BENNINK, Gerrit

Gerrit Bennink

(bijnamen: Rooie Bennink, Pokkel Bennink), socialistisch propagandist in Twente, is geboren te Ambt-Almelo op 28 januari 1858 en overleden te Hengelo (O.) op 14 januari 1927. Hij was de zoon van J(oh)annes Bennink, akkerbouwman en huiswever, en Johanna Geerdink. Op 11 november 1886 trad hij in het huwelijk met Gezina ter Weer, dienstbode, met wie hij vier dochters en een zoon kreeg.
Pseudoniem: Een werkman der fabriek.

Bennink was zes jaar toen zijn moeder overleed. Waarschijnlijk kwam hij toen in huis bij een oom en tante in Hengelo. Aanvankelijk vond Bennink werk als textielarbeider, maar in 1872 brak er in de fabriek waar hij werkte bij het opsteken van het gas brand uit. Toen de brand de derde verdieping bereikt had sprong Bennink met drie medearbeiders van de vierde verdieping naar beneden. Bennink liep hierbij zodanig rugletsel op dat hij zijn werk niet meer kon doen. Hij werd portier bij de Nederlandsche Katoenspinnerij in Hengelo. Voor zijn directeur R.A. de Monchy had hij aanvankelijk veel sympathie. Deze 'heeft zijn werklieden lief en dezen hem'. Ook over de fabrikant D.W. Stork was hij toen nog zeer te spreken. In 1880 las hij De Werkmansbode, het blad van het Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV). Van deze eerste vakcentrale was hij 'verspreid lid'. In het blad schreef hij in 1880 enkele artikelen, ondertekend met 'een werkman der fabriek', en las hij een oproep van F. Domela Nieuwenhuis om een aantal vragen te beantwoorden betreffende de toestand der arbeidersklasse. In een reeks brieven die hij in december 1880 aan Domela Nieuwenhuis schreef deed hij dit uitvoerig. De antwoorden van Domela radicaliseerden zijn opvattingen en namen zijn weerzin tegen de volgens hem ruwe manieren van de Sociaal-Democratische Bond (SDB) weg. In 1882 stuurde De Monchy hem naar Amsterdam om een cursus handenarbeid te volgen zodat hij daarin aan de kinderen op de spinnerij les kon geven. In Amsterdam bezocht hij meermalen de oude H. Gerhard en B.H. Heldt, de voorzitter van het ANWV. Bennink stuurde een telegram naar het ANWV-congres (pinksteren 1882) met de opwekking 'flinke besluiten' te nemen. Toen dit niet gebeurde koos hij voor de SDB en vanaf 9 september 1882 verschenen in Recht voor Allen zijn 'Brieven uit Twenthe'. De Monchy nam dit niet en ontsloeg de 'onruststoker'. Het nummer van Recht voor Allen van 3 maart 1883 meldde zijn ontslag en stelde een strijdpenning voor hem in. In Twente kon hij geen werk meer vinden maar door bemiddeling van Domela Nieuwenhuis en J.C. van Marken kon hij in Delft op de Gistfabriek een baan als timmerman krijgen. Bennink is Van Marken hiervoor altijd dankbaar gebleven en heeft 'nooit kwaad over hem kunnen horen en hij heeft hem altijd verdedigd', aldus W.H. Vliegen. Hij kwam bij Van Marken thuis en voerde lange gesprekken met hem. Zijn weldoener gaf de volgende beschrijving van hem: 'Een man van ongeveer 30 jaar, klein en misvormd van gestalte, maar met een levendig oog en fijne gelaatstrekken, terwijl de golvende lokken tot bijna op de breede schouders reiken. Hartstochtelijk en dweepziek van natuur, begaafd met een meer dan gewonen aanleg, is reeds in de jongelingsjaren zijn oog geopend en zijn hart ontvlamd voor de nooden van het Twentsche fabrieksvolk'.

