BRINKHUIS, Johannes

Johannes Brinkhuis

R.K. vakbondsman en dissident, is geboren te Lonneker op 22 juli 1860 en overleden te Enschede op 26 juli 1938. Hij was de zoon van Albertus Brinkhuis, boer en thuiswever, en Berendina Punte. Op 12 mei 1887 trad hij in het huwelijk met Geertruida Elisabeth Beumers. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Brinkhuis werkte van jongsaf thuis mee. Op zijn twaalfde ging hij naar de fabriek. Later werkte hij enige tijd als textielarbeider over de Duitse grens in Rheine. Hij speelde als bondgenoot en tegenspeler van de priester Alphons Ariëns een belangrijke rol in de ontstaansgeschiedenis van de katholieke arbeidersbeweging in Nederland. Hij was bondgenoot waar het ging om het bestaansrecht van katholieke arbeiders-organisaties, maar tegenspeler waar het ging om de zelfstandigheid van de katholieke arbeiders op politiek en sociaal terrein. Hij stond zelfstandigheid voor ten opzichte van het kerkelijk gezag en de katholieke burgerij. Ondanks hun meningsverschillen en strijd koesterden Brinkhuis en Ariëns hun hele leven een oprechte wederzijdse sympathie. In 1888 werd Brinkhuis secretaris-penningmeester van de geheime vakorganisatie De Voorzorg, die kort daarna opging in de neutrale vakbond Vooruit. Ariëns poogde via oprichting van de R.K. Arbeidersvereeniging te Enschede de katholieken los te weken uit Vooruit, maar Brinkhuis en de zijnen weigerden over te stappen, omdat zij niet 'door heerooms bevoogd wensten te worden'. Pas toen Ariëns een katholieke vakorganisatie van textielarbeiders - de Twentsche R.K. Fabrieksarbeidersbond van 1891 - tot stand wist te brengen, die niet onder kerkelijke leiding stond, waren Brinkhuis en de zijnen bereid Vooruit te verlaten, mede omdat de neutrale bond door de groeiende invloed van socialisten en anarchisten steeds meer 'een rooie boel' werd. De verschillen van opvatting bleven. Brinkhuis meende dat de arbeidersvereniging tot doel had de arbeiders als klasse een betere positie te verschaffen en niet slechts enkelen omhoog te brengen, omdat dat laatste zou leiden tot het ontstaan van een tussenklasse die een bedreiging zou vormen voor de broederlijke geest onder de arbeiders. Ariëns daarentegen wilde de arbeiders de mogelijkheid bieden individueel op te klimmen op de maatschappelijke ladder. Brinkhuis stond ook tegenover Ariëns en zijn eigen zwager Hendrik Engels in de discussie over de noodzaak, de wenselijkheid en het recht een eigen R.K. arbeiderskiesvereniging op te richten naast en tegenover de bestaande conservatieve R.K. Kiesvereeniging 'Eendracht Maakt Macht'. Toen de aartsbisschop in 1893 bepaalde dat de katholieke vakorganisaties ondergeschikt dienden te zijn aan de van geestelijk adviseurs voorziene standsorganisaties, kostte het Ariëns grote moeite Brinkhuis en zijn geestverwanten te behouden voor de inmiddels tot R.K. Katoenbewerkersbond 'St. Severus' omgedoopte vakorganisatie. Brinkhuis - die als vakbondsman voorstander was van een sterke, niet partijgekleurde vakorganisatie, waarin katholieke, protestants-christelijke en gematigd-socialistische arbeiders eendrachtig zouden kunnen samenwerken - werd bestuurslid van de bond, die in 1896 onder de naam Unitas een interconfessionele, federatieve samenwerking aanging met de protestantse Verzoeningsbond. Ten slotte kwam het toch tot een breuk. Op het terrein van de vakorganisatie voltrok deze zich na weigeringen van St. Severus steun te verlenen aan de stakende arbeiders bij de aardewerkfabriek van Regout in Maastricht (1897) en bij de Enschedese textielfabriek van Hedeman (1898). Op politiek terrein vormde de kandidaatstelling voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1897 in het kiesdistrict Enschede het breekpunt. Brinkhuis en de zijnen eisten dat een katholiek arbeider of een katholiek democraat kandidaat zou worden gesteld, terwijl Ariëns contre-coeur de kandidatuur steunde van de door H.J.A.M. Schaepman voorgedragen conservatief A.F. Vos de Wael. Brinkhuis richtte in 1898 een eigen vakorganisatie - de Nationale Katoenbewerkersbond 'De Eendracht' - en een eigen politieke organisatie - de Katholiek-Democratische Volks Partij (KDVP) op. De Eendracht was vooral sterk in Enschede en sloeg minder aan in de overige Twentse textielplaatsen. In 1900-1901 lag de verhouding tussen 'Ariëns-' en 'Brinkhuis-katholieken' in de vakbeweging ongeveer half om half. In 1904 was De Eendracht over zijn hoogtepunt heen en dreigde in een isolement te geraken, wat voorkomen werd door fusie met de 'moderne' Algemeene Nederlandsche Bond van Textielarbeiders tot Algemeene Nederlandsche Bond van Textielarbeiders 'De Eendracht'. Hoe zijn dissidente opstelling in zijn persoonlijk leven doorwerkte, ervoer Brinkhuis in 1901 bij het vertrek van Ariëns als kapelaan uit Enschede. Voortaan moest Brinkhuis over de grens in Gronau ter kerke en ter communie, omdat hem in Enschede de sacramenten geweigerd werden.

