvoeren van Multatuli's Vorstenschool nam zij zelfde hoofdrol op zich en bedeelde Baart, die zij uitdrukkelijk als haar leerlinge annonceerde, de rol van Hanna toe. De repetities van het stuk hadden door de ruziepartijen tussen Multatuli en Krüseman een stormachtig verloop. Multatuli vond dat Krüseman niet kon acteren en ook Baart kreeg een veeg uit de pan: "t Onbeduidende juffertje B. voldoet nog beter dan zij, in weerwil van 't scherp stemmetje dat dit kind heeft, en dat haar niet heel geschikt maakt voor 't toneel'. De kritieken waren echter welwillend en aanmoedigend en het publiek was in het algemeen enthousiast over Baarts toneeldebuut: 'toen men bij het einde van het stuk Multatuli opriep, maar deze zich liet verontschuldigen wegens ongesteldheid, toen daverde, neen toen donderde het door de zaal; Mejuffrouw Baart, Mejuffrouw Baart, en toen ze verscheen was er geen eind aan de toejuichingen'. Door dit optreden kreeg Baart nationale bekendheid. In november 1875 volgde een tournee met Krüseman en een andere leerlinge, Hélène Gerritsen, met de dramatische schets 'Een blik in de kunstenaarswereld'. Pers en publiek hadden er niet veel mee op en Krüsemans ster daalde, maar 'Mejuffrouw Baart gelukte het, door de wijze waarop zij de meer pathetische gedeelten van hare rol vervulde, herhaaldelijk toejuichingen te verwerven'. Baart raakte ervan overtuigd dat de weg naar 'het grote toneel' voor haar openstond. Zij solliciteerde begin 1876 bij het Nederlandsch Tooneel, maar door de onmogelijke voorwaarden die zij van Krüseman moest stellen liep zij een engagement mis. Een tweede teleurstelling was de matige belangstelling voor haar lezing in Middelburg ten bate van watersnoodslachtoffers. Toen zij hierover bij Krüseman haar nood klaagde luidde het wrevelige antwoord: 'Ik heb dertien jaar gewacht: jij bent, als door een stormwind, voortgestuwd geworden van succes tot succes, voor je nog wist wat wachten was'.

Inmiddels had Baart de vrijdenker B.P. Korteweg ontmoet, in wie zij een geestverwant herkende, 'een vrij gevochten natuur zoals ze zelf was' (P.J. Meertens). Zijn ronduit antimilitaristische ideeën kostten hem met ingang van september 1876 zijn baan aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Toen in augustus 1876 hun verloving officieel werd schreef Krüseman aan een Amsterdamse vriendin: 'Wat zegt gij toch wel van 't engagement van Elize Baart. Dat is ook: 'Wat elkander lijkt, vindt elkaar!' Hij is net zoo'n revolutionnair als zij, en beide droomen van samen strijden, en dweepen van vooruitgang en volmaking! Hoe jong!' Zij had het er moeilijk mee. Omdat Multatuli bereid was Korteweg als secretaris in dienst te nemen en zij Multatuli van stoken verdacht waarschuwde zij hen voor diens intriges. De verloving betekende echter dat Baart uit haar leven verdween. Eind 1876 ging Baart zonder steun van Krüseman op toumee. De reacties van het publiek stelden opnieuw teleur. Baarts laatste openbare optreden had waarschijnlijk op 9 december 1877 plaats in de Concertzaal van de Nederlandsche Schouwburg te Antwerpen. Zij droeg haar novelle 'Mathilde van Molenbeek' voor, over 'een rijke jonge vrouw die zich na een ongelukkige liefde aan de verpleging van krankzinnigen wijdt maar door te grote inspanning voortijdig sterft'. In het vrijdenkersbiad De Tolk van den Vooruitgang, waarvan Korteweg de redactie op zich genomen had, publiceerde zij in 1877 haar novelle 'Twee verwoeste levens', een melodramatisch verhaal vol wraak, dood en waanzin, dat nogal detoneerde in het serieuze blad. Zij publiceerde verder Drie novellen (Rotterdam 1878) en in 1879 in het maandblad Europa de novelle 'Uit 's levens strijd'. Opmerkelijk is haar pleidooi in De Werkmansbode van 16 april 1879, het orgaan van het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV), voor het gebruik van voorbehoedmiddelen. Volgens H.Q. Röling was zij in Nederland de eerste vrouw die dit publiekelijk deed. Aan het debat in De Werkmansbode nam ook haar vader deel. Deze keerde zich tegen J.Th. Scheepers uit Arnhem, die vond dat 'kunstmiddeltjes' de bedoelingen van de natuur verijdelden. Als 'Mevrouw Korteweg' bestreed Baart de opvattingen van 'vuiligheid' en 'bijbedoelingen'. Volgens haar waren wantoestanden in arbeidersbuurten, kindermoord en uitgeteerde, afgetobde vrouwen vuiligheid. Eventueel misbruik door enkele 'kwaadwillige' vrouwen vond zij onbelangrijk vergeleken met de mogelijkheid door middel van anticonceptie iets aan de door haar bedoelde wantoestanden te doen. Na haar huwelijk begin 1879 - haar vroeger voornemen, buiten de wet een verbintenis aan te gaan, bleek vergeten - verhuisde zij met Korteweg, die in de effectenhandel was gegaan, naar Groningen. Zij woonden op kamers en lieten al hun eten thuis brengen. Naar het oordeel van hun vriend F.E.L. Urban leefden zij 'zeer gelukkig, maar enigszins zonderling'. Acht maanden later namen zij een snelwerkend gif in en stierven in elkaars armen. In een afscheidsbrief schreven zij het leven moe te zijn en het nirwana te willen binnengaan. In het hele land schreef men met compassie over het tragische einde van dit jonge, idealistische echtpaar. De ontzetting in kringen van vrijdenkers en het ANWV was groot.

Publicaties: 

Behalve de genoemde: 'Twee verwoeste levens' en 'Mathilde van Molenbeek' in Novellen voor het volk (Gent 1882; herdruk Den Haag 1890) 5-34.

Literatuur: 

M. Krüseman, Mijn leven II en III (Dordrecht 1877); -R-, 'Licht verteerbare kost met een enkele harde pit' in: De Tijdspiegel, 1879, III, 331-334; De Werkmansbode, 18.10.1879; Bymholt, Geschiedenis, 255; P.J. Meertens, 'Een Middelburgse burgerfamilie uit de negentiende eeuw. Kornelis Baart en zijn dochters' in: Archief Zeeuws Genootschap der Wetenschappen, 1970, 68-99, herdrukt in: P. Meertens, In het voetspoor van Henriette Roland Holst (Alphen aan den Rijn 1982) 160-204; H.Q. Röling, 'De tragedie van het geslachtsleven '(Amsterdam 1987) 46; J. Brouwers, Twee verwoeste levens. De levensloop en de dubbelzelfmoord van Elize Baart (1854-18 79) en Bastiaan Korteweg (1849-1879) (Amsterdam 1993).

Portret: 

M.E. Baart, uit: J. Brouwers, Twee verwoeste levens. De levensloop en de dubbelzelfmoord van Elize Baart (1854-1897) en Bastiaan Korteweg (1849-1879) (Amsterdam 1993)

Auteur: 
Margot de Waal
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 10-13
Laatst gewijzigd: 

00-00-1995