ENGELS, Arnoldus Hendrikus Johannes

Arnoldus Hendrikus Johannes Engels

voorman R.K. vakbeweging en eerste katholieke Kamerlid uit arbeiderskring, is geboren te Enschede op 24 juni 1869 en overleden te Leiden op 31 oktober 1940. Hij was de zoon van Herman Engels, fabrieksarbeider, en Wilhelmina Kuipers. Op 5 november 1891 trad hij in het huwelijk met Maria Brinkhuis, later actief in R.K. vrouwenorganisaties, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg.

Op zijn twaalfde jaar verliet Engels de kosteloze R.K. Jongensschool in Enschede om als leerling-wever de fabriek in te gaan. Hij ondervond de erbarmelijke levens- en werkomstandigheden van het Twents proletariaat aan den lijve en was getuige van de vroege, succesvolle agitatie van socialisten als F. Domela Nieuwenhuis in Twente. Later schreef hij: 'Nog zie ik Domela de zwarte manen schudden, nog voel ik de geestdrift die hij wekte met zijn bezielend woord, waarin hij toch zo echt waar en zo begrijpelijk voor ons, onze ellende schandelijk noemde. Vele Katholieke werklieden zijn een tijdlang meegesleept, tot het Socialisme zich in zijn ware gedaante vertoonde, dat is: vóór alles anti-clericaal.' Engels was vanaf het begin betrokken bij de pogingen van zijn leermeester dr. Alphons Ariëns een (inter)confessionele arbeidersbeweging van de grond te tillen tegenover de steeds groeiende aantrekkingskracht van de socialistische arbeidersorganisaties op de Twentse arbeidersbevolking. Hij behoorde tot de Kern van katholieke arbeiders, waarop Ariëns zijn katholieke arbeidersbeweging bouwde. In 1893 werd Engels als veelbelovend katholiek organisatieman uitverkoren bij de paus op audiëntie te gaan. Na zijn terugkeer uit Rome getuigde hij met zijn medepelgrim J. Winkels overal in Twente van zijn overweldigende ervaringen en spoorde hij zijn gehoor aan zich aan te sluiten bij de katholieke arbeidersorganisaties. Bij het twaalfeneenhalfjarig priesterfeest van Ariëns in 1895 bestond zijn geschenk uit de plechtige belofte zich voortaan te onthouden van alcohol. Deze daad vormde het startpunt van de katholieke drankweer. Binnen de Kern keerde Engels zich in 1896 conform de opvatting van Ariëns tegen het pleidooi van zijn zwager, de latere dissident Jan Brinkhuis, voor oprichting van een R.K. arbeiderskiesvereniging tegenover de bestaande, conservatieve R.K. Kiesvereeniging 'Eendracht Maakt Macht'. Hij erkende weliswaar dat arbeiders en burgers verschillende belangen hadden, maar deze waren voor hem ondergeschikt aan het belang van de katholieke eenheid op politiek terrein. Van 1897 tot 1900 was Engels secretaris van de R.K. Arbeidersvereeniging (RKAV) te Enschede. Tevens was hij secretaris van de Arbeidsraad voor de Katoenindustrie, een vroege proeve van klassen-samenwerking in het leven geroepen door de Fabrikantenvereeniging, Patrimonium, de R.K. Arbeidersvereeniging en de Verzoeningsbond en in 1898 omgezet in een Kamer van Arbeid. Van 1900 tot 1905 was hij voorzitter van de Enschedese standsorganisatie. Weliswaar beschouwde Ariëns zichzelf 'in hoofdzaken leidend', Engels vervulde het voorzitterschap van de RKAV: 'Hij doet alles stipt "wat des voorzitters is", opent en sluit, geeft mij het woord als ik het vraag en doet honderd zaken van eenvoudige aard'.