Het werken in de fabriek lag Bennink niet en Van Marken stelde hem in staat een opleiding voor horlogemaker te volgen. Tot juli 1885 bleef hij in Delft, in januari 1886 vestigde hij zich als horlogemaker in Hengelo en in november 1886 trouwde hij. De socialistische beweging was in zijn afwezigheid door het ontslaan van de belangrijkste activisten zwaar getroffen. Alleen in Enschede bestond vanaf 1885 een kleine SDB-afdeling onder leiding van Albert Exoo. Na zijn ontslag werkte Exoo als broodverkoper. Bennink, die net als Exoo als kleine zelfstandige minder kwetsbaar was, richtte in Hengelo in 1886 een SDB-afdeling op waarvan hij voorzitter werd. Binnen één jaar tijd waren er twaalf aangesloten vakverenigingen. Bennink ontwikkelde zich tot woordvoerder en leider van het Twentse socialisme. In Hengelo vond tijdens de kerstdagen van 1886 het SDB-congres plaats. Dit ging gepaard met een openbare vergadering, die Bennink voorzat. Omdat dit congres door autoriteiten en logementhouders op alle mogelijke wijzen werd gedwarsboomd, verweet Bennink de fabrikant D.W. Stork 'de meest geraffineerde uitzuiger van zijn volk' te zijn. Omdat Stork zichzelf niet zonder grond als een bijzonder sociale werkgever beschouwde, voelde hij zich zeer gegriefd. Misschien nam Bennink juist Stork op de korrel omdat deze niet aan het socialistische vijandbeeld van de werkgever beantwoordde en door zijn sociaal beleid de opmars van het socialisme in Hengelo inderdaad vertraagde. Stork deed Bennink een proces aan. Dit vond op 8 mei 1887 plaats. Volgens B. Bymholt hield Bennink een rede 'die een aanklacht tegen de Storken bevatte zoo verpletterend dat zij, schuins tegenover Bennink gezeten om beurten rood, wit en geel werden.' Bennink werd veroordeeld tot tien dagen gevangenisstraf. Stork organiseerde voor zijn personeel een vergadering. Ruim tweehonderd van hen gaven gehoor aan de oproep om deze bij te wonen. Acht arbeiders bestreden de kritiek van Bennink op Stork. Een honderdtal arbeiders bracht na afloop Stork een serenade. Later trokken zij naar het huis van Bennink uiteraard niet om hem een serenade te brengen. Daar aangekomen troffen zij een aantal arbeiders van wie er zes bij Stork werkten, die klaarstonden om Bennink te verdedigen. Daarop droop de stoet af na de nodige dreigementen geuit te hebben. De zes Stork-arbeiders werden de volgende dag ontslagen. Erger voor Bennink was dat de fabrikanten hun arbeiders verboden iets bij Bennink te kopen of te laten repareren.

Op 9 januari 1888 kwam het, nadat de grieven zich hoog hadden opgestapeld, tot een woede-uitbarsting bij de fabrieken van de gebroeders Scholten in Almelo. Arbeiders gooiden de ruiten in bij de fabrikanten onder het zingen van spotliederen. De politie hakte er op in. Bennink spoedde zich naar Almelo toen hij van de rellen hoorde. Samen met Exoo keurde hij de vernielingen af. Zij slaagden erin de woedeuitbarsting om te zetten in een gedisciplineerde staking. Nadat er reeds eerder rellen en korte spontane stakingen waren geweest, vormde dit arbeidsconflict het begin van het georganiseerde Twentse arbeidersverzet. Het stakingscomité vergaderde bij Exoo thuis. De staking duurde drie maanden. Van Marken stond achter de stakers en steunde de geldinzamelingen. Op 9 april 1888 beëindigden de socialistische voormannen de staking nadat de fabrikanten concessies hadden gedaan. Onder het zingen van het Vrijheidslied gingen de arbeiders weer de fabriek in, maar vijf stakingsleiders, die bij Scholten werkten, bleven buiten de poort. Op 11 maart 1889 reisde Bennink naar Den Haag om de grote manifestatie voor de wettelijke beperking van vrouwen- en kinderarbeid bij te wonen. Behalve Bennink voerden ook R. van Zinderen Bakker, Vliegen en W.P.G. Helsdingen het woord. Bennink maakte indruk met zijn optreden. Hij 'nam op de tribune plaats naast een kind, dat met hare handjes de zwarte banier van Twente hield omkneld, waarop met witte letters de eisch te lezen stond van afschaffing van vrouwen- en kinderexploitatie. Bennink had dit meisje, dertien jaar oud, doch niet meer ontwikkeld dan een kind van zes, meegenomen "als een levend protest tegen den langzamen kindermoord in het zoogenaamde Twentsche paradijs"', aldus Bymholt. Vliegen drukte zich nog krasser uit. Dit optreden van Bennink maakte indruk.

In april 1891 stichtte Bennink het Twentse SDB-blad Recht door Zee, waarvan hij tot oktober ook redacteur was. Hij was het met bepaalde artikelen oneens en trok zich terug. Begin 1891 ontstond een heftige discussie over de vraag of vakverenigingen zouden ingaan op het verzoek van de door de regering ingestelde Centrale Commissie voor de Statistiek om informatie te verschaffen. D.W. Stork was lid van deze commissie. Dit feit was voor Bennink reden het verzoek af te wijzen. In een ingezonden stuk in Het Volksdagblad somde hij nog eens op wat Stork allemaal misdaan had. Op de SDB-congressen behoorde Bennink tot de stroming die het deelnemen aan verkiezingen niet afwees. Zo stond hij in 1891 kandidaat voor de Volkspartij, maar toen werd nog geen enkele kandidaat gekozen. Hij was aanwezig op de geheime vergadering die de Centrale Raad op 13 september te Utrecht belegde om over de verhouding tussen SDB en Volkspartij te overleggen. Buiten het bestuur waren slechts tien leden uitgenodigd. Hieruit valt af te leiden dat Bennink een belangrijke plaats innam. Op het SDB-congres van 1893 te Groningen over het al of niet deelnemen aan verkiezingen vroeg Bennink zich af wat nu eigenlijk onder revolutionair optreden werd verstaan. Het deelnemen aan verkiezingen was daar volgens hem niet mee in strijd, want zo wierp hij Domela Nieuwenhuis voor de voeten, deze had zelf altijd het algemeen kiesrecht gepropageerd. De latere wending van Domela Nieuwenhuis naar het anarchisme maakte Bennink niet mee. Zijn verering voor Domela bleef zo groot dat hij nog in 1916 een uitvoerige bijdrage leverde aan het gedenkboek bij diens zeventigste verjaardag.

