BELLA, Simon de la

Simon de la Bella

secretaris van het NVV en Eerste Kamerlid voor de SDAP, is geboren te Amsterdam op 28 oktober 1889 en omgebracht te Dachau op 11 juli 1942. Hij was de zoon van Aron de la Bella, diamantklover, en Cato van Vriesland. Op 25 november 1914 trad hij in het huwelijk met Hinderientje van Zuiden, met wie hij een dochter kreeg. De la Bella noemde zich De la Bella Jr.

Na het lager onderwijs begon De la Bella als jongste bediende op een expeditiekantoor. Hij ontwikkelde zich door zelfstudie en werkte nadien op kantoor bij de firma I. Tas en de emaillefabriek Gelria. Zijn capaciteiten waren zodanig dat hij in september 1917, bijna 28 jaar oud, als chef de bureau op het kantoor van het Nederlands Verbond van Vakvereenigingen (NVV) aan de slag kon. Na twee jaar werd hij notulist van de bestuursvergaderingen. Hier viel hij op door bekwaamheid en werkkracht. In de Algemeene Nederlandsche Bond van Handels- en Kantoorbedienden kwam hij in april 1919 als tweede voorzitter en voorzitter van de vakgroep kantoorbedienden in het Amsterdamse afdelingsbestuur. In februari 1920 werd hij afdelingsvoorzitter. Deze functie eindigde in juni 1921 vanwege zijn verkiezing in het bondsbestuur. Bij de fusiepoging van de Algemeene met het gematigde en neutrale Mercurius maande hij de bond zijn kritiek op Mercurius van zijn felheid te ontdoen en 'ook van alles wat de zakelijkheid naar de achtergrond schuift'. Zakelijk was hij ook in zijn brochure Hoofd- en handarbeiders in één verbond. Een woord tot de hoofdarbeiders in Nederland (Amsterdam 1924), die hij publiceerde nadat deze fusie, en in het verlengde daarvan die tussen het NVV en het neutrale verbond van hoofdarbeiders, mislukt was. Het werk voor het NVV nam De la Bella zo in beslag, dat hij - die in december 1922 bovendien vader was geworden - in oktober 1923 wegens drukke werkzaamheden aftrad als bestuurder van de Algemeene. In juli 1924 koos het NVV hem tot penningmeester en tweede (spoedig eerste) secretaris als opvolger van H.J. Bruens, die aan chronische bronchitis had geleden en in mei was overleden. Op sociaal-economisch terrein ging De la Bella's aandacht uit naar problemen inzake de arbeidswetgeving, de vakantieregeling en economische vraagstukken in het algemeen. In verband met een ontwerp voor een ziekenfondswet van minister P.J.M. Aalberse uit 1923 stelden vakcentrales en ziekenfondsorganisaties op voorstel van het NVV een gemeenschappelijke studiecommissie in. Zij konden over het door De la Bella opgestelde rapport echter geen overeenstemming bereiken. In 1928 verscheen een nieuw rapport. Ook nadien lagen de meningen over het ziekenfondswezen nog te ver uiteen om politiek resultaten te kunnen boeken. Over een wettelijk geregelde vakantie voor werknemers en verkorting van de werkweek publiceerde De la Bella tussen 1925 en 1933 verschillende brochures, voor zowel het NVV als de SDAP. Behalve in de eigen argumenten verdiepte hij zich in die van de tegenstander, zoals zijn brochure De organisatie der werkgevers en haar strijd tegen de arbeidersklasse (Rotterdam 1925) toont. Met G.J.A. Smit jr. van de Algemeene ontstond in 1928 een polemiek, waarbij De la Bella het verwijt van Smit dat het NVV te weinig aandacht aan de hoofdarbeiders besteedde, met klem terugwees. In drie artikelen besprak hij alle door Smit aangevoerde voorbeelden en bleef hij bij zijn mening dat diens aanval ongemotiveerd was. Vanwege zijn functie bij het NVV en zijn deskundigheden was De la Bella lid van diverse officiële instanties op sociaal-economisch terrein, zoals het college van toezicht van de in 1930 in werking getreden ziektewet uit 1913, alsmede adviescommissies in het kader van de bedrijfsradenwet uit 1933, de wet op het (on)verbindend verklaren van arbeidsovereenkomsten uit 1937 en de bedrijfsvergunningenwet uit 1938. Ook was hij bestuurslid van de in 1932 opgerichte nijverheidsorganisatie TNO (gebaseerd op de wet tot regeling van toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek uit 1930) en plaatsvervangend lid van de Hooge Raad van Arbeid. In De Vakbeweging publiceerde De la Bella regelmatig over de vakorganisatie in specifieke landen, waaronder een analyse van de Engelse mijnstakingen in de jaren twintig. Hij maakte als secretaris van het NVV deel uit van de Algemeene Raad van het Internationaal Verbond van Vakvereenigingen en bezocht tal van buitenlandse congressen. Ook daar gold zijn deskundigheid.

Nadat SDAP en NVV in 1924 samen het Instituut voor Arbeiders-Ontwikkeling (IvAO) hadden gevormd, bracht een Commissie van Zes in 1928 een Algemeene Raad tot stand voor het gezamenlijke beleid van partij en vakorganisatie. Met de bedoeling ook op het terrein van de pers vooruitgang te boeken werd de commissie met vier nieuwe leden uitgebreid, onder wie De la Bella. Dit leidde ertoe dat in mei 1929 de drukkerij en uitgeversmaatschappij NV De Arbeiderspers werd opgericht. De la Bella behoorde met J. Oudegeest, Y.G. van der Veen en F.M. Wibaut tot de vier comparanten bij de notaris en werd gedelegeerd commissaris bij dit nieuwe bedrijf. Na het aftreden als IvAO-voorzitter van R. Stenhuis in 1928 in het verlengde van zijn moeilijkheden bij het NVV, volgde De la Bella, die in 1925 in het bestuur was gekomen, hem op. Als voorzitter (tot 1932, toen F.S. Noordhoff hem opvolgde) kwam hij overeenkomstig het NVV-beleid krachtig op voor een van de SDAP onafhankelijk IvAO. Het SDAP-bestuur wantrouwde in dit verband het NVV nogal. Dit kwam deels door spanningen met Stenhuis, wiens plan voor een arbeiderspartij naar Engels voorbeeld tot een veel nauwere samenwerking tussen partij en vakorganisatie zou hebben geleid, deels doordat de vakorganisatie over meer middelen beschikte en gedisciplineerder optrad, waardoor de partij de zwakkere partner was. In 1927 botste het NVV-bestuur, dat een eigen koers voer ten aanzien van zowel het voortbestaan van Arbeiders Jeugd Centrale en Nederlandse Arbeiders Sport Bond als de aanstelling van een bezoldigd IvAO-bestuurder, met het partijbestuur, vooral met W.H. Vliegen. De SDAP ging ten slotte overstag, nadat De la Bella haar bezworen had het IvAO geen schade toe te brengen. Mede in verband met organisatorische problemen in de afdeling Amsterdam kwam het partijbestuur in 1929 met een door Oudegeest geformuleerd reorganisatievoorstel. Het IvAO-bestuur verwierp dit. In een tegennota bepleitte De la Bella handhaving van de bestaande vorm en verbetering op onderdelen. Hij stond sterk omdat NVV-voorzitter E. Kupers verklaarde geen verandering te willen. Ook in 1930 lukte het de SDAP niet het IvAO te reorganiseren. Opnieuw bepaalde het NVV de gang van zaken. In het curatorium van de te vormen Arbeiders Kaderschool werd geen IvAO-bezoldigde benoemd, maar wel De la Bella, NVV-secretaris en IvAO-voorzitter. Tijdens de moeilijkheden hierover slaagde De la Bella erin de - organisatorisch zwakke - bezoldigd secretaris-penningmeester van het IvAO, tegen wie hij al eerder was opgetreden (namelijk de weinig kritische aanhanger van het cultuur-socialisme A.H.P. van Duuren), te ontslaan. Het partijbestuur besloot de reorganisatie op haar beloop te laten, al zaten de frustraties diep. In het jaar van zijn afscheid bracht het IvAO het boekje over geschiedenis en wezen van de vakbeweging van De la Bella uit: De Nederlandsche vakbeweging. De vakvereenigingsinternationale. Haar ontstaan, ontwikkeling, doel en wezen (Amsterdam 1932).