Als voorzitter van de overkoepelende aartsdiocesane werkliedenbond in Utrecht (1900-1905) en secretaris van de Twentsche R.K. Katoenbewerkersbond 'St. Severus' raakte Engels betrokken bij de strijd om de organisatievorm van de katholieke vakbeweging: diocesaan of nationaal, katholiek of christelijk. Aanvankelijk was hij in navolging van Ariëns een overtuigd voorstander van de wenselijkheid en noodzakelijkheid van interconfessionele vakbondsfrontvorming tegenover de socialistische concurrentie en de liberale textielfabrikanten. Hij was mede-oprichter en eerste secretaris van het federatieve, interconfessionele Unitas. In 1903 sprak Engels in een brief aan de aartsbisschop, die hem ingefluisterd was door Ariëns, zijn teleurstelling uit over diens besluit de organisatorische samenwerking tussen katholieke en protestantse arbeiders te beperken door te bepalen, dat elk besluit de goedkeuring behoefde van de geestelijk adviseur of de aartsbisschop zelf: 'U vraagt mij loyale medewerking om Uw voorwaarden door de arbeiders te doen aannemen, maar: hoe? Als ze op de vergadering mij vragen, of ik niet weet, dat Unitas op deze wijze onmogelijk wordt gemaakt en het socialisme en de Katholieke Democraten voorgoed baas worden in Twente, dan kan ik als eerlijk man daarop niet ontkennend antwoorden. Maar, als U erop staat, zal ik geen ogenblik aarzelen en morgen zonder verdere tegenspraak het bijltje erbij neerleggen'. Als vice-voorzitter van en spreker op het nationale R.K. Vakcongres te Utrecht maakte Engels in datzelfde jaar van de spoorwegstakingen al een eerste stap in de richting van het kamp van de zogenoemde Leidse School, de voorstanders van een katholieke vakbeweging en tegenstanders van Unitas. Een jaar later werd Engels tweede voorzitter van de door P.J.M. Aalberse in het leven geroepen Katholieke Sociale Actie (KSA). Weer een jaar later werd hij naar Leiden gehaald als ambtenaar van het Centraal Bureau van de KSA en exploitant van de Leliebioscoop. In de eerste hoedanigheid was hij onder meer oprichter en secretaris van de Haarlemsche Diocesane Boeren- en Tuindersbond (1916). Op de katholieke sociale week te Utrecht in 1906 betuigde Engels zijn dank aan zijn nieuwe beschermheer: 'Mr. Aalberse heeft me in korte tijd gemaakt van een eenvoudig fabrieksarbeider tot wat ik nu ben'. Bij de voorstanders van het interconfessionalisme had Engels het inmiddels definitief verbruid. Bij het oplaaien van de Unitaskwestie in 1912 schreef de latere geestelijk adviseur van de aartsdiocesane werkliedenbond en van het R.K. Vakbureau J.G. van Schaik aan zijn geestverwant Ariëns: 'Dat "heer" Engels zal toch onschadelijk moeten gemaakt worden; hij heeft onder de Twentse (en Utrechtse) clerus nogal invloed'. In een andere brief suggereerde Van Schaik dat Engels wellicht 'indertijd ook wel meegewerkt (had) de Unitas-werklieden in een zwarter omlijsting te zetten bij Mgr. dan ze verdienden'. Volgens de geschiedschrijver van de aartsdiocesane werkliedenbond Jos. Veltman was Engels de kwade genius geweest achter de beschuldigingen van propaganda voor het door de bisschoppen verboden interconfessionalisme aan het adres van Ariëns in het jaarverslag over 1912 van het R.K. Vakbureau.

Engels' steeds grote populariteit onder de katholieke Twentse fabrieksbevolking bracht hem na enkele vergeefse pogingen - zo verloor hij in 1905 de verkiezingsstrijd van de socialist H.H. van Kol - in 1916 in de Tweede Kamer als opvolger van Aalberse. Hij was het eerste katholieke Kamerlid uit arbeiderskring. In 1918 zat Engels in de commissie van de katholieke Kamerfractie, die het katholieke volksdeel moest mobiliseren tegen P.J. Troelstra's revolutiedreiging. In 1923 stemde hij, met de meeste van zijn collega-Kamerleden afkomstig uit de katholieke arbeidersbeweging, tegen de vlootwet als gevolg waarvan het tweede coalitiekabinet-Ruijs de Beerenbrouck ten val kwam. Engels wilde daarmee de socialisten een dankbaar agitatiepunt in tijden van crisis en bezuinigingen uit handen slaan en naar zijn zeggen het 'dreigend rooms-rood samengaan' afwenden. Het belang van de katholieke politieke eenheid en het voortbestaan van de christelijke coalitie gingen Engels ver boven de mogelijke vruchten van regeringssamenwerking tussen katholieken en socialisten, al zei hij in 1931 in Almelo: 'Laat ons hopen, dat eenmaal de grote scheidsmuren tussen de beide wereldmachten - Katholicisme en Socialisme - wegvallen en dat wij eensgezind werken aan de opbouw der nieuwe maatschappij'. Engels speelde geen vooraanstaande rol in de katholieke Kamerfractie. Hij ontpopte zich als een trouw vazal van Aalberse, die in 1931 W.H. Nolens opvolgde als fractievoorzitter. Met Aalberse schoof hij in de loop van de jaren steeds verder op naar rechts. In 1935 behoorde hij tot de minderheid van de fractie, die niet wenste te breken met H. Colijn teneinde een andere sociaal-economische politiek mogelijk te maken. Volgens Aalberse hield Engels zich in zijn Kamerwerk keurig bij zijn leest: arbeidswetgeving en huisvesting. In 1937 nam Engels afscheid van de Tweede Kamer. Hij werd geridderd in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Bij zijn dood, twee jaar later, werd de 'ridder van de strijdende kerk' en 'noeste werker' in de Volkskrant geloofd vanwege zijn 'diepe godsdienstige zin', zijn 'eerlijk en oprecht karakter'.

Publicaties: 

Geschiedenis van den R.K. Twentsche Fabrieksarbeiders Bond vanaf zijn oprichting 1 maart 1891 tot en met september 1896 (manuscript in A. Ariënsarchief in Katholiek Documentatiecentrum, Nijmegen); Fabrieksmenschen (Leