CETON, Jan Cornelis

Jan Cornelis Ceton

voorman van de Sociaal-Democratische Onderwijzers Vereeniging en partijbestuurslid van de Sociaal-Democratische Partij, de Communistische Partij in Nederland en de Communistische Partij Holland-Centraal Comité, is geboren te Bodegraven op 13 mei 1875 en overleden te Amerongen op 21 januari 1943. Hij was de zoon van Huijg Ceton, onderwijzer, en Maria Sterk. Op 19 juli 1911 trad hij in het huwelijk met Emma Josephine Hess. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Ceton was van vaderszijde afstammeling van een Engelse of Schotse militair, Sutton geheten, die rond 1620 in het plaatsje Schoonhoven was ingekwartierd. Diens nakomelingen verbasterden de familienaam tot 'Seton' of 'Ceton' en raakten ervan overtuigd af te stammen van Franse Hugenoten. Cetons moeder was afkomstig uit een geslacht van nederige ambachtslieden en agrariërs en was net als haar man Nederlands hervormd gedoopt. Cetons vader doorbrak de familiale traditie het beroep van koperslager uit te oefenen en werd hulponderwijzer en later onderwijzer aan de openbare lagere school te Bodegraven. Ceton trad in de voetsporen van zijn vader en ging in september 1890 voor onderwijzer studeren aan de Rijkskweekschool voor Onderwijzers te Haarlem. De studie werd bekostigd uit een rijkstoelage van driehonderd gulden per jaar, door de jeugdige Ceton voornamelijk besteed aan kost en inwoning. In 1892 meldde hij zich met andere kwekelingen vrijwillig aan om zich te bekwamen in de beoefening van de wapenkunst onder supervisie van een milicien korporaal. Hij was één van de beste kwekelingen van zijn jaargang maar het lukte hem in april 1894 niet zijn onderwijzersakte te behalen. In oktober slaagde hij wél en dankzij bemiddeling van de kweekschool kon hij in januari 1895 als onderwijzer beginnen aan de openbare lagere school te Alphen aan den Rijn. Het verblijf in Alphen was van groot belang voor zijn vorming. Als jong onderwijzer verzette Ceton zich tegen de zijns inziens te sterke nadruk op boekenwijsheden. Hij bracht de schoolkinderen tijdens lange schoolwandelingen in aanraking met de natuur en propageerde deze vorm van pedagogiek tijdens bijeenkomsten van onderwijzers uit het Oude Rijn-gebied. Aan zijn liefde voor natuur en vlinders gaf hij uitdrukking in het blad De Levende Natuur van E. Heimans en Jac. P. Thijsse. Zijn hartstocht voor de natuur raakte vermengd met een verzetshouding tegen het christelijk onderwijs en de bestaande maatschappelijke verhoudingen. Vermoedelijk speelde het verzet van de calvinistische bevolking van het gebied tegen Cetons vernieuwingsdrift op onderwijskundig gebied hierbij een rol. Belangrijker waren de voortdurende pogingen van calvinistische gemeentebesturen het openbaar lager onderwijs te marginaliseren. C. Bijkerk, onderwijzer in Oudshoorn en later strijdmakker van Ceton in de SDAP, ageerde hier publiekelijk tegen in het lokale blad De Rijnbode, waarbij hij en passant de erbarmelijke sociale condities van de werklieden aan de kaak stelde. Het gevolg was een verhevigde hetze tegen het openbaar onderwijs en de er werkende 'socialen'. Ceton zal deze hetze met groeiende afkeer hebben gadegeslagen maar uitte dit nog niet, ofschoon hij zich als afdelingssecretaris van het Nederlandsch Onderwijzers Genootschap wel inzette voor betere sociale condities voor onderwijzers. In zijn vrije tijd studeerde hij voor de hoofdakte van onderwijzer, die hij in oktober 1898 behaalde. Per 1 juni 1899 werkte hij als onderwijzer te Amsterdam aan school 130, de latere Kastanjepleinschool aan de 2e Oosterparkstraat. Tot de opheffing van de school in augustus 1925 bleef hij er, met een korte onderbreking, als volksonderwijzer werken. Hij werd overgeplaatst naar de Bankaschool en twee jaar later naar de Kramatschool, eveneens in de 'Indische Buurt'. Ceton was een bijzonder geliefd onderwijzer en zijn leerlingen, maar ook hun ouders, droegen hem op handen. Net als veel andere sociaal-democraten voelde hij niet voor de functie van hoofdonderwijzer.

