BEVERSLUIS, Martinus

Martinus Beversluis

(roepnaam: Martien), socialistisch, later nationaal-socialistisch schrijver, is geboren te Barendrecht op 28 maart 1894 en overleden te Middelburg op 18 februari 1966. Hij was de zoon van Martinus Beversluis, Nederlands hervormd predikant, en Elisabeth Catharina van der Hucht. Op 10 september 1919 trad hij in het huwelijk met Nellie Schuitemaker, met wie hij een dochter en een zoon kreeg. Na de ontbinding van dit huwelijk op 28 januari 1937 trad hij op 27 februari 1937 in het huwelijk met Johanna Verstraate. Dit huwelijk bleef kinderloos.
Pseudoniemen: Sylvius Berckhout, Reinier Bloemert, M.B. Versluis, (samen met Johanna Verstraate) Thea de Born.

Ik heb alle ismen ... doorlopen en ingezien; daar kom ik er niet mee', verklaarde Beversluis twee jaar voor zijn dood. Hij was niet alleen protestant en katholiek geweest, maar ook pacifist, socialist, communist, fascist en nationaal-socialist. In zijn vroege jeugd had hij daarnaast het spiritisme leren kennen. Behalve predikant was zijn vader oprichter van het tijdschrift Geest en Leven. Het gezin Beversluis verhuisde naar Groningen, waar Martien het Groningse gymnasium niet kon afmaken omdat hij in 1914 werd gemobiliseerd. Tijdens zijn diensttijd raakte hij bevriend met de kunstenaar W. Hamel, die een hutje bewoonde op de Kootwijkse zandverstuivingen. Hamel vertelde hem over het socialisme en bracht hem liefde bij voor de Duitse literatuur. In diezelfde tijd schreef Beversluis poëzie, die hij ter beoordeling zond aan F. van Eeden. In 1919 werd Beversluis leerling-journalist bij de Provinciale Groninger Courant, waar hij het maar kort uithield. Na eveneens korte verblijven bij de Deventer Courant en het Deventer Dagblad gaf hij de dagbladjournalistiek op. Hij leerde zijn vrouw kennen, trouwde en verhuisde naar Het Gooi, waar hij een jaar als inspecteur van een levensverzekeringsmaatschappij werkte. Ook dit werd geen succes en het echtpaar was enige jaren afhankelijk van een welgestelde zwager. Beversluis was gedichten blijven schrijven, hetgeen resulteerde in zijn debuutbundel Zwerversweelde (Blaricum 1920). In 1921 meldde hij zich als lid aan bij de SDAP, waarschijnlijk op advies van G.J. Zwertbroek, de latere omroepsecretaris van de Vereeniging van Arbeiders Radio Amateurs (VARA). Politiek liepen beiden sindsdien hetzelfde slingerpad. Beversluis maakte alsnog de middelbare school af en ging in Utrecht Nederlandse taal- en letterkunde studeren. Deze studie brak hij in 1925 af, waarna hij een tijdlang reiziger in thee werd. Een open sollicitatie naar een baan als vertegenwoordiger voor uitgeverij De Wereldbibliotheek liep op niets uit. Wel succes had Beversluis bij de VARA, waar hij door bemiddeling van Zwertbroek in 1928 literair medewerker werd. Hij schreef voor de omroep onder meer pacifistische gedichten, die werden gebundeld in Aanklacht (Gouda 1930) en waarvan dertigduizend exemplaren werden verkocht. Beversluis verzorgde ook de zondagse radiorubriek Internationale Socialistische Poëzie. Zijn medewerking zorgde dikwijls voor problemen met de Radio Omroep Contrôle Commissie, die van overheidswege waakte over radiouitzendingen en veel van Beversluis' bijdragen schrapte vanwege hun te oproerige karakter. Net als Zwertbroek radicaliseerde Beversluis, beiden hielpen ze Duitse anti-fascisten. In 1934 werd Beversluis, kort na Zwertbroek, ontslagen. Beversluis was te fel voor de VARA-leiding, die een steeds gematigder koers voer. Hij raakte werkloos en kwam in de steun terecht. In 1933 had hij door zijn medewerking aan het tijdschrift Links Richten de Duitse vluchteling Heinz Kohn leren kennen, die in Nederland de kleine uitgeverij Boekenvrienden Solidariteit oprichtte. De eerste uitgave was Brandende woorden uit Duitschland (Hilversum 1934), een bundel met door Beversluis geselecteerde en vertaalde gedichten van in Duitsland verboden auteurs. Beversluis haalde Melle Oldeboerrigter en W. van Schaik als illustratoren bij de uitgeverij en vertaalde werk van B. Brecht, K. Tucholsky, E. Toller en E. Kästner. Na een inval in de uitgeverij ging Kohn door onder de naam van Beversluis' vrouw.

