DOUWES DEKKER, Eduard

Eduard Douwes Dekker (Multatuli)

(bekend als Multatuli; roepnaam: Dek), vrijdenker en schrijver 'tegen wil en dank', is geboren te Amsterdam op 2 maart 1820 en overleden te Nieder-Ingelheim (Rhein-Hessen, Duitsland) op 19 februari 1887. Hij was de zoon van Engel Douwes Dekker, kapitein ter koopvaardij, en Sietske Eeltjes Klein (soms ook in officiële stukken: Klijn). Op 10 april 1846 trad hij te Tjandjoer (Java) in het huwelijk met Everdina Huberta (zelf gaf het echtpaar de voorkeur aan de spelling Everdine Huberte) baronesse van Wijnbergen, met wie hij een dochter en een zoon kreeg. Na haar overlijden (te Venetië op 13 september 1874) hertrouwde hij te Rotterdam op 1 april 1875 met Maria Frederika Cornelia (Mimi of Mies) Hamminck Schepel, onderwijzeres, later schrijfster onder de naam Heloïze, met wie hij in 1878 het tweejarig Duits jongetje Eduard (Wouter) Bernhold als pleegzoon aannam.
Pseudoniem: Multatuli.

Onder zijn pseudoniem Multatuli schreef Douwes Dekker veel en kritisch over de Nederlandse samenleving in de negentiende eeuw. Voor velen betekende het lezen van zijn opmerkingen een ontdekking en een bevrijding uit het harnas van maatschappelijke regels en gewoonten. Als schrijver stond hij op een internationaal niveau, als persoon was hij in het 'fatsoenlijke' Nederland van zijn eigen tijd omstreden. Hij zou veel invloed krijgen op mensen die actief waren in de Nederlandse arbeidersbeweging en op vrouwen die streefden naar emancipatie. Douwes Dekker was een van de zes kinderen van een vroom, orthodox doopsgezind echtpaar, waarvan de vader afkomstig was uit de Zaanstreek en de moeder van Ameland. Zij trouwden in 1808 te Ballum in de zeer eenvoudige 'vermaning' van de Jan Jacobsgezinden, ingezegend door de lekeprediker Cornelis P. Sorgdrager. Deze groepering werd gerekend tot de orthodoxe doopsgezinde stroming van Oude Vlamingen. Tien jaar later keerden de ouders terug naar Amsterdam, waar hun drie jongste kinderen -onder wie Eduard - werden geboren. Zij gaven hun kinderen een goede opleiding. De oudste werd na het doorlopen van de Latijnse School en de doopsgezinde kweekschool predikant. De tweede zoon bezocht net als zijn vader de kweekschool voor de zeevaart. Douwes Dekker was weer bestemd voor het predikambt maar verliet na drie klassen de Latijnse School wegens gebrek aan roeping. Een opleiding op een handelskantoor was evenmin een succes. Meegaan naar Oost-Indië op een schip waarvan zijn vader kapitein en zijn broer stuurman was, leek een goede oplossing. In september 1838 zeilde de achttienjarige als lichtmatroos via Kaap de Goede Hoop naar de tropen. In januari 1839 bereikte hij Batavia (= Djakarta), de residentie van de Gouverneur-Generaal en het centrum van het binnenlands bestuur over Nederlandsch Oost-Indië. Na een korte proefperiode kreeg hij vast werk bij de Rekenkamer. Hij vierde tamelijk uitbundig zijn pas verworven vrijheid en zijn vader gaf hem enige geldelijke steun. In Indië ging het contact met oude vrienden en de familie evenwel te loor. Zijn jeugdvriend P. Bleeker schreef aan een bekende in het vaderland dat Douwes Dekker in Batavia nog de oude was met 'hetzelfde vurige wilde onbuigzame onbedwingbare karakter ... niet geschikt voor Indië en nog minder voor de Europeanen in Indië'. Douwes Dekker werd in 1840 verliefd op Caroline Versteegh en liet zich, ook voor haar, in augustus 1841 te Batavia katholiek dopen. Hij solliciteerde naar een plaats als controleur in Natal op de Westkust van Sumatra, een onlangs 'gepacificeerd' gebied. Hij werd daar geplaatst (1843) maar zag zich opnieuw, en nu officieel, afgewezen als schoonzoon. Wegens onzorgvuldig financieel beheer schorste de militaire resident generaal A.V. Michiels Douwes Dekker en dwong hem bijna een jaar zonder inkomsten in Padang te blijven. In 1844 werd Douwes Dekker teruggeroepen naar Batavia. Hij kreeg enkele tijdelijke functies op Java en leerde daar zijn latere vrouw Everdina van Wijnbergen kennen, met wie hij in 1846 trouwde. In 1848 verleende het gouvernement hem met 150 anderen het 'radicaal', een examenbul die voor ambtenaren van het binnenlands bestuur verplicht was geworden nadat in 1843 voor hen een opleiding in Delft was ingesteld. Achtereenvolgens was Douwes Dekker commies te Bagelen (Java), secretaris te Menado (Noord Celebes) en assistent-resident te Amboïna. Hoewel hij nog geen vijftien jaar in gouvernementsdienst was, en dus nog geen recht op Europees verlof had, vroeg hij dit toch aan in verband met de slechte gezondheidstoestand van zijn vrouw en hemzelf. Begin 1853 kwam het gezin terug in Nederland, bezocht alle familieleden en bezorgde opdrachten van vrienden. Douwes Dekker tracteerde Leidse studenten, Amsterdamse weeskinderen en oude vrouwtjes. Zonder succes bracht hij zelfbedachte goksystemen in praktijk in Bad Homburg en Spa. In Gorkum werd hij meestervrijmetselaar en in 1854 Prins van het Rozenkruis, een vrijmetselaarsgraad. Het geld dat hij voor het verlof had uitgetrokken, was vroegtijdig op. Beladen met een indrukwekkende last van schulden, onder meer bij het ministerie van Koloniën, keerde hij met vrouw en zoontje naar Indië terug. Zij kwamen daar in september 1855 aan. Gouverneur-Generaal A.J. Duymaer van Twist plaatste Douwes Dekker als assistent-resident op West-Java, te Bantam in het district Lebak met als hoofdstad Rangkas-Bitoeng. Zijn verhouding daar - officieel naast, maar eigenlijk boven de oude, eerbiedwaardige arme regent die veel familieleden te onderhouden had, was niet gemakkelijk. Douwes Dekker ontdekte dat er sprake was van corruptie, knevelarij en misbruik van de zijde van de inlandse hoofden ten koste van een verarmde bevolking die zijn woonplaats in Lebak zoveel mogelijk ontvluchtte, meestal wegens hongersnood. Vanaf januari 1856 bestudeerde hij de interne dienstrapporten dat van de latere Gouverneur-Generaal J.J. Hasselman met gelijke kritiek kreeg hij niet onder ogen en stelde ten slotte schorsing van de regent door de resident voor. Toen in plaats daarvan de Gouverneur-Generaal hemzelf berispte en overplaatste, vroeg hij ontslag. Dit werd hem op 4 april 1856 verleend.

Douwes Dekker probeerde eerst in Indië aan de slag te komen maar dit liep tegen. Hierna keerde hij in april 1857 alleen naar Europa terug. Hij trok via de weg van de landmail en bereisde vanuit Egypte Frankrijk en Duitsland. Toen de nood hoog was - zijn vrouw en twee kinderen hadden zich in België bij hem gevoegd - schreef hij najaar 1859 in zeer korte tijd in Brussel zijn Max Havelaar of de Koffieveilingen van de Nederlandsche Handelmaatschappij. Dankzij bemiddeling van zijn broer Jan en de literator Jacob van Lennep verscheen het boek in mei 1860. Het deed, zoals dominee W.R. van Hoëvell - zelf een criticus van het cultuurstelsel in Indië - in de Tweede Kamer opmerkte, een 'zekere rilling' door het land gaan, al gold dat slechts voor een culturele elite. Het boek was een sleutelroman met binnen een raamvertelling een roman en verschillende verhalen, zoals over Saidjah en Adinda. Van Lennep had het boek onherkenbaar gemaakt door het schrappen van aardrijkskundige namen en jaartallen met de bedoeling dit het karakter van een fictieve roman te geven. Het boek bleef echter een aanklacht wegens de mishandeling van de Javanen. Het slotwoord noemde Nederland een 'roof-staat aan de zee tusschen Oost-Friesland en de Schelde'. Mocht zijn protest niet helpen, dan zou Douwes Dekker het boek vertalen in de in Indië gangbare talen en zijn 'klewangwettende krijgszangen slingeren in de gemoederen van de arme martelaren wien ik hulp heb toegezegd'. 'Redding en hulp, op wettelyken weg, waar het kan ... op wettigen weg van geweld, waar het moet', hetgeen zeer nadelig voor de koffieveilingen van de Nederlandsche Handelmaatschappij zou zijn. Aan het slot deed hij een beroep op koning Willem III, 'Keizer van het prachtig ryk van Insulinde dat zich daar slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd', maar waar de 'Havelaars worden bespat door den modder van Slymeringen en Droogstoppels' en waar 'meer dan dertig millioenen onderdanen worden mishandeld en uitgezogen in Uwen naam'. Behalve een kritiek op het cultuurstelsel was de Max Havelaar een aanklacht tegen de handeldrijvende Hollanders, in Dekkers ogen vooral een duf en bekrompen, zelfgenoegzaam en op winst belust volkje dat hij verpersoonlijkte in de makelaar in koffie Batavus Droogstoppel. Net als andere door Douwes Dekker bedachte termen en namen zou Droogstoppel een scheldwoord voor bepaalde Nederlanders worden. Het boek maakte diepe indruk maar meer in literair opzicht dan als politiek pamflet. Door manipulatie van de uitgever verloor Douwes Dekker het auteursrecht. Pas toen zijn latere uitgever G.L. Funke in 1874 het auteursrecht had weten te kopen, kon Douwes Dekker in de vierde druk (1875) veranderingen aanbrengen. Zijn visie op de gebeurtenissen zette hij in 1858 ook uiteen in een brief aan Duymaer van Twist. Deze antwoordde echter niet. De brief werd gepubliceerd als Brief aan den gouverneur-generaal in ruste (eerst in 1860 afgedrukt in De Tijdspiegel, daarna apart uitgegeven: Arnhem 1860). Verdere gegevens verwerkte Douwes Dekker in de Minnebrieven (Amsterdam 1861). In de jaren na 1860 hoopte hij op eerherstel door toekenning van zijn pensioenrechten en verlening van een hoge positie bij het binnenlands bestuur. Dit gebeurde niet (zijn contact met koningin Sophie betrof haar interesse in zijn schrijverschap). Wel verhoogde de Nederlandse regering de betaling van de inheemse hoofden. Om zijn visie op Indië te kunnen uiten probeerde Multatuli, zoals Van Hoëvell, in de Tweede Kamer te komen. Hij schreef daartoe een pamflet, maar noch de kiezers van Tiel noch van Amsterdam of Leeuwarden stemden in 1860 en 1862 op hem. Anders dan 'jonge' liberalen als I.D. Fransen van de Putte wees hij 'vrije arbeid' als oplossing van de problemen in Indië af. In twee brochures over vrije arbeid (Over vrije arbeid in Nederlandsch-Indië en de tegenwoordige koloniale agitatie, Amsterdam 1862, en Nog eens: vrije arbeid in Nederlandsch-Indië, Delft 1870) betoogde hij dat een betere toepassing van het cultuurstelsel de gedwongen aanplant van koffie, suiker, peper, indigo en andere produkten voor het gouvernement te verkiezen was boven de openstelling van Java voor Vrije arbeid, dat wil zeggen voor de geldzuchtige liberale ondernemers met als gevolg een nog grovere uitbuiting. Na 1870 kwamen de 'jonge' liberalen op leidinggevende posten en bouwden het cultuurstelsel af. Douwes Dekker was somber gestemd over deze toekomst. Hij voorzag volksopstanden die de Nederlanders uit Indië zouden verjagen en vreesde voor chaos en Amerikaanse flibustiers (zeeschuimers). Als enige uitweg zag hij een gedisciplineerd leger met ijzeren tucht onder een dictator. Op deze oproep reageerden alleen enkele meisjes, zodat Douwes Dekker meende dat het een legioen vrouwen moest worden. Tot dit leger van goedwillenden rekende hij ook de Française Eugénie en de Duitse Ottilie Coss. Met zijn nichtje Sietske Abrahamsz, dochter van zijn overleden oudere zuster, had Douwes Dekker in 1861 een hartstochtelijke relatie. Zij zou, naar Sumatraans opvolgingsrecht, als zusterskind hertogin van Sumatra worden en een van de eerste vrouwelijke leden van de Amsterdamse vrijdenkersvereniging De Dageraad zijn. Andere vrouwen die onder zijn betovering kwamen, waren de domineesdochter uit Bloemendaal Charlotta de Graaff en Mimi Hamminck Schepel, met wie hij later zou samenwonen en trouwen. De Graaff leende hem geld van haar moederlijk erfdeel en logeerde een tijdlang in Brussel bij Dekkers vrouw. Ook Marie Anderson, die tot zijn vertrouwde vriendinnen behoorde en af en toe onder het pseudoniem dr Alex. Dondorp in De Dageraad schreef, hoorde bij het legioen. Waarschijnlijk beheerste deze droom Douwes Dekker in het begin van de jaren zestig, maar was zij ook later nog steeds aanwezig. Dergelijke nauwe persoonlijke betrekkingen droegen bij tot de emancipatie van deze meisjes, een loskomen van thuis en het werken voor een examen, bij voorbeeld van onderwijzeres. Thugatèr (= dochter) in de achtste geschiedenis van gezag in de Minnebrieven uit 1861 was een waarschuwend voorbeeld hoe een vrouw zonder ontwikkeling er door vaders en broers onder werd gehouden. Hier propageerde Dekker de emancipatie van vrouwen, te bereiken door ontwikkeling. In het algemeen had hij bijzonder veel charme voor vrouwen. De omgang was des te aantrekkelijker omdat het ontmoeten vaak in het geheim moest gaan en vaders bezwaar tegen de omgang maakten. Zelden echter werden de persoonlijke banden lang aangehouden. Voor velen was de invloed van Dekker te dwingend en overheersend. Latere trouwe vriendinnen waren Titia van der Tuuk, de manke onderwijzeres uit Lochem die openlijk zou schrijven dat zij vrijdenker was geworden, en de musicienne Marie Berdenis van Berlekom. Als een meteoor kwam ook Mina Krüseman in zijn leven. Zij rustte niet voordat zij (in 1875) zijn toneelstuk Vorstenschool met zichzelf als koningin Louise in de hoofdrol had gespeeld.

Een andere kring waar Douwes Dekker veel aanhang kreeg, bestond uit vrijdenkers. Hij leerde de leden van de vereniging De Dageraad in Amsterdam kennen door bemiddeling van de voorzitter, de boekhandelaar en uitgever R.C. d'Ablaing van Giessenburg. Deze gaf later van hem de Ideën I en II (1862 - 1863) op fraaie wijze uit. Bij de boekhandelaar F.C. Günst kon Douwes Dekker naar interessante boeken snuffelen. Waarschijnlijk lichtte deze hem als redacteur van het blad De Dageraad in over wie er achter alle pseudoniemen schuil gingen (door Dekker met lof in de Ideën 126 en 482 genoemd). Günst publiceerde de Minnebrieven toen Douwes Dekker hiervoor geen uitgever kon vinden. In 1859 was van Dekker in De Dageraad zijn 'Geloofsbelijdenis' verschenen, ook wel 'Lijstermannetje' genoemd. In 1861 verscheen in hetzelfde blad zijn beroemde 'Gebed van den Onwetende', dat eindigde met de woorden 'O God, er is geen God!'. De ontwikkeling van Douwes Dekker van gelovige jongen tot atheïst was zeer geleidelijk verlopen. Uit een brief van zijn jeugdvriend Abraham des Amorie van der Hoeven uit 1846 blijkt dat Dekker gelovig was, ook al was hij dat niet volgens doperse lijnen. Een brief van 24 februari 1851 aan A.C. Krüseman, een andere jeugdvriend, toont dat hij moeite had met het probleem van de volmaakte God en Christus. In 1851 ontkende Dekker christen te zijn en in 1855 schreef hij zijn vrouw aan de goede God te twijfelen. In zijn 'Geloofsbelijdenis' noemde hij het goed-doen-aan-anderen het belangrijkste en in zijn Ideën, zoals in het verhaal over de wezen in Elberfeld en over de godsdiensttwisten in de vijftigste eeuw, bestreed hij de 'goddienerij' geestig en dodelijk. Volgens O. Noordenbos was Douwes Dekker meer gevoelsmatig dan rationeel tot atheïst geworden. Met enkele vrijdenkers maakte Douwes Dekker persoonlijk kennis, zoals met dr. J. van Vloten en zijn gezin en met F. Feringa (Muricatus), die Democratie en Wetenschap publiceerde. Als personen vielen zij hem ten slotte tegen. Hij vond hen grof. Douwes Dekker werd erelid van De Dageraad, kreeg geschenken en zijn buste sierde vergaderingen van de vereniging op. Voor de leden hield hij in 1864 een reeks lezingen, gratis omdat zij niet rijk waren. In deze kring had hij de houtzaagmolenaarsknecht Klaas Ris leren kennen, even oud, doopsgezind en afkomstig uit Westzaan. In Idee 306 uit 1862 had hij al gedoeld op het conflict dat Ris had met de stad Amsterdam over een bluspremie. In Idee 451 verwerkte Douwes Dekker het gezinsbudget van Ris als illustratie van de nood onder de arbeiders. Hij deed dit in een vergelijkende beschouwing van de door P.G.F. le Play verzamelde buitenlandse budgetten. Aanknopend bij een brief uit januari 1864 aan Jacques Hotz, directeur van de ijzerfabriek De Prins van Oranje in Den Haag, constateerde hij dat de toestand van de Nederlandse arbeiders in zedelijk, verstandelijk en stoffelijk opzicht slecht was. In Idee 452 ontwikkelde hij het denkbeeld van een 'vlees-partij' voor waarheid en recht. Zelf zou hij optreden als spreekbuis voor het volk. De slechte toestand van het volk schreef hij toe aan de staatsinstellingen en in het bijzonder aan het liberalisme van J.R. Thorbecke en zijn kieswet. Waarschijnlijk doelend op onethisch handelen en omkoperij sprak hij over 'verrotting' in de staat. Na de kritiek op Thorbecke volgde die op de orthodoxe dominee Carl Schwartz en op moderne dominees als W. Muurling en J.C. Zaalberg. Douwes Dekker vergeleek hun preken met pasteigebakjes met slaapstroop of opium. Vooral de goddienerij leidde volgens hem tot berusting in de ellendige situatie van het volk. In Idee 482 noemde hij de vrijdenkers, internationaal en nationaal, de wegbereiders voor een betere tijd. De vriendschap met d'Ablaing van Giessenburg liep in 1866 ten einde, toen deze hem vroeg om een bijdrage aan zijn blad Omnibus, terwijl d'Ablaing weigerde Dekker te steunen in de uitgave van een eigen blad. Dat d'Ablaings vriendschap voor de familie Douwes Dekker bekoelde, hield ook verband met het feit dat deze lange tijd op diens kosten bij d'Ablaing op zolder woonde en dat zijn vrouw en een van de kinderen (het andere kind verbleef elders) er bleven wonen terwijl hij zelf in Duitsland was. Na een klap aan enkele bezoekers in een varietétheatertje in de Nes gegeven en de daarop gevolgde rechtszaak met als resultaat een boete en veertien dagen gevangenis, zag Dekker zich genoodzaakt buiten Nederland te verblijven (1866-1868). In een brief aan Ris van 13 februari 1867, waarvan onzeker is of Ris deze heeft ontvangen, reageerde Douwes Dekker op enkele brochures van Ris in verband met diens opvattingen over arbeidersverenigingen, de toenmalige benaming voor arbeiders-coöperaties. Hierin kwam de 'vlees-partij' niet meer voor. De werklieden moesten nu om hoger loon te krijgen, zichzelf ontwikkelen en zich meer kundigheden eigen maken. In dezelfde geest als eerder Dekkers raad voor Thugatèr zou Ris bij voorbeeld goed moeten leren spellen. Van coöperaties voor de gezamenlijke inkoop van waren verwachtte Douwes Dekker weinig of geen heil. De werkgevers moesten concurrerend werken en waren daardoor niet vrij in het geven van loonsverhoging. Bovendien zou verhoging van loon maar tijdelijk helpen door de depreciatie van het geld. Douwes Dekker lijkt hier de 'ijzeren loonwet' van F. Lassalle aan te hangen. Ondanks deze afstandelijkheid ten opzichte van het arbeidersbelang koos hij wel partij wanneer hij meende dat er grof onrecht plaats had. Dit was het geval bij de onderwijzer Jacob de Vletter, die zich het lot van de armen aantrok en na een oproer in Rotterdam in 1868 tien jaar gevangenstraf had gekregen. Hoewel Dekkers sympathie in de binnenlandse politiek eerder lag bij conservatieven als J.J. Rochussen dan bij de liberalen, was hij toch wel zo bekend en gewaardeerd bij de arbeidersklasse dat, toen hij in Mainz honger leed, de bladen De Werkman (Amsterdam) namens het Internationaal Werklieden Verbond (de Eerste Internationale) en De Werker (Antwerpen) voor hem een inzamelingsactie begonnen. In Amsterdam ging dit uit van mensen als W. Ansing, H.G. Kalshoven, J.W. Wertwijn en J.E. Keller. De giften uit België overtroffen het Nederlandse bedrag in geld. Ook De Dageraad probeerde te helpen. Sinds 1865 was H.H. Huisman voorzitter, een gewezen catechiseermeester die ook onder het pseudoniem Sentot publiceerde. Hij was voor Douwes Dekker een band met Nederland en hield hem op de hoogte van uitgekomen boeken en recensies.

In verband met een heruitgave van zijn Ideën stelde Douwes Dekker bij de correctie van Idee nummer 451 in 1871 vast dat de inhoud ervan eigenlijk achterhaald was. Hoewel de toestand van de werklieden nog even ellendig was als destijds, drongen deze nu op verbetering aan. Hij hoopte nog eens 'loisir' te hebben om de sociale kwestie apart te behandelen, maar vreesde dat, anders dan in 1864, de tijd voor een 'onbloedige oplossing' voorbij was. In een brief aan zijn vriend S.E.W. Roorda van Eysinga van 28 januari 1872 over Idee 451 betreurde hij zelfs de arbeiderskwestie te hebben aangeroerd, 'daar ik nu inzie haar niet magtig te zijn. Ik weet niet'. Misschien las hij in deze tijd Das Kapital van Karl Marx, waarin hij echter naar eigen zeggen bleef steken. In 1873 probeerde de vrijdenker en Eerste Internationaleman E.Ph.H. van der Ven, bekend onder zijn pseudoniem Jac. Rademacher, Douwes Dekker opnieuw bij de beweging te betrekken. In 1872 was het blad De Toekomst, Orgaan der democratie in Nederland ten onder gegaan. Als opvolger stichtte Van der Ven in augustus van dat jaar Het Vrije Volk, dat hij tot het enige arbeidersorgaan wilde maken met als ondertitel 'orgaan der democratie in Noord- en Zuid-Nederland'. Om dit en andere problemen te bespreken organiseerde Van der Ven, naar een idee van Cycloop (= Ansing), het Derde Nederlandsche Werklieden-Congres te Amsterdam op 1 en 2 juni 1873. Naar Douwes Dekker stuurde hij het nummer met de oproep voor het congres en nodigde hem ook persoonlijk uit dit bij te wonen. Het negatieve antwoord in een brief van 29 mei 1873 was niet mals. Douwes Dekker verweet de democraten dat zij hem in de kou hadden laten staan en niet tegen de 'behouders' gesteund hadden. Uit de brief sprak teleurstelling over het gebrek aan weerklank en het doodzwijgen van de 'verrotting' in de Nederlandse staat. Bovendien had hij een afkeer van vergaderingen, debatten en 'parlementarij'. Het volk was door frazen bedorven en zou door frazen niet genezen worden. 'Ik kan nog beter met 'n redevoerende minister overweg, dan met 'n werkman die aan 't raisonneeren slaat, zegge: déraisonneeren gewoonlijk.' Ook de opvattingen over vrijheid onder democraten en republikeinen deelde hij niet. Ervan uitgaande dat het stichten van een republiek een programmapunt van de democraten was, maande hij tot discipline en tucht en raadde de minderbegaafden en arbeiders aan, tijdelijk afstand te doen van alle vrijheid en onvoorwaardelijk te buigen voor dictatuur. Anderen moesten de macht uitoefenen. Mocht men hem in die strijd nodig hebben, dan kon hij geen andere betrekking dan die van dictator aannemen. Na de uitvoering zou hij zich weer terugtrekken, want 'eerzucht in gewonen zin, heb ik niet. Daartoe ben ik te misselijk van de wereld, van de zoogenaamde democratische niet minder dan van de eerste'. Voor deze vergaande opvattingen verwees hij naar zijn Millioenen-Studiën (1873), Vorstenschool en zijn brochure Een en ander over Pruisen en Nederland (Amsterdam 1867). De laatste had hij geschreven na de overwinningen van Pruisen als reactie op een brochure van professor J. Bosscha. Deze probeerde de Nederlanders die angst voor verovering door Pruisen hadden gekregen, gerust te stellen. Dekker toonde aan dat dit niet anders dan frazen waren. Hij verwachtte binnen afzienbare tijd de verovering van Nederland door Pruisen. Niet alleen deugde de defensie niet, ook de geestkracht ontbrak, zeker bij het volk dat er slecht aan toe was. Douwes Dekker wees dus de oppositie uit vroeger jaren, de 'volksmannen' of 'democraten' af, zoals in 1873 onder anderen jonkheer Mozes Salvador. Verrassender misschien nog was dat Dekker ook doelde op de laatste bladzijden van de Max Havelaar met de oproep tot het bevrijden van het schone Insulinde, een plan dat hij nog vóór het einde van de eeuw wilde uitvoeren. Dat zou inhouden dat hij terug wilde naar Indië, waar de al door hem voorspelde Atjehoorlog zich zou uitbreiden. Al hield Douwes Dekker afstand tot de arbeidersbeweging, enkele naaste vrienden of bewonderaars kwamen in aanraking met het socialisme of werden lid van de Sociaal-Democratische Bond, zoals H.C. Muller, D.R. Mansholt en F. Domela Nieuwenhuis. Tot de vele socialisten die Dekker zou beïnvloeden, horen onder anderen V. Bruinsma, J.A. Nieuwenhuis, J.H.A. Schaper, Tj. Luitjes, B. Bymholt, P.J. Troelstra, K. ter Laan, J.P. Hommes en A.H. Gerhard. Ondanks zijn sympathie voor hun streven naar verbetering was Douwes Dekker geen socialist. Domela Nieuwenhuis, die hem in november 1884 en zomer 1886 in Nieder-Ingelheim bezocht, noemde hij 'braaf' en 'een zeer beminnelijk mensch'. Maar hij vreesde dat Domela bekneld zou raken tussen bezitters en geestverwanten die allerlei wensen hadden: 'en wie zal dat betalen?' De middelen tot herstel die Domela voorsloeg, zo schreef hij aan C. Vosmaer, waren 'gekkenwerk'. Zelf stond hij inkrimping van de bemoeiingen van staat en regering voor. Blijkbaar was hij toch bang voor inlijving door de socialisten na zijn dood of kreeg hij teveel vragen over zijn standpunt. In elk geval liet hij, na eerder in dezelfde geest aan de Groninger werklieden geschreven te hebben, een advertentie plaatsen in het Rotterdamsch Nieuwsblad en blijkens het facsimile bij Joan Nieuwenhuis ook in het Groninger Weekblad (20.11.1886, 2), geschreven te Nieder-Ingelheim en gedateerd 12 november 1886. Hierin verklaarde hij 'dat de meeningen der Sociaal-demokraten over de middelen ter verbetering van den treurigen toestand waarin 'n zeer groot gedeelte der bevolking van Europa verkeert, my voorkomen in hoofdzaak onjuist te zijn. Multatuli'.

Om in het levensonderhoud van zijn gezin en zichzelf te voorzien schreef Douwes Dekker feuilletons en columns voor verschillende bladen. Hiertoe horen zijn 'Japansche gesprekken' voor het Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad in 1862, de rubriek 'Van den Rijn' in de Opregte Haarlemsche Courant (1866 1869) verkregen dank zij voorspraak van C. Busken Huet, waarin Dekker zijn eigen commentaar gaf met behulp van aanhalingen uit de (niet bestaande) 'Mainzer Beobachter' of 'een Mainzer blad' 'Causeriën' in De Locomotief uit Semarang (1869), 'Millioenen-Studiën' in het liberale dagblad Het Noorden (1870) - die hij moest afbreken omdat de lezers die volgens de redactie niet begrepen en ten slotte 'Divagatiën' in het blad Nederland (1870) over een zeker soort van liberalisme. Nadat zijn gevangenisstraf hem was kwijtgescholden, ging hij in 1868 op tournee in het land om met spreekbeurten wat te verdienen. Zijn persoonlijk leven verliep vrij chaotisch. Na 1866 woonde hij grotendeels gescheiden van vrouw en kinderen in de Rijnstreek, meestal samen met Mimi Hamminck Schepel. Zij leden honger en armoede, nadat hij haar erfenis had verspeeld. Een mariage á trois in Den Haag mislukte (1869-1870). Voor en na 1866 probeerde Douwes Dekker vrouw en kinderen te steunen in Brussel, Den Haag en na 1870 in Italië. Na 1870 ging Douwes Dekker met Hamminck Schepel in Wiesbaden wonen. Literair Nederland was in deze tijd eerder bereid zijn vrouw en kinderen in Italië te steunen dan hemzelf. Zijn werk was tamelijk uitzonderlijk en zijn uitgevers, eerst d'Ablaing van Giessenburg, later Chr. van Helden, die in 1871 failliet ging, en J. Waltman jr. in Delft waren niet kapitaalkrachtig genoeg om hem enigszins geregeld voor geleverde kopy te betalen. Er kwam langzamerhand echter verbetering in zijn persoonlijke omstandigheden. De uitgever, boekverkoper en oprichter van het Nieuws van den Dag (1870 -1923) G.L. Funke kocht in 1869 van d'Ablaing ondershands het copyright van de werken van Multatuli, met uitzondering van de Max Havelaar. Om zijn onkosten er uit te krijgen bracht hij al in 1870 een herdruk van de Ideën I en II. Daarna stelde hij zich met Douwes Dekker in verbinding, bracht nieuwe, van aantekeningen voorziene bundels Ideën op de markt en trof voor Dekker gunstige regelingen door hem te laten meewerken aan het correctiewerk van nieuwe uitgaven. Douwes Dekker noemde de Ideën 'de Times van mijn ziel' en publiceerde daarin, eigenlijk tegen de zin van Funke, ook werken als Vrije Studie (in III) en Vorstenschool (in IV). Bijzonder geliefd bij de lezers raakte het verhaal van Woutertje Pieterse, dat door alle delen heen is gevlochten. De analyse van Amsterdamse geledingen in Idee 381 geeft een knappe plaatsbepaling van de familie Pieterse in het sociale leven van die tijd. Ondanks gebruik van eigen ervaringen is dit zeker geen autobiografie. Zijn moeder leek allerminst op Juffrouw Pieterse. De laatste tien jaar van zijn leven hield Douwes Dekker zich vooral bezig met noten en verbeteringen in herdrukken van al gepubliceerd eigen werk. De kritiek van J. van Vloten in 1875 in Onze Tolk en als boek, die Douwes Dekker onder meer 'onwaarheid', 'zelfverheerlijking', 'zelfvertroeteling', onzuiver Nederlands en te veel vreemde woorden verweet, lijkt een minder grote rol te spelen in het gebrek aan inspiratie dan wel gedacht is. Eerder zal teleurstelling over de geringe invloed van zijn werk hem verhinderd hebben te schrijven, overtuigd als hij was van het zinloze hiervan omdat het de stem van een roepende in de woestijn was. In zijn laatste jaren belemmerde bovendien een vermoeidheid hem bij het schrijven. Om zijn inkomsten aan te vullen maakte hij na de opvoering van Vorstenschool in 1875 en in de jaren 1877 1881 grote reizen door Nederland, waar hij soms elke avond optrad om te spreken. Hij sprak gemakkelijk, soms welsprekend een hele avond lang. Voor de organisatie zorgden de leden van de toneeldirectie van Legras, Haspels en W. van Zuylen. Om hem te steunen organiseerden vrienden of bewonderaars inzamelingsacties, zoals in 1866, 1868-1872, 1878-1882 (Tandem, door Dekker zelf opgezet) en in 1882 het Huldeblijk, bedoeld om hem een jaarlijks pensioen te bezorgen. Eigenlijk viel de opbrengst hem altijd tegen. Soms ook wilden de gevers / commissieleden hem aan banden leggen omdat zijn faam in de eigentijdse roddel niet best was. In 1881 stelde bewonderaar J. Zürcher hem in staat in Nieder-Ingelheim een eigen huis te kopen.

Douwes Dekker was een slanke, beweeglijke man, niet groot (ongeveer een meter vijfenzestig) die zorgvuldig gekleed ging. Hij had asblond haar en een getekend gezicht met zeer lichte blauwe ogen. Hij was nogal wisselend van stemming en overgevoelig op het neurotische af. Zijn liefhebberijen waren vliegeren, timmeren, correspondentie-schaken en wiskundige vraagstukken oplossen. Hij schreef in een betoverende stijl met humor en sarcasme, met onverwachte sprongen en uitweidingen, al naar gelang van zijn gedachtenassociaties. Charmant en geestig was hij ook in de omgang met vertrouwden. Velen hielden hem voor excentriek en een beetje gek, waarschijnlijk door zijn spontane goedgeefsheid aan mensen die in moeilijkheden verkeerden. Hij ging sterk op zijn indrukken, gevoelens en intuïtie af. Nervositeit en lichtgeraaktheid maakten hem voor correspondenten die hem voor het eerst ontmoetten, soms moeilijk te begrijpen. Douwes Dekker leed in de latere jaren van zijn leven aan astma en is daaraan overleden. Hij was de eerste Nederlander die zich liet cremeren, in een tijd dat dit in Nederland nog onmogelijk was. Bij de crematie in Gotha waren uit Nederland aanwezig: Zürcher, Willem Paap, de broer van Mimi Hamminck Schepel, F.M. Wibaut met zijn vriend uit Middelburg C.M. Ghijsen en mevrouw G.C. de Haas-Hanau uit Rotterdam. Hamminck Schepel werd begeleid door N. Braunius Oeberius, een oude vriend van haar en haar man. De invloed van Douwes Dekker laat zich niet makkelijk meten. Jonge mensen in opleiding zoals studenten, onderwijzers en leraren, wellicht ook aankomende theologen verloren door hem hun 'geloof'. Velen ondergingen het horen en lezen van zijn werk als bevrijdend. Schrijvers vroegen hem om raad, zoals Frederik van Eeden en Willem Paap, die hij aanraadde goed te studeren. Franc van der Goes, die zijn invloed onderging, noemde hem in aanleg een Nederlandse Lassalle. Hij zou vrijwel alle Multatuli-herdenkingen bijwonen, ondanks het feit dat hij net als Henriette Roland Holst - die in navolging van Van der Goes Multatuli de geestelijke vader van de Nederlandse anarchisten noemde - uiteindelijk een adept van de sociaal-democratie werd, hetgeen naast waardering een scherpe afwijzing van Multatuli's ideeën meebracht. Domela Nieuwenhuis op zijn beurt vond het lezen van Multatuli eigenlijk ongeschikt voor de Nederlandse arbeiders die nog maar nauwelijks waren ontwaakt. De structuur van zijn werk en de vele vreemde woorden maakten dat hij voor arbeiders moeilijk te begrijpen was. Behalve bij onderwijzers was de invloed van Multatuli - meer dan bij de sociaal-democratische arbeiders merkbaar bij de anarchistische en syndicalistische arbeiders. Deze immers waren het die de herdenkingen van Douwes Dekker bijwoonden of organiseerden, of hun vergaderingen besloten met het citeren van passages uit de Vorstenschool. De sociaal-democratische bijeenkomsten werden besloten door het zingen van een toepasselijk lied of het declameren van dichtregels van Roland Holst. Douwes Dekker inspireerde telkens weer nieuwe generaties. Ed. du Perron die vanuit zijn Indische achtergrond in hem geïnteresseerd raakte, schreef enige boeken gebaseerd op archiefonderzoek in het toenmalige Batavia. In diens gevecht met de Kappelmannen en Droogstoppels herkende hij zijn eigen strijd tegen Jan Lubbes. Na de Tweede Wereldoorlog pakten de letterkundige Garmt Stuiveling en de uitgever Geert van Oorschot Du Perrons plan om te komen tot een volledige uitgave van de werken van Douwes Dekker op. Samen brachten zij deze uitgave een heel eind op streek maar beleefden niet meer de voltooiing ervan. De Nederlandse overheid zag hierbij van subsidie af, alleen de Belgische overheid en de stad Amsterdam waren hiertoe bereid. Van Oorschot was ook de drijvende kracht achter het plaatsen van een door H. Bayens gemaakt borstbeeld op de Torensluis in Amsterdam. Op de Noordermarkt staat bovendien sinds 1971 een beeldje van Woutertje Pieterse en Femke, gemaakt door Frits Sieger. De Multatulianen vormen een heterogeen gezelschap, één in bewondering voor deze uitzonderlijke schrijver. Zij zorgden en zorgen voor zijn nalatenschap, sinds 1910 in de Vereeniging 'Het Multatuli-Museum', sinds 1946 in het Multatuli-genootschap. Het Multatuli-Museum is gevestigd in het geboortehuis van Douwes Dekker in Amsterdam (Korsjespoortsteeg 20). Vanaf 1978 verschijnt bij uitgeverij Huis aan de Drie Grachten het tijdschrift Over Multatuli, dat twee keer per jaar verschijnt en in zekere zin de opvolger is van de Geschriften van het Multatuli-genootschap (1953 - 1977).

Archief: 

Relevante stukken van E. Douwes Dekker bevinden zich in origineel of fotokopie in het Multatuli-Museum en de Universiteitsbibliotheek (Amsterdam).

Publicaties: 

M. Douwes Dekker Hamminck Schepel (red.), Multatuli, Brieven. Bijdragen tot de Kennis van zijn Leven (Amsterdam 1891 - 1896, tweede herziene druk 1912); J. Pée (red.), Multatuli, Reisbrieven aan Mimi en andere bescheiden (Amsterdam 1941); J. Pée (red.), Brieven van Multatuli aan Mr Carel Vosmaer, R.J.A. Kallenberg van den Bosch en Dr Vitus Bruinsma. Documenten (Brussel 1942); J. Pée (red.), Keur uit de brieven van Multatuli (Amsterdam 1944); G.L. Funke [jr.] (red.), Briefwisseling tusschen Multatuli en G.L. Funke (Amsterdam 1947); Multatuli, Volledige Werken (25 delen Amsterdam 1950-1995); Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy. Historisch-kritische uitgave, verzorgd door A. Kets-Vree. 2 delen (Meppel 1992); Bibliografie: A.J. de Mare, Multatuli-literatuur. Lijst der geschriften van en over Eduard Douwes Dekker (Leiden 1948, vgl. ook Maatstaf, 1970, 677-773); P.C. van der Plank, Multatuli-literatuur 1948-1977. Lijst der geschriften van en over Eduard Douwes Dekker (Amsterdam 1987).

Literatuur: 

J. van Vloten, Onkruid onder de tarwe. Letterkundige karakterstudies (Haarlem 1875, eerst als serie in Onze Tolk); Fr. van Eeden, 'Eduard Douwes Dekker' in: De Nieuwe Gids, april 1887, herdrukt in: Studies I (Amsterdam 1890, 18972) 7-26; A.J. (= L. van Deyssel), Multatuli en Mr. J. van Lennep, Multatuli en de vrouwen (Bussum 1891, Rotterdam 19222); Ter nagedachtenis aan Multatuli 1887 - 19 Februari - 1892 (Amsterdam 1892, uitgave De Dageraad); F. van der Goes, 'Multatuli over socialisme' in: De Nieuwe Tijd, 1896 - 1897, 345-351, 377-384, 409-416, 1897-1898, 86-93; M. Anderson, Uit Multatuli's leven (Amsterdam 1902, Utrecht 19814); [P.J.A.] M[eersmans], Rudolf Charles d'Ablaing van Giessenburg. ... Alsmede d'Ablaings omgang met Multatuli (Ed. Douwes Dekker) in de jaren 1860 - 1866 (Amsterdam 1904); Multatuli over de sociale kwestie (Hilversum 1910); F. Domela Nieuwenhuis, Multatuli als ketter bij uitnemendheid (Hilversum 1910); F. Domela Nieuwenhuis, Van christen tot anarchist (Amsterdam 1910); F. Domela Nieuwenhuis, 'Voorwoord' in: Multatuli over de sociale kwestie. Ideën, bundel II (Hilversum 1910, bekorte en vereenvoudigde druk van Idee 451); Multatuli-nummer De Vrije Gedachte, nr. 3, 1910-1911, 26-36; H.J. Busé, 'Multatuli's Sneeker Correspondentie 1868 -'69' in: De Vrije Vries, 1916, 88-142; F. van der Goes, 'Multatuli. Eenige opmerkingen bij zijn l00sten gedenkdag' in: De Socialistische Gids, 1920, 213-221; J. de Gruyter, Het leven en de werken van Eduard Douwes Dekker (Multatuli) (Amsterdam 1920); J.A. Nieuwenhuis, Uit den tijd der voortrekkers (Amsterdam 1927) 85-89; O. Noordenbos, Het atheisme in Nederland in de negentiende eeuw (Rotterdam 1931); B. Damme, Uit Multatuli's nalatenschap. De zaak De Vletter (Zandvoort 1933); J.A. Nieuwenhuis, Een halve eeuw onder socialisten (Zeist 1933) 89-92; J. Saks, Eduard Douwes Dekker. Zijn jeugd en Indische jaren (Rotterdam 1937); E. du Perron, De Man van Lebak (Amsterdam 1937); P.J. Meertens, 'Multatuli ondanks zichzelf een wegbereider voor het socialisme in ons land' in: De Vlam, 2.3.1946, 8-9; J.W.L. Meijer, Multatuli en Tine (Amsterdam 1950); P. Geyl, 'Multatuli en Van Lennep' in: Reacties (Utrecht 1952) 116-130; G. Brom, Multatuli (Utrecht 1958); F.W. Driessen, Multatuli: aanklager, strijder, realist. Zijn leven, werk en betekenis (Amsterdam 1960); J.H.W. Veenstra, D'Artagnan tegen Jan Fuselier. E. du Perron als Indisch polemist (Amsterdam 1962); 100 jaar Max Havelaar. Essays over Multatuli (Rotterdam 1962); P.J. Meertens, 'Multatuli in Zeeland' in: Zeeuws Tijdschrift, 1965, 2-13 en in: In het voetspoor van Henriette Roland Holst (Alphen aan den Rijn 1982) 131-159; G. Stuiveling (red.), Multatuli (Hasselt 1970); J.J. Oversteegen (red.), Weerwerk. Multatuli en de kritiek (Amsterdam 1970); 'Multatuli 1820 -1887' in: Maatstaf, maart 1970; D. de Weerdt, De Belgische socialistische arbeidersbeweging op zoek naar een eigen vorm 1872 - 1880 (Antwerpen 1972); P. Spigt, Keurig in de kontramine. Over Multatuli (Amsterdam 1975); J.J. Giele, 'De oppositie der "volksmannen" (1850 - 1869)' in: TvSG, september 1975, 200-205, 209-219; J.J. Giele, 'Multatuli's falen. De sociale en politieke denkbeelden van Eduard Douwes Dekker' in: De Vrije Socialist, december 1975, 11-15, januari 1976, 13-17; W.F. Hermans, De raadselachtige Multatuli (Amsterdam 1976, tweede herziene druk 1987); G. Stuiveling, 'Uit het Multatuli-Museum I' in: Over Multatuli, 2/1978, 76-79 (betreft correspondentie F. Domela Nieuwenhuis met M. Douwes Dekker - Hamminck Schepel); H. Vervoort, M. Indorf, Sicco Roorda van Eysinga. Zijn eigen vijand (Amsterdam 1979); P. van 't Veer, Het leven van Multatuli (Amsterdam 1979); E. Francken, 'Een kromme katechiseermeester. Een serie documenten' in: Over Multatuli, 6/1980, 20-53, 7/1980, 6-36 (betreft verhouding met H.H. Huisman); G. Stuiveling, Levenslang. Opstellen over Multatuli (Amsterdam 1982); J.W.L. Meijer, 'Multatuli en de politiek' in: Over Multatuli, 9/1982, 1-8 en in: Oude vrienden en een veranderende wereld (Amsterdam 1990) 104-113; H.J. Scheffer, De Controleur. Een kritisch blad kritisch bekeken (Den Haag 1982); H. van Rossum, 'Een zaaier en zijn oogst. Multatuli en het socialisme' in: Skript, september 1985, 151-161; A. Jongstra, 125 jaar Multatuli-verering en Multatuli-hulde (Amsterdam 1985); T. Haan, 'Een principieel debat over Multatuli in De Dageraad (1867)' in: M. Campfens, M. Schrevel, Fr. Tichelman (red.), Op een beteren weg (Amsterdam 1985) 39-59; M. de Waal (red.), Mina Krüseman, Alles bevalt mij behalve rust. Brieven (Amsterdam 1985); Multatuli en Groningen. Zijn lezingen in Stad en Lande en zijn invloed op maatschappijhervormers, met ongepubliceerde documenten (Groningen 1987); J.J. Giele, 'Drie bijzondere Nederlanders in Den Haag, 1881 - 1883. Eduard Douwes Dekker, Ferdinand Domela Nieuwenhuis en Vincent van Gogh' in: BNA, nr. 13, mei 1987, 32-36; H. van den Hurk, 'Wegbereider tegen wil en dank - Multatuli en het socialisme' in: Socialisme en Democratie, 1987, 211-219; R. Nieuwenhuys, De mythe van Lebak (Amsterdam 1987); R. Vermoortel, Multatuli in Vlaanderen. Essay (Wommelgem 1987); J.J. Oversteegen, De redelijke Natuur. Multatuli's literatuuropvatting (Utrecht 1987); K. van het Reve, 'Het schrijverschap van Multatuli' in: De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen (Amsterdam 1987) 39-59; J. Goris, Multatuli 1820- 1887. Ik predik ontevredenheid (Brussel 1988); J.J.P. de Jong, 'Het gelijk van Multatuli' in: Hollands Maandblad, 4/1989, 12-20; D. van der Meulen, E. du Perron. Een korte biografie (Den Haag 1990); E. Francken, De veelzijdige muze van E. Douwes Dekker (Amsterdam 1990); R. Grimbergen, 'George Lodewijk Funke, van krullenjongen tot krantenmagnaat' in: Het Oog in 't Zeil, januari 1991, 43-53; H. van Straten, Multatuli van blanke radja tot bedelman (Amsterdam 1995); Ch. Keijsper (red.), K. ter Laan's Multatuli Encyclopedie (Den Haag 1995); F. Ruiter, W. Smulders, Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990 (Amsterdam 1996); H.G.M. Prick, In de zekerheid van eigen heerlijkheid. Het leven van Lodewijk van Deyssel tot 1890 (Amsterdam 1997); N. Maas, Multatuli voor iedereen (maar niemand voor Multatuli) (Nijmegen 2000); S. Thissen, De spinozisten. Wijsgerige beweging in Nederland (1850-1907) (Den Haag 2000); J. Grave, Zulk vertalen is een werk van liefde. Bemiddelaars van Nederlandstalige literatuur in Duitsland 1890-1914 (Nijmegen 2001); R. van Raak, In naam van het volmaakte. Conservatisme in Nederland in de negentiende eeuw (Amsterdam 2001); D. van der Meulen, Multatuli. Leven en werk van Eduard Douwes Dekker (Amsterdam 2002); aan Multatuli is een website gewijd: www.multatuli-museum.nl, zie: Multatuli (pseud.).

Portret: 

E. Douwes Dekker, IISG

Auteur: 
Johanna M. Welcker
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 45-58
Laatst gewijzigd: 

23-09-2002