De KDVP had afdelingen in Enschede, Tilburg, Maastricht, Nijmegen, Arnhem, Hengelo, Almelo, Zaandam en Delft. De invoering van het algemeen kiesrecht vormde het voornaamste programmapunt. Er waren contacten met de Belgische christendemocraten en de 'Daensisten'. De door zijn kerkelijke superieuren vervolgde priester A. Daens werd naar Nederland gehaald voor een reeks spreekbeurten. De katholieke democraten boekten slechts plaatselijke successen. In 1901 steunden zij met succes de Tweede Kamerkandidatuur van de socialist H.H. van Kol tegenover die van de katholiek Aalberse, die geweigerd had zich ondubbelzinnig uit te spreken voor het algemeen kiesrecht. Brinkhuis stond in dat jaar kandidaat in Tilburg en Breda. Daar haalde hij respectievelijk 590 en 509 stemmen, wat verre van voldoende was voor een overwinning. Wel werd hij in 1901 in Enschede in de gemeenteraad gekozen. Hij bleef raadslid tot 1921, maar vanaf 1907 namens de SDAP. Ondanks de door de katholieke democraten opgeëiste lekenautonomie op politiek gebied werd het program van de KDVP ter goedkeuring aan de bisschoppen voorgelegd. Deze ontzegden de partij het predikaat 'Katholiek Demokratisch' te voeren, waarop deze haar naam in 1901 veranderde in Katholieke Volkspartij en in 1902 tot Vrije Katholieke Volkspartij. Onder invloed van de spoorwegstakingen in 1903 nam de druk op de dissidente katholieke democraten toe, ook van de kant van de progressievere katholieken. Zo werd Brinkhuis in Het Centrum, de spreekbuis van de sociaal-katholieken, aangevallen wegens zijn deelname aan de verweerbeweging tegen Abraham Kuypers worgwetten. De dissidente katholieke partij kwijnde weg. Afdelingen verdwenen en pogingen vaste voet te krijgen in het katholieke Zuiden buiten de genoemde steden mislukten. De tegenstand door de overheersende invloed van de geestelijkheid was er te sterk. In het Westen kwam de tegenwerking vooral van de kant van de Nederlandsche R.K. Volksbond. Een groot probleem was dat de katholieke dissidente democraten zich geen eigen ideologische plaats wisten te verschaffen tussen de katholieke sociale leer en het socialisme. Ook de poging het tij te keren door samen te werken met de protestants-christelijke democraten via het blad Maatschappelijk Welzijn bracht geen uitkomst.

Brinkhuis werd in 1919 bode van de Raad van Arbeid te Hengelo en was later conciërge. Op 1 januari 1928 ging hij met pensioen en vestigde zich te Eindhoven. Vier jaar later keerde hij terug naar Enschede. Hij had inmiddels de SDAP verlaten en zich aangesloten bij de dissidente R.K. Volkspartij. In het partijblad Onze Vaan werd naar hem verwezen als 'al ruim dertig jaar strijder voor de idealen van de R.K. Volkspartij'. In 1934 zegde hij zijn lidmaatschap op na een interne partijstrijd, die leidde tot oprichting van de Katholiek-Democratische Arbeiderspartij (ook wel R.K. Arbeiderspartij genoemd). Bij zijn overlijden in 1938 schreef Onze Vaan dat Brinkhuis veel voor zijn idealen gestreden en geleden had, maar zich 'op zijn oude dag' had afgescheiden en 'een dwalende' was geworden. In de katholieke geschiedschrijving is Brinkhuis, die wel is aangeduid als 'derde wegger' tussen K. Marx en Rerum Novarum, genegeerd, gekleineerd of geschoffeerd, zoals door Ariënsbiograaf Gerard Brom, die Brinkhuis wegzette als 'betweter', 'onevenwichtig werkman', 'dwarsdrijver', en 'eeuwig interpellant', al noemde hij hem ook ergens een 'karakterkerel'. Volgens Brom zou Brinkhuis in de laatste jaren van zijn leven geheuld hebben met het nationaal-socialisme. Aanwijzingen in deze richting waren niet te vinden.

Literatuur: 

Tubantia, 26.7.1938; Onze Vaan, 5.8.1938; L. Salemink, De katholieke arbeidersbeweging in Twente (1899-1902) (kandidaatsscriptie Nijmegen 1977); H. van Lent, De Katholiek-Demokratische Volkspartij 1900-1903 (doctoraalscriptie Amsterdam 1977); Herinneringen aan personen en gebeurtenissen uit het katholieke leven (Nijmegen 1978); B. Hesselink, Een priester onder de arbeiders. Alphons Ariëns te Enschede van 1886 tot 1901 (Enschede 1980); A. Ariëns, Bronnen van de katholieke arbeidersbeweging in Nederland. Toespraken, brieven en artikelen van Alphons Ariëns, 1887-1901. Bezorgd door J. Roes (Nijmegen 1982); L. Salemink, 'Katholieke textielarbeiders tussen Brinkhuis en Ariëns 1889-1904' in: Textielhistorische Bijdragen, nr. 24, 1984, 9-43; J. van Meeuwen, Lijden aan eenheid. Katholieke arbeiders op zoek naar hun politiek recht (1897-1929) (Hilversum 1998); D. Nas, Het Twentse model (Amsterdam 1998).

Portret: 

J. Brinkhuis, uit: Tubantia, 26.7.1938

Auteur: 
Jos van Meeuwen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 25-28
Laatst gewijzigd: 

05-08-2002