Na zijn vertrek bij de VARA en zijn royement uit de SDAP zocht Beversluis zijn heil bij de Communistische Partij in Nederland (CPN). Ook werd hij in 1937 actief in het Comité van Kunstenaars en Intellectueelen, de Nederlandse tak van een door de toen nog communistische Duitse uitgever W. Münzenberg opgericht internationaal comité. Beversluis werd naar eigen zeggen geen lid van de CPN, wel verzorgde hij tal van spreekbeurten en leverde hij tientallen bijdragen aan de partijkrant De Tribune, waaronder veel vertalingen en eigen - soms krachtige, soms minder geslaagde - gelegenheids- en propagandaverzen. In dezelfde periode viel Beversluis' ontmoeting met de Zeeuwse schrijfster van streekromans Johanna Verstraate, die publiceerde onder de naam Dignate Robbertz. Via haar kwam hij in contact met de gereformeerde dominee J. van de Guchte. Waarschijnlijk was hij het die hem van zijn communistische ideeën afbracht. In het antirevolutionaire dagblad De Standaard verklaarde hij in maart 1937 dat hij altijd christen was geweest. Voortaan wilde hij als 'strijder Gods' door het leven gaan, 'onverbiddelijk voor wie Hem tegenstaat'. Kort daarna kreeg het echtpaar Beversluis (ze waren in 1937 getrouwd) belangstelling voor het katholicisme. Zelf verklaarde hij later dat zijn enthousiasme was ontstaan toen een verzoek aan Maria, gedaan bij kaarslicht, beantwoord werd met een kruis dat in het kaarsvet verscheen. Zijn nieuwe geloof ging gepaard met nieuwe politieke inzichten. Beversluis werd zeer oranjegezind, was voor een dictatuur van de familie Oranje en schreef bij de geboorte van prinses Beatrix een declamatorium: 'De Cracht van 't Land bestaedt'. Beversluis werd opgenomen in de redactie van De Nieuwe Gids, daartoe uitgenodigd door de fascist A. Haighton, financier van het blad. Ook werd hij lid van A. Meijers' Zwart Front.

Op 20 april 1940 was Beversluis, weer samen met Zwertbroek, aanwezig bij de oprichting van Nationaal Front, de opvolger van Zwart Front. Toch was hij na de Duitse inval in mei 1940 nog niet geheel gestigmatiseerd. In augustus 1940 correspondeerde hij nog met V. van Vriesland over een bundel internationale poëzie die deze wilde redigeren. Beversluis wees er op dat hij naast verscheidene 'negerliederen' ook nog enkele goede 'joodse ghettoliederen' had vertaald. Uiteindelijk stuurde hij die toch maar niet op, 'want je weet maar nooit'. Beversluis werd in januari 1941 lid van de National-Socialistische Beweging (NSB) en redacteur van het regionale NSB-blad De Zeeuwsche stroom. Nadat hij bij de NSB ruzie had gekregen liet hij zich inschrijven als begunstigend lid van de Germaansche SS, 'omdat die de groote harmonische schoonheid der Noordsche cultuur wilde uitdragen', zoals hij na de oorlog aan zijn ondervragers rapporteerde. Beversluis ging door met publiceren, onder meer in het antisemitische blad De Misthoorn. De antisemitische strofen in zijn werk waren, zo hield hij na de oorlog vol, door anderen aan zijn teksten toegevoegd. Hij maakte ook gedichten bij tekeningen van zijn vriend H. van Meegeren en werkte weer voor de inmiddels gelijkgeschakelde radio. In 1944 volgde Beversluis' benoeming tot burgemeester van Veere en daarna nog van het aangrenzende Vrouwenpolder. Een van de wapenfeiten van Beversluis in Vrouwenpolder was dat hij na een religieus visioen de naam van de gemeente liet wijzigen in Vrouwepolder en Maria in het gemeentewapen liet opnemen. Na de bevrijding werd Beversluis gearresteerd en tot 1947 geïnterneerd in Vught. Na zijn vrijlating op medische en psychiatrische gronden werd hij ontslagen van rechtsvervolging. Hij mocht drie jaar lang niet actief zijn op literair gebied en twintig jaar niet werken als journalist. Beversluis gaf als voornaamste reden voor zijn collaboratie op dat de nationaal-socialisten zoveel goeds wilden doen voor de positie van kunstenaars. Hij ging voorbij aan het feit dat hij al vóór de oorlog fascistische sympathieën had. Waarschijnlijker is dat de zweverige en autoritaire aspecten van de rechtse ideologieën hem aanspraken, bovendien bood de nieuwe orde hem de kans om voor het eerst in zijn leven een goed salaris te verdienen. Na de oorlog publiceerde Beversluis nog verscheidene gedichtenbundels, aanvankelijk bij uitgeverij Callenbach, later in eigen beheer.

