BRUIN, Pieter de

Pieter de Bruin

(roepnaam: Piet), voorman van de SDAP te Schiedam, is geboren te Schiedam op 16 oktober 1879 en aldaar overleden op 5 september 1957. Hij was de zoon van Pieter de Bruin, zakkendrager, en Adriana van den Bos, Op 12 november 1903 trad hij in het huwelijk met Hendrina Beatrix Bakker, met wie hij drie dochters en een zoon kreeg. Dit huwelijk werd op 9 juli 1930 ontbonden. Op 31 juli 1930 hertrouwde hij met Jansje Tanis, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.

De Bruin was het jongste uit een gezin met zeven kinderen. Hij groeide op in armoedige omstandigheden, zoals een groot deel van de voor het merendeel van de jenever branderijen afhankelijke bevolking van Schiedam. Zijn vader overleed als gevolg van een bedrijfsongeval toen Piet nog geen vier jaar oud was. Zijn moeder kreeg een kleine uitkering van het zakkendragersgilde met een toeslag van de hervormde diakonie. Door hard werken (wassen, mangelen, een handel in garen en band), waarbij de kinderen al jong ingeschakeld werden, slaagde de moeder er in het gezin aan de ergste armoede te doen ontsnappen. De Bruin behield zijn hele leven een grote gehechtheid aan zijn moeder, ook al kon zij later zijn socialistische sympathieën niet delen. De vernederingen die verbonden waren met de bedeling (onder andere verplichte kerkgang) hebben mede bijgedragen aan zijn keuze voor het socialisme. De (vrijzinnig) hervormde predikant François HaverSchmidt trok zich het lot van de weduwe en haar gezin aan. De Bruin, dooplid van de Nederlands Hervormde Kerk, was zijn hele leven een trouw lid van de Nederlandse Protestantenbond (NPB), afdeling Schiedam. Na de lagere school was hij werkzaam als leerling-letterzetter in enige drukkerijen. Hier ontwaakte zijn allereerste politieke bewustzijn. Hij maakte kennis met socialistische arbeiders en werd opstandig tegen de slechte arbeidsomstandigheden. Omdat hij nog geen lid kon worden van een vakbond richtte hij, zeventien jaar oud, met enkele anderen de Typografen Jongelingsvereeniging 'Hoop der Toekomst' op. Feitelijk functioneerde deze als een debating-club. In deze tijd begon hij met het publiceren van revolutionaire gedichten in Recht voor Allen, De Vrije Socialist en andere links-revolutionaire, anarchistische bladen. Hij zou zijn hele leven literaire aspiraties houden en gedichten blijven publiceren.

De crisis van 1901 maakte De Bruin werkloos als letterzetter, wat hem noodzaakte allerlei andere werkzaamheden te verrichten. Hij was onder andere reiziger, kelner, witkiel bij het Hollands Spoor en bakkersgezel. Dit harde bestaan belette niet dat hij het prototype werd van de belezen arbeider-autodidact. Zijn revolutionaire sentiment maakte dat hij in 1899 niet tot de oprichters van de plaatselijke afdeling van de SDAP behoorde. Op 1 september 1901 sloot hij zich toch bij deze partij aan. Vooral twee personen zijn op deze keuze van invloed geweest: F.W.N. Hugenholtz, de voorganger van de NPB-afdeling, en J. van Leeuwen, leraar aan de rijks-HBS ter plaatse en al spoedig voorzitter van de SDAP in Schiedam. Deze laatste heeft voor de ontwikkeling van De Bruin veel betekend. Hij onderrichtte hem onder meer in het Nederlands, Duits en Engels. Al gauw werd De Bruin een van de gezichtsbepalende figuren in de plaatselijke afdeling en de daarmee verwante organisaties vanwege zijn organisatorische vermogen, grote werkkracht en praktisch inzicht. Hij was (mede)oprichter van de zangvereniging Excelsior, de muziekvereniging Kunst en Strijd, de toneelvereniging Kunst na Arbeid en de Schiedamse Bestuurdersbond. Veel tijd besteedde hij aan individuele hulpverlening als medewerker van het Bureau voor Arbeidsrecht van de Bestuurdersbond. In de tijd dat hij als bakkersknecht werkte richtte hij een bond voor bakkersgezellen op, waarvan hij voorzitter werd. Tevens werd hij redacteur van het plaatselijk orgaan De Moker, waarmee hij, niet altijd zonder gevaar, colporteerde in de regio. In 1903 stond hij voor het eerst kandidaat voor de gemeenteraad, nog zonder succes. In 1907 werd hij echter als eerste SDAP'er in de Schiedamse gemeenteraad gekozen. Dit was mede mogelijk dankzij de steun van de vrijzinnig-democraten en in het bijzonder hun voorman, de rijke brander M.C.M. de Groot. Deze wees de klassenstrijd af maar stond op praktisch terrein in vele zaken hetzelfde voor als de SDAP. De Bruin nam in de gemeenteraad, waarin de confessionele partijen de meerderheid hadden, een vrij geïsoleerde positie in. Hij werd geweerd uit de raadscommissies. Tegen hevige weerstand in stelde hij tal van zaken aan de orde, zoals de slechte kwaliteit van het drinkwater, de slechte hygiënische omstandigheden in het ziekenhuis, de arbeidsvoorwaarden van het gemeentepersoneel, de noodzaak van volkswoningbouw, progressieve belastingen enz. Hij bleek een fel ('ik lust je rauw') en goed gedocumenteerd debater. In 1910 publiceerde hij op basis van een onderzoek van de Bestuurdersbond de brochure Zwart Schiedam. Hoe wij werken. Hoe wij leven. Daarin liet hij op scherpe wijze de arbeids- en leefomstandigheden van een groot deel van de Schiedamse bevolking zien. Als volbloed socialist richtte hij zich op praktische politiek: de revolutionair van weleer werd reformist. De sterke weerstand die hij ondervond veroorzaakte bij hem in deze eerste periode wel een geestelijke inzinking. Dankzij de steun van De Groot kon hij een rustkuur in Gelderland ondergaan. Inmiddels oefende hij weer het beroep van typograaf uit en wel in de door De Groot gestichte coöperatieve drukkerij De Eendracht. De reuma waaraan hij leed maakte echter in 1915 de uitoefening van dit beroep onmogelijk. Hij begon een herenmodezaak alsmede de Eerste Schiedamse Bewakingsdienst, waar hij werklozen aan een baan kon helpen. In 1911 werd hij voorzitter van de SDAP-afdeling, hetgeen hij met een onderbreking in de Eerste Wereldoorlog tot 1945 bleef. Ook werd hij vaste bezoeker van de partijraad en van congressen.

De Eerste Wereldoorlog bracht een verschuiving teweeg in de opstelling ten opzichte van de inmiddels gegroeide SDAP fractie. Zo werden de SDAP-raadsleden in commissies gekozen. Overigens steunde De Bruin van harte de godsvredepolitiek van de SDAP-leiding. Dit bracht hem in conflict met de radicale vleugel in de afdeling onder leiding van de christen-socialiste Enka (Anke van der Vlies). Hij legde zijn voorzitterschap neer toen zij een meerderheid in de afdeling meekreeg. Als lid van de gemeentelijke voedselcommissie onderscheidde De Bruin zich zodanig dat hij op advies van Burgemeester en Wethouders tijdelijk uit de gemeenteraad ging om directeur van het levensmiddelenbureau te worden, ten einde dit goed van de grond te krijgen. Bij de uitbreiding van het College van Burgemeester en Wethouders in 1917 werd De Bruin, ondanks confessionele tegenstand, tot vierde wethouder gekozen. Hij kreeg de portefeuille onderwijs en sociale zaken. Hij benutte de mogelijkheden die de Onderwijswet van 1920 bood aan de gemeenten om het onderwijs zo goed mogelijk te organiseren: het aanstellingsbeleid en de arbeidsvoorwaarden werden verbeterd, nieuwe scholen gebouwd en het onderwijspeil verhoogd. Vooral het volkskind had zijn grote belangstelling. Tevens zette hij zich als medeoprichter en secretaris van de plaatselijke zuigelingenvereniging in voor de zuigelingenzorg. Hij werd een in brede kring aanvaard persoon, zodat op den duur alleen de communisten tegen zijn herbenoeming stemden.

