BRUENS, Hendrikus Johannes

Hendrikus Johannes Bruens

(roepnaam: Henri), vakbondsbestuurder sigarenmakers en penningmeester NVV, is geboren te Arnhem op 16 januari 1865 en overleden te Amsterdam op 8 mei 1924. Hij was de zoon van Johannes Bruens, timmerman, en Everdina Berendsen. Op 10 oktober 1888 trad hij in het huwelijk met Johanna Wilhelmina Catharina Cornelia Ketting, met wie hij drie dochters en drie zoons kreeg.

Geboren in een arbeidersgezin in Arnhem doorliep Bruens slechts enkele jaren lagere school. Van zijn stiefvader, een sigarenmaker, leerde hij de eerste beginselen van diens vak. Na zijn militaire diensttijd vervuld te hebben vertrok hij in 1887 naar Amsterdam. Daar sloot hij zich vrijwel meteen aan bij de even tevoren opgerichte sigarenmakersvereniging. In december behoorde hij met H.J.J. Eichelsheim tot de oprichters van de Nederlandsche Internationale Sigarenmakers en Tabaksbewerkers Bond (NISTB). Hij werd penningmeester van de Amsterdamse afdeling. In 1895 kwam hij in het hoofdbestuur, dat toen in Amsterdam zetelde. Van 1901 tot 1914 combineerde hij in het hoofdbestuur de functies van voorzitter en bezoldigd penningmeester. Op de bondscongressen in de eerste jaren van deze eeuw mengde hij zich op zijn eigen, beheerste wijze in de debatten over het al-dan-niet handhaven van artikel I-b van de statuten over het meedoen aan de politieke activiteiten. Hij was voorstander van handhaving van dit artikel en bepleitte het meedoen van de NISTB aan de politiek. Vanaf het begin van zijn voorzitterschap deed hij zich kennen als een modern bestuurder, wars van de methoden van de 'anarchisten'. Vanaf het einde van de negentiende eeuw had hij al contact gezocht met gelijkgezinden als P.M. Verdorst van de timmerliedenbond en H. Polak van de diamantbewerkersbond teneinde samen een organisatie te vormen, die het hoofd zou kunnen bieden aan het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS). Kort na het verschijnen van de zogenoemde 'scheurcirculaire' in 1904, waarmee het NAS de oprichting van een nieuw vakverbond provoceerde, ging Bruens met Verdorst naar Polak. In het op 1 januari 1906 voor het eerst aantredende dagelijks bestuur van het NVV had Bruens zitting. Op 27 juli 1912 volgde zijn benoeming tot bezoldigd penningmeester, een functie die hij tot zijn overlijden zou blijven bekleden. Bruens was lid geweest van de Sociaal-Democratische Bond, maar had deze in 1893 na het aannemen van de tegen deelname aan de verkiezingen gerichte motie Hoogezand-Sappemeer verlaten. Vermoedelijk eind 1898, begin 1899 werd hij lid van de SDAP en had in de jaren 1899 en 1900 zitting in het bestuur van de Amsterdamse afdeling III. Hij verdedigde in die functie het goed recht van een arbeiderskiesvereniging om los van de SDAP voort te bestaan. Na deze jaren was hij alleen nog actief voor de vakbeweging, al bleef hij lid van de partij.

Vlak voor zijn toetreden tot de SDAP en zijn toenadering tot Polak had Bruens als bestuurder van de NISTB een belangrijke rol gespeeld in het Landelijk Comité voor Staatspensioneering waarbij Polak overigens ook betrokken was. Terwijl voor velen, onder wie zijn collega Eichelsheim, dit en soortgelijke comité's de brug vormden naar de moderne beweging, geldt voor Bruens dat hij van meet af aan vanuit een moderne opstelling naar de oprichting van een moderne vakcentrale heeft gestreefd. Zijn toespraken waren blijkens de kranteverslagen steeds krachtig en oernuchter. In het heetst van de strijd tussen 'politiekers' en 'antipolitiekers' schrok Bruens er op het congres van de sigarenmakersbond, waar over de continuering van zijn salariëring gesproken werd, niet voor terug op te merken dat hij de arbeiders niet altijd gelijk kon geven: 'wie ongelijk heeft krijgt van hem ongelijk, ongeacht of hij patroon of arbeider is'. Hetzelfde congres in 1903 verwierp uiteindelijk door zijn toedoen een voorstel over het eigen recht van de afdelingen om te beslissen over al dan niet staken. Na een voor zijn doen ongemeen felle uitval tegen de 'antipolitiekers' verwierp dit congres opnieuw het voorstel om weer aansluiting te zoeken bij het NAS, dat de NISTB in 1900 had geroyeerd.

In Amsterdam had Bruens sinds 1899 zitting in de Kamer van Arbeid voor de Tabaksindustrie. In 1900 vertegenwoordigde hij de Bond op het internationale sigarenmakerscongres in Londen. In 1911 was hij lid van de gemengde commissie SDAP en NVV, die de verhouding partij-vakbeweging moest bespreken. In het jaar daarvoor was hij voorzitter geworden van de Combinatie (van de vier werknemersorganisaties in de sigarenindustrie), die in augustus 1910 met een gemeenschappelijk program kwam, dat uiteindelijk de basis werd voor de eerste collectieve arbeidsovereenkomst in de Nederlandse sigarenindustrie. Met J. Oudegeest nam Bruens in 1918 namens het NVV zitting in het eerste bestuur van de Arbeiders Jeugd Centrale. In 1921 werd hij lid van de Raad van Beheer van de Boekhandel en Uitgevers Maatschappij 'Ontwikkeling'. Oudegeest typeerde Bruens als een 'rustige, sterke, beheerschte figuur, die in iederen kring, waar hij kwam, oogenblikkelijk waardeering vond'. Hij was een 'dier naturen, die steeds snel weten, wat zij willen en hunne middelen dadelijk doelmatig weten aan te wenden'.

Literatuur: 

E. Kupers, 'H.J. Bruens overleden' in: De Socialistische Gids, 1924, 541-543; Vliegen, Kracht I, 312-313; J. Oudegeest, De geschiedenis der zelfstandige vakbeweging in Nederland I (Amsterdam 1926) 55-56; W. van der Hoeven, De Nederlandse Sigarenmakers en Tabaksbewerkersbond (Amsterdam 1937) 248-249.

Portret: 

H.J. Bruens, uit: W. van der Hoeven, De Nederlandse Sigarenmakers en Tabaksbewerkers Bond (Amsterdam 1937), t.o. 248

Auteur: 
Bauke Marinus
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 26-27
Laatst gewijzigd: 

00-00-1987