Archief: 
Archief M. Beversluis in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag); dossier M. Beversluis in archief Bijzondere Rechtspleging, Ministerie van Justitie (Den Haag).
Publicaties: 
Verzen (Bussum 1920); De ballade van de vleermuis (Blaricum 1924); Canzonen (Arnhem 1926); Poëzie en religie (Huis ter Heide 1927); Mariken van Nimwegen (Amsterdam 1928); Liederen van den arbeid (Amsterdam 1929); Arbeiders-noodlot (Arnhem ca. 1930; vertaling); De bellenblazer (Arnhem ca. 1931); Hou stand! Revue in 2 bedrijven en 12 tafereelen (Amsterdam 1932); Wilde loten. Bloemlezing uit geschrapt werk (Hilversum 1934; redactie en vertaling); Negerliederen (Hilversum 1934; vertaling); De ruitentikker (Hilversum 1935); Kaarten op tafel! Mijn schorsing bij de V.A.R.A. (Hilversum 1935); Verzamelen. Gedichten (Amsterdam 1935); De brood-wee melodie (Amsterdam 1936); Ballade van Spanje (Amsterdam 1936); De witte bloem (Bussum 1936); (met L. Contran) Solidariteitslied der Internationale Rode Hulp (Amsterdam ca. 1936); De ballade van het dagelijksche brood (Amsterdam 1941); A. Zander, Zwitserland voor de keuze (Amsterdam 1943; vertaling); E.F. Bartelmas, Het jonge rijk. Leven en streven der nieuwe Duitse jeugd (Amsterdam 1943; vertaling); K.H. Ball, De drie kiezelsteenen (Amsterdam 1943; vertaling); W. Dissmann, Wij hebben den Führer gezien! (Amsterdam 1944; vertaling); H. Mondt, Herbert Norkus (Amsterdam 1944; vertaling); Het zaad (Amsterdam 1944); De krans der uren (Nijkerk 1955); Stil Water. Gedichten (Den Haag 1956); Zie... de mens. Een mysteriespel in drie bedrijven (z.pl. 1965); Uit de wijdte. Sonnetten (Amsterdam z.j.).
Literatuur: 
Haagse Post, 30.5.1964; H. Mulder, Kunst in crisis en bezetting (Amsterdam 1978); H. Luyckx e.a., Winkler Prins Lexicon van de Nederlandse Letterkunde (Amsterdam 1986) 39-40; H. Schippers, Zwart en Nationaal Front (Amsterdam 1986); H. Wijfjes, Radio onder restrictie (Amsterdam 1988); A. Venema, Schrijvers, uitgevers en hun collaboratie (Amsterdam 1988-1992; 3 delen); J. van de Merwe, Het zwarte schaap van de rooie familie (Amsterdam 1989); M. Kooijmans, 'Beversluis, Martinus' in: BWN IV, 34-36.
Portret: 
Martinus Beversluis (portret Herman Gouwe), uit: Martine Beversluis, Canzonen (Arnhem 19272)
Auteur: 
Paul Arnoldussen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 13-16
Laatst gewijzigd: 
00-00-1998