Ten tijde van zijn vertrek naar Amsterdam in 1899 had Ceton al gebroken met het hervormde geloof. Hij werd socialist en trad toe tot de SDAP. In oktober 1900 werd hij secretaris van Arbeiderskiesvereeniging Amsterdam-III en in 1901 penningmeester van de Amsterdamsche Bestuurdersbond. Vanaf september 1899 tot januari 1906 was hij secretaris van het hoofdbestuur van de Sociaal-Democratische OnderwijzersVereeniging (SDOV), van 1901 tot 1905 en van 1907 tot 1908 bovendien redacteur van De Volksonderwijzer, het orgaan van de SDOV. Organisatie en blad werden in december 1908 opgeheven bij gebrek aan leden en abonnees. Ceton bleek in de partij een briljant organisator en leverde via het door hem, D. Wijnkoop en S.R. de Miranda ontwikkelde systeem van 'kiezerskweek' een belangrijke bijdrage aan de verkiezingszeges van de SDAP bij de Raadsen Kamerverkiezingen tot 1909. Zijn bijdrage hieraan was zo beslissend dat de partij hem ter beloning in 1905 een boekenkast dacht te schenken. Het feest ging echter niet door omdat Ceton elke vorm van beloning gedecideerd van de hand wees. Rond 1900 was Ceton in contact gekomen met Wijnkoop. Hoewel zij nauwelijks persoonlijke vriendschapsbanden ontwikkelden, werden zij politieke strijdmakkers voor decennia. Cetons huwelijk in 1911 met Emma Hess, de vroegere vrouw van Wijnkoop, deed hun onderlinge relatie geen goed. Er trad een verkilling op, die zich echter zelden tot het politieke vlak uitstrekte. Hun samen optrekken in de politiek begon bij de meningsverschillen vanaf de eeuwwisseling binnen de SDAP over de te volgen koers van de sociaal-democratie. Tegenover de gematigde, 'reformistische' meerderheidsstroming formeerde zich een 'marxistische' minderheid, waartoe Ceton zou gaan behoren. In 1902 nam hij stelling tegen P.J. Troelstra's steun aan staatssubsidiëring van het christelijk lager onderwijs en schreef in De Nieuwe Tijd een vlammend artikel daartegen. Op het SDAP-congres van Groningen in hetzelfde jaar hoorde hij tot de opponerende linkse minderheid. Vanaf dat moment zou hij samen met Wijnkoop en andere radicale marxisten in een ongeëvenaard radicalisme de officiële partijkoers bestrijden. Hun voornaamste machtsbasis vormde de afdeling Amsterdam III, de grootste afdeling van de partij én Troelstra's kiesdistrict voor de Kamer. Wijnkoop was er jarenlang voorzitter met Ceton als secretaris aan zijn zijde. Naarmate de partijstrijd verhevigde, verzekerde het duo zich van een bescheiden achterban van radicale marxisten in de afdeling. Vanaf het begin stond dit groepje, samen met medestanders in andere afdelingen, ambivalent tegenover de ruimere marxistische 'Nieuwe Tijd-groep' en maakte zich er ten slotte van los. Ten bewijze van die breuk richtte de groep rond Wijnkoop en Ceton in 1907 het oppositionele weekblad De Tribune op. Ceton werd redacteur van het blad met Wijnkoop en W. van Ravesteyn. Hij schreef er talrijke artikelen in en verwekte opschudding met het nietsontziende kritiseren van partij koers en partijleiding. Met de Kamerverkiezingen van 1909 in zicht greep de Kamerfractie ten slotte in en wist het buitengewoon congres van Deventer (februari 1909) te forceren dat de redactie van het blad voor de keus stelde en vervolgens na weigering het blad op te heffen royeerde. Eén maand later volgde de oprichting van de Sociaal-Democratische Partij (SDP), voorbereid door een commissie van negen onder wie Ceton. Pogingen van de kant van de Tweede Internationale de breuk te helen liepen op niets uit, mede vanwege het felle verzet van Ceton tegen compromissen met de oude tegenstanders.

Ceton werd lid van het partijbestuur van de SDP, vanaf december 1910 als secretaris-penningmeester. Hij was redacteur van De Tribune (tot april 1916, daarna vast medewerker) en deed vanaf 1916 de administratie. Met kunst en vliegwerk wist hij het blad op de been te houden. Ceton was in 1919 medeoprichter van de Kommunistische Onderwijzers Vereeniging en redacteur van haar orgaan De Communistische Onderwijzer, dat van 1919 tot vermoedelijk eind 1923 bestaan heeft. Hij kandideerde enige malen voor de Staten- en Kamerverkiezingen en werd in 1919 voor de Communistische Partij in Nederland (CPN), sinds 1918 de voortzetting van de SDP, verkozen tot lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland. Hij hield er felle redevoeringen ter verdediging van de belangen van de arbeiders en ten gunste van het openbaar onderwijs. In 1923 werd hij herkozen als Statenlid, maar de benoeming ging niet door omdat Cetons geloofsbrieven te laat op de Provinciale Griffie arriveerden. In februari 1921 verzocht Ceton de wethouder van onderwijs een studiereis te mogen maken naar Sovjet-Rusland om onderzoek te doen naar de arbeids-eenheidsschool. In dit experimentele systeem legde het aanleren van verschillende maatschappelijke arbeidsvormen de basis voor scholing en wetenschappelijke vorming, terwijl de school tevens alle onderwijsvormen, van bewaarschool tot hogeschool, zou moeten omvatten. Ceton wilde ook de congressen van de Roode Vak-Internationale en Komintern bijwonen. Burgemeester en Wethouders weigerden echter toestemming te verlenen, zelfs nadat de gemeenteraad er wél mee had in gestemd. Ceton negeerde daarop het verbod en vertrok in mei naar Sovjet-Rusland, waar hij samen met Brecht van den Muijzenberg-Willemse en Jan Stam verschillende scholen bezocht. Op het Komintern-congres bleek hij meer aandacht te hebben voor een vrouwelijke kameraad dan voor V.I. Lenin, die hem weinig kon bekoren. Cetons reis verwekte sensatie in de Nederlandse pers van links tot rechts en leidde er ten slotte toe dat hij in september als onderwijzer ontslagen werd. De nieuwe wethouder van onderwijs, Cetons politieke tegenstander Willem Vliegen, zorgde er echter voor dat Ceton in januari 1922 weer op zijn oude school voor de klas stond. Wel ondertekende deze een verklaring zich in het vervolg aan de 'Instruktie voor het onderwijzend personeel' te zullen houden. Ceton deed verslag van zijn reis- en studie-ervaringen in brochures en artikelen in De Communistische Gids en De Communistische Onderwijzer. Opvallend zijn de nadruk op de destructie in het land door revolutie en burgeroorlog, de bewondering voor wat de bolsjewiki onder deze benarde omstandigheden op onderwijsgebied presteerden en de herhaaldelijk geuite overtuiging, dat de arbeids-eenheidsschool de toekomst had nu het kapitalisme in zijn stervensfase verkeerde. Ceton bleef Wijnkoop trouw, toen deze met Van Ravesteyn en G. van Burink op het CPN-congres van mei 1926 werd geroyeerd. Dit royement was het gevolg van een jarenlange partij strijd rond de vakbondspolitiek van Wijnkoop cum suis en de te vriendelijk geachte houding jegens parlement en SDAP. De contradicties spitsten zich ten slotte toe op de samenstelling van de kandidatenlijst voor de Kamerverkiezingen, waarbij de steun van het Executief Comité van de Komintern aan de oppositie bijdroeg aan de nederlaag van de oude partijleiders. Ceton had zich van meet af aan onverzoenlijk tegenover de oppositie opgesteld en werd onmiddellijk lid van het bestuur van de in oktober 1926 opgerichte Communistische Partij Holland-Centraal Comité (CPH-CC) evenals redacteur en administrateur van haar orgaan De Communistische Gids, nadat de CPN-leiding het gelijknamige maandblad eind 1925 had opgeheven. Ceton was ook geplaatst op de kandidatenlijst voor de verkiezingen van 1929, die een Kamerlidmaatschap voor Wijnkoop opleverden. Deze verkiezingen bevestigden de patstelling tussen de oude CPN en de CPH-CC. Zij luidden een toenadering in tussen beide partijen, die in juni 1930 tot herstel van de communistische eenheid leidde. Ceton nam deel aan het overleg tussen CPN en CPH-CC op 20 juni dat de feitelijke grondslagen voor het opgaan van de nieuwe in de oude partij vaststelde, maar wilde zelf waarschijnlijk niet accoord gaan met de opheffing van de CPH-CC, wat immers een knieval inhield voor de voorheen zo fanatiek bestreden tegenstanders. Dit betekende dat hij zich na de 20e juni voorgoed uit de politiek terugtrok zonder er ooit in geschrifte op terug te blikken. Wij weten daarom niet of en in hoeverre Ceton met het communisme brak.

Cetons afscheid van de politiek bracht weer tijd voor zijn oude liefde: de vlinders. In juni 1933 verscheen een eerste artikel van zijn hand in De Levende Natuur, verlucht met fraaie, door hemzelf gemaakte foto's. Er zouden nog vele artikelen volgen. Ceton maakte voor vlinderstudie en -verzameling reizen naar de Eifel, Luxemburg en het Zwitserse hooggebergte. Over de Nederlandse vlinder- en insectenwereld schreef hij poëtische artikelen in De Levende Natuur en De Entomologische Berichten. Hij werd in 1932 lid van de Nederlandsche Entomologische Vereeniging, maakte veel vrienden onder entomologen en lepidopteristen en werd algemeen als groot vlinderkenner erkend. Ceton kon ook verdienstelijk viool- en pianospelen en maakte composities, die hij welluidend ten gehore bracht. Profiterend van een nieuwe sociale wet vroeg en kreeg Ceton per 1 april 1936 eervol ontslag als onderwijzer. Met zijn vrouw verhuisde hij naar Albergen, waar hij de omgeving afstroopte op zoek naar zeldzame vlinders. In september 1936 nam het echtpaar zijn intrek in Wageningen, aan de Keijenbergscheweg dichtbij Bennekom. Ceton moet hier gelukkige jaren hebben gekend en genoot van de omgeving die hij in een prachtig artikel, zijn laatste, uit het voorjaar van 1941, in De Levende Natuur beschreef. In 1941 dook het oud-SDAP-raadslid Ben Sajet enige tijd bij hem onder. In de loop van 1942 openbaarde zich bij Ceton de fatale ziekte, waaraan hij begin 1943 in het Johanniter Hospitaal te Amerongen overleed. In De Levende Natuur schreef vlinderkenner en buurman Dr. J. Wilcke een necrologie waarin hij Ceton eerde als een gul, hulpvaardig en nobel mens die zijn blijmoedigheid zelfs in het besef van de naderende dood wist te bewaren. Zijn vrouw verhuisde na een korte onderduikperiode te Wageningen naar haar oudste broer in Hilversum, vanwaar zij gedeporteerd werd naar Auschwitz en op 22 mei 1944 moet zijn omgebracht.

Publicaties: 

Vrije school of verplichte staatsschool' in: De Nieuwe Tijd, 1902, 37-51, 109-121; De vakbeweging en de politieke strijd (Baarn 1912); 'Sociaal-Democratie en Onderwijs' in: De Nieuwe Tijd, 1913, 875-889 (ook uitgegeven als brochure: Amsterdam z.j.); 'Onderwijsbeschouwingen' in: De Nieuwe Tijd, 1914, 27-45, 81-94; 'De huidige crisis' in: De Nieuwe Tijd, 1914, 516-534; 'De Schoolvrede' in: De Nieuwe Tijd, 1916, 321-330; 'De macht van het Bankkapitaal' in: De Nieuwe Tijd, 1921, 9-19, 33-44; School en kind in Sowjet-Rusland (Amsterdam 1921); 'De nieuwe beschaving' in: De Communistische Gids, 1922, 19-27; 'Onderwijs en opvoeding in Sovjet-Ukraïne' in: De Communistische Gids, 1923, 43-60 (ook verschenen als brochure: Amsterdam z.j.); De Communistische school (Amsterdam z.j.); De arbeidsschool als maatschappelijk probleem (Amsterdam z.j.); Op voor uw school! (Amsterdam z.j.).

Literatuur: 

J. Wilcke, 'J.C. Ceton +' in: De Levende Natuur, 47ste jrg., aflevering 11, 1.3.1943, 174; W. van Ravesteyn, De Roman van mijn leven (ongepubliceerd, in Gemeentearchief Rotterdam); W. van Ravesteyn, De wording van het communisme in Nederland, 1907-1925 (Amsterdam 1948); G. Harmsen, 'Voorspel, ontstaan en verloop van het schisma in het Nederlandse Communisme. De geschiedenis van de CPH-CC (de Wijnkoop-partij)' in: Mededelingenblad, nr. 29, augustus 1966, 3-38; A.J. Koejemans, David Wijnkoop (Amsterdam 1967); H. de Liagre Böhl, Herman Gorter (Nijmegen 1973); Sj. van de Klundert, Jan Cornelis Ceton (Nijmegen 1975; scriptie Pedagogiek); Sj. Karsten, Op het breukvlak van opvoeding en politiek (Amsterdam 1986); C. Boet e.a., Van bron tot boek (Amsterdam 1986); H. Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP (Amsterdam 1989); M.H.J. Buiting, 'Jan Cornelis Ceton. Onderwijzer, communist en vlinderliefhebber' in: Heemtijdinghen. Orgaan van de Stichts-Hollandse Historische Vereniging, 26e jrg. nr. 4, december 1990, 97-120; H. Buiting, 'Ceton en de arbeidseenheidsschool' in: Onvoltooid Verleden, nr. 8, maart 2000, 7-21; G. Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale (1919-1930) (Amsterdam 2001).

Portret: 

J.C. Ceton, IISG

Auteur: 
Henny Buiting
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 33-38
Laatst gewijzigd: 

29-08-2005