Binnen de Algemeene Raad slaagde het NVV er in 1934 in een financieel programma vast te stellen dat ook een progressieve inkomstenbelasting voorstond. De SDAP was op dit punt echter tegen en De la Bella vroeg Vliegen om een onderhoud teneinde hem met cijfers alsnog te overtuigen. Deze weigerde: 'Gij schijnt bij mij op huisbezoek te willen komen om mij in te lichten. Ik heb echter over de belastingcapaciteit van het Nederlandsch inkomen heusch geen inlichtingen noodig.' Ook J.W. Albarda kon De la Bella's persisteren niet uitstaan, maar kon evenmin voorkomen dat het NVV zijn zin doorzette. Albarda vond dat De la Bella zich op economisch terrein politieke leiding aanmatigde. De onvrede over De la Bella bij de SDAP was zo groot dat deze het NVV het liefst buiten het werk voor een Nederlands Plan van de Arbeid had gehouden. Intussen was De la Bella's positie versterkt doordat hij in 1935 lid werd van de Eerste Kamer en daar bekwaam bleek. Zo hield hij in september 1936, nog vóór de Tweede Kamer hierover sprak, een interpellatie over aangekondigde wijzigingen van de werklozensteun. Hoewel zijn motie tot opschorting van de plannen werd verworpen, haalde een motie van gelijke strekking van de Rooms-Katholieke Staats Partij het wel. Bovendien bleek De la Bella in de Eerste Kamer de enige SDAP-er die het Plan van de Arbeid naar behoren kon verdedigen. Om het NVV niet geheel buiten te sluiten werd De la Bella in 1935 opgenomen in de commissie tot herziening van het beginselprogramma van de SDAP. Albarda had liever een ander gezien maar het voorstel van W. Drees om De la Bella en Vliegen toe te voegen werd overgenomen. Blijkbaar moesten zij elkaar compenseren, al was geen van beiden voorstander van het gezindheidssocialisme van W. Banning en J.J. Vorrink. Nieuwe spanningen tussen NVV en SDAP ontstonden in 1937 toen De la Bella in de Algemene Raad aankondigde dat het NVV een sociaal-economisch congres ging organiseren. Albarda vond opnieuw dat De la Bella op politieke leiding uit was. De la Bella verdedigde zich met het argument dat sociaal-economische eisen steeds vaker parlementair verwezenlijkt moesten worden: 'er is bijna geen zaak meer, die niet op parlementair terrein ligt'. Omdat er meer onvrede bestond - zo vond Vorrink dat het NVV de actie voor het Plan enkel als een economische aangelegenheid zag - werd de gezamenlijke actie voor het Plan beëindigd. In dit besluit speelde ook de kritiek op het blad Vrijheid, Arbeid, Brood mee, dat na het begin van de Plan-actie minder aandacht aan de strijd tegen fascisme en communisme was gaan besteden. H. Polak was het met deze koerswijziging niet eens en ageerde hiertegen in zijn kronieken. De la Bella, die in het IvAO en in 1933 binnen het NVV voor acties tegen fascisme en communisme had gepleit, hoorde in 1936 tot de critici van Polak. Deze vreesden dat teveel nadruk op het joodse element de zaak in de publieke opinie zou schaden. Intussen werkte het NVV door aan zijn eigen beleid. Het hield er in 1936 rekening mee dat de SDAP na de verkiezingen van 1937 regeringsverantwoordelijkheid zou gaan dragen en dat Kupers een ministerszetel zou krijgen. Omdat de NVV-top dan niet meer in de Tweede Kamer vertegenwoordigd zou zijn, bepleitten Kupers en De la Bella bij Albarda dat De la Bella hoog op de verkiezingslijst voor de Tweede Kamer zou komen. Het zou echter nog tot 1939 duren voordat de SDAP in een regering werd opgenomen. In september 1937 stuurde het NVV een uitvoerig adres aan de regering, waarin het 'de onhoudbaarheid van het bestaande stelsel der ongebonden economie' beargumenteerde. In zijn in oktober door het NVV uitgebrachte boek Ordening. Van theorie naar practijk (Amsterdam 1937) werkte De la Bella zijn voorstellen voor een publiekrechtelijke ordening van het bedrijfsleven verder uit. Hij dacht aan door de overheid in het leven te roepen organen, die de ordening bedrijfsgewijze tot stand konden brengen en gecoördineerd werden door een Centrale Economische Raad. Hij meende dat voor deze praktische plannen in zowel het roomskatholieke als liberale kamp steun te vinden was. Twee jaar later kwam hij in zijn boek Vrije economie of ordening ? (Amsterdam 1939) met nieuwe argumenten en uitwerkingen.

Vanwege de oorlogsdreiging maakte het NVV in 1939 via een speciale constructie ruim vijf miljoen gulden naar Engeland over. Besloten werd dat De la Bella, die in 1936 F. van de Walle als tweede voorzitter van het NVV was opgevolgd, en penningmeester H. van Dugteren in geval van oorlog zouden trachten Engeland te bereiken. Zo liep het echter niet. Het lukte in mei 1940 niet naar Engeland te ontkomen. Het werk bij De Arbeiderspers en het NVV ging door. Op 16 juli 1940 plaatsten de Duitse bezetters het NVV onder leiding van de nationaal-socialist H.J. Woudenberg en ontsloegen Kupers en De la Bella op staande voet uit hun functies. De meeste bestuurders uit het NVV aanvaardden de nieuwe verhoudingen, maar K. van Es uit Enschede zei Woudenberg in het gezicht dat er geen reden tot juichen was 'toen Kupers en De la Bella werden afgezet en men een Woudenberg kreeg'. Op 20 juli kreeg De la Bella te horen dat hij gearresteerd zou worden omdat hij verantwoordelijk werd gehouden voor het naar Engeland overbrengen van de NVV-fondsen. Het bericht kwam van Nationaal Frontman G.J. Zwertbroek. Deze kende Kupers en De la Bella nog uit zijn tijd bij de Vereeniging van Arbeiders Radio Amateurs en zag hen om gevoelsredenen liever niet in Duitse handen. Hij waarschuwde K.R. van Staal, die voor De la Bella een onderduikadres gereed maakte en hem opzocht. De la Bella wilde er echter nog 'tot morgen' over denken en werd, anders dan Kupers, nog dezelfde avond gearresteerd. Op weg naar de gevangenis aan de Weteringschans nam hij vergif in. Dit werkte niet snel genoeg, waarop men hem naar het Wilhelmina-Gasthuis bracht om zijn maag leeg te pompen. Op 26 juli werd hij in de cel geplaatst bij Henri Polak, die op 18 juli gearresteerd was. Het bekend worden van hun arrestaties wekte ontsteltenis. Beide gearresteerden waren elkaar tot steun, al was De la Bella als gevolg van het ingenomen vergif er slechter aan toe. Op 4 september werd De la Bella op transport naar Duitsland gesteld. Vanuit het concentratiekamp Dachau wist hij op 1 mei 1941 het gedicht 'Een levensteken en een groet' naar vrienden te sturen. In juli 1942 kwam aan zijn leven een eind in een van de 'sanatoria' waarin toen ook duizenden krankzinnigen werden vergast. In Nederland was Kupers vergeefs bij de Duitse autoriteiten voor De la Bella opgekomen. Van Dugteren en H.J. van den Born van de metaalbewerkersbond hadden, toen bleek dat de arrestatie als een soort gijzeling moest worden beschouwd voor het overgemaakte geld, via tussenpersonen aangeboden hem in toerbeurten in gevangenschap af te lossen, omdat zij zich even verantwoordelijk achtten. De Duitsers gingen er niet op in, volgens Witteboon, omdat zij niet alleen de socialist en vakbondsman wilden treffen maar ook de jood. Maar volgens J. Presser mag men 'al evenzeer veronderstellen, dat menigeen zich geruststelde met de overweging, dat de arrestatie niet de Jood, maar de vakbondsbestuurder De la Bella had getroffen'.

Publicaties: 
Op voor de 48-urige werkweek en de wettelijke vakantieweek ! (Amsterdam 1925); 'De strijd in de Engelsche mijnindustrie en de algemeene werkstaking' in: De Vakbeweging, 1927, 97-106, 161-175; Vacantie voor den arbeider (Rotterdam 1927); Een eisch van urgentie. Een wettelijk geregelde vacantie voor allen die in loondienst zijn (Amsterdam 1929); 'Verkorting van den arbeidstijd' in: De Socialistische Gids, 1931, 663-673; 'De steunbeweging voor de textielarbeiders' in: De Vakbeweging, 1932, 472-488; 40 uur. Geen langer arbeidsduur (Amsterdam 1933); Vakbeweging. Doel en streven (Amsterdam 1939); Naar een geleide economie. Syllabus voor de kader-cursussen 1940 [van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling] (Amsterdam z.j.).
Literatuur: 
Bella, Simon de la' in: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (Amsterdam 1938) 103-104; Ir. J.W. Albarda. Een kwart eeuw parlementaire werkzaamheid in dienst van de bevrijding der Nederlandse arbeidersklasse (Amsterdam 1938), 84, 343; 'S. de la Bella Jr. †' in: NVV Verslag over de jaren 1940-1945 (z.pl. 1945) 46-47; K.R. van Staal, Van muzikant tot reclameman (Haarlem 1948) 160-161; S. Witteboon, Evert Kupers (Amsterdam 1949) 137-139; P.J. Oud, Het jongste verleden. Deel V 1933-1937 (Assen 1950) 299, 330; F. de Jong Edz., Om de plaats van de arbeid (Amsterdam 1956); J. Presser, Ondergang. Eerste Deel (Den Haag 1965) 24-25; H. van Hulst, A. Pleysier, A. Scheffer, Het roode vaandel volgen wij (Den Haag 1969); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog. Deel 4 (Den Haag 1972), Deel 5 (Den Haag 1974), Deel 9 (Den Haag 1979); H.F. Cohen, Om de vernieuwing van het socialisme (Leiden 1974); G. Harmsen, B. Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid (Nijmegen 1975); H.C.M. Michielse, Socialistiese vorming (Nijmegen 1980); H. Dona, Sport en socialisme (Amsterdam 1981); B. Reinalda, Bedienden georganiseerd (Nijmegen 1981); E. Hueting, F. de Jong Edz., R. Neij, Naar groter eenheid (Amsterdam 1983); C.H. Wiedijk, Koos Vorrink (Groningen 1986); P.J. Knegtmans, Socialisme en democratie (Amsterdam 1989); S. Bloemgarten, Henri Polak (Den Haag 1993); G.W.B. Borrie, Monne de Miranda (Den Haag 1993); J. Perry, De voorman. Een biografie van Willem Hubert Vliegen 1862-1947 (Amsterdam 1994).
Portret: 
Simon de la Bella, uit: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (Amsterdam 1938)
Auteur: 
Bob Reinalda
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 5-9
Laatst gewijzigd: 
00-00-1998