De Bruin was medeoprichter van de afdeling Zuid-Holland van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, waarvan hij secretaris en penningmeester werd. Hij was ook voorzitter van het gewest Zuid-Holland van de SDAP. Sinds 1919 was hij lid van Provinciale Staten. In 1932 werd hij, als opvolger van J.H.A. Schaper, gekozen tot lid van Gedeputeerde Staten en legde hij zijn wethouderschap neer. Vooral waterstaat, verkeerszaken en de drinkwateren elektriciteitsvoorziening hadden zijn aandacht als gedeputeerde. In de meidagen van 1940 belastte de Commissaris der Koningin H.A. van Karnebeek hem met de hulpverlening en evacuatie in Rotterdam. Gedeputeerde Staten besloten aan te blijven zolang zij zonder te veel inmenging hun werk konden blijven doen. Toen in januari 1943 de NSB'er R. van Genechten tot Commissaris werd benoemd deelden de gedeputeerden hem mee dat zij zouden opstappen als hij in functie zou treden, waarop zij hun ontslag indienden. Aangezien Van Genechten nooit als Commissaris gefunctioneerd heeft, werd deze ontslagname niet effectief. Als voorzitter van de N.V. Elektriciteitsbedrijf Zuid-Holland heeft De Bruin zich bijzonder veel inspanning getroost om een koppeling tot stand te brengen tussen de zes grote elektriciteitscentrales, om zo de stroomvoorziening van de gemalen te waarborgen en overstromingen te voorkomen. Het in functie blijven is De Bruin na de oorlog zwaar aangerekend. Hij zou te weinig een voorbeeldfunctie vervuld hebben. Hij werd kort na de bevrijding niet herkozen als voorzitter van de plaatselijke partijafdeling. De Centrale Ereraad van de SDAP nodigde hem uit om zijn zetel als gedeputeerde beschikbaar te stellen. De Bruin was hierover zeer verbitterd. In zijn open brief in de vorm van de brochure Onrust in de S.D.A.P. (Den Haag 1945) kwam De Bruin fel op tegen zijn veroordeling door de Ereraad en hekelde hij de 'bijltjesdag'-sfeer in de SDAP. Hij weigerde zijn functie neer te leggen en zat zijn termijn als gedeputeerde uit (tot juli 1946). In 1946 werd hem nog het voorzitterschap opgedragen van de door Gedeputeerde Staten ingestelde commissie tot onderzoek en bestudering van het vraagstuk van de aanleg van een zeehaven te Katwijk. Voor de realisatie van die buitenhaven heeft hij zich bijzonder ingespannen. De schaduw die over zijn leven lag en die hem onder meer verwijderd had van partijvoorzitter Koos Vorrink werd weggenomen bij de grootscheepse huldiging op zijn zeventigste verjaardag. Hij verzoende zich toen publiekelijk met de aanwezige Vorrink. Ook de huldiging op zijn vijfenzeventigste verjaardag en de grote belangstelling op zijn begrafenis maakten duidelijk dat men de verdiensten van deze veteraan van de socialistische arbeidersbeweging niet vergeten was.

Archief: 

Archief P. de Bruin in familiebezit.

Publicaties: 

Behalve de genoemde: Het medisch schooltoezicht (z.pl. 1927); (met A.B. de Zeeuw) Onschuldig veroordeeld (z.pl. 1946).

Literatuur: 

Vliegen, Kracht III, 304-305; 'Zeventigjarige P. de Bruin werd in het Volksgebouw gehuldigd' in: Rotterdams Parool. De Schiedammer, 17.10.1949; 'Oude garde bewijst haar leider de laatste eer' in: Rotterdams Parool. De Schiedammer, 10.9.1957; J .H. Scheps, Scheps inventariseert I (Apeldoorn 1973) 166-185; J.J. van der Horst, Geen ideaalmenschen. De Schiedamse SDAP tot 1917 (Schiedam 1984); J. Grandia, De arbeider-wethouder Dries van der Vlerk (Amsterdam 1990) 46-48, 53, 55, 60-62; H. Noordegraaf, 'Enka als lid van de Schiedamse SDAP' in: BNA, 1990, nr. 22, 2-12; P. de Bruin jr., 'Uit het leven van mijn vader Piet de Bruin' in: Scyedam, 1992, oktober, 144-149; H. Faber, Rekenschap van een zoektocht. Een autobiografie (Baarn 1993) 121; H. Noordegraaf, HaverSchmidt en Schiedam (Schiedam 1993) 112-114.

Portret: 

P. de Bruin, particuliere collectie

Auteur: 
Herman Noordegraaf
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 36-39
Laatst gewijzigd: 

00-00-1995