In 1894, bij de oprichting van de SDAP, bleef Bennink lid van de SDB, en ook toen diens opvolger, de Socialistenbond, in 1900 opging in de SDAP sloot Bennink zich, net als G. van der Zwaag uit Gorredijk, niet bij de SDAP aan. De rest van zijn leven zou Bennink een partijloze socialist blijven zonder zijn grote gezag in Twente te verliezen. Misschien maakte dit laatste dat Vliegen in eerste instantie niet gunstig over hem oordeelde. De leider in directe zin was hij volgens hem nooit geweest. 'Noch als agitator, noch als organisator wierp hij zich geheel in de beweging. Aan allen praktischen arbeid onttrok hij zich steeds'. Welcker noemde dit oordeel onbillijk, maar ook Vliegen zelf herzag in 1919 zijn opvatting uit 1905 en schreef: 'in Hengelo, waar G. Bennink de erkende leider was'. De eerste keer nog als lid van de Socialistenbond en daarna als partijloos socialist stelde Bennink zich kandidaat bij de gemeenteraadsverkiezingen. Hij bleek genoeg invloed onder de arbeiders te bezitten om in 1900 een raadszetel te veroveren. H. Schieman, de SDAP-kandidaat, kreeg 461 stemmen tegen Bennink 674. Bennink maakte van 1900 tot 1913 en van 1919 tot 1927 deel uit van de Gemeenteraad. Van 1919 tot 1923 was hij evenals Herman Voogdgeert, de voorman van de SDAP, wethouder. Er waren uiteraard tussen Voogdgeert en Bennink voortdurend wrijvingen die afbreuk aan de zaak van het socialisme deden. De SDAP won langzaam maar zeker terrein en veroverde in 1919 vijf zetels, maar Bennink en zijn aanhangers bezetten er nog drie. In 1923 had Bennink nog krap één zetel over. Van 1901 tot 1919 was Bennink ook lid van de Provinciale Staten van Overijssel. Daar kwam hij, maar nu op gelijke voet, D.W. Stork weer tegen die van 1893 tot 1903 lid was van hetzelfde college.

Publicaties: 
Het uitzuigersproces. Verdedigingsrede uitgesproken op 3 Mei 1887 voor de rechtbank te Almeloo (Den Haag 1887); Een antwoord aan het stekend ongedierte naar aanleiding van de brochure: Abuisjes of Jokkentjes, van den Almelooschen correspondent der 'Amsterdammer', of een licht over Twente, benevens een woord aan den heer A. Kerdijk (z.pl. 1889); 'Domela Nieuwenhuis en de Twentsche beweging' in: Gedenkboek ter gelegenheid van den 70-sten verjaardag van Domela Nieuwenhuis (Amsterdam 1916) 20-32; 'Brieven' [aan F. Domela Nieuwenhuis, 1880] in: J.M. Welcker, Heren en arbeiders in de vroege Nederlandse arbeidersbeweging 1870-1914 (Amsterdam 1978) 337-363.
Literatuur: 
J.C. van Marken, De werkstaking te Almeloo (Haarlem 1888); Abuisjens of Jokkentjes? Vlugschrift naar aanleiding van de redevoeringen der Heeren Domela Nieuwenhuis en Bennink over Twentsche Heeren en Fabrieken, van de Almeloo'schen correspondent van 'De Amsterdammer' (Almelo 1889); Bymholt, Geschiedenis; Vliegen, Dageraad I-II; Vliegen, Kracht I-III; J.M. Welcker, Heren en arbeiders in de vroege Nederlandse arbeidersbeweging 1870-1914 (Amsterdam 1978); D.J. de Jong, De sociale geschiedenis van Hengelo (O) 1865-1906 (doctoraalscriptie z.pl. 1979); A.L.A. Wevers, 'Bennink, Gerrit (1858-1927)' in: J. Folkerts e.a. (red.), Overijsselse biografieën I (Meppel 1990) 17-20; G. Harmsen, 'Een moeizame driehoeksverhouding: management, personeelsvertegenwoordiging, vakorganisatie' in: Jubileumbijeenkomst 20 jaar COR Stork (z.pl. 1992); G. Harmsen, 'De les van de Twentse textielstakingen (1888-1932)' in: D. Boer, F. van Gelder en E. van Vilsteren (red.), Fragmenten uit de Twentse vakbeweging (Almelo 1993) 9-52.
Portret: 
Gerrit Bennink, IISG
Auteur: 
Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 10-13
Laatst gewijzigd: 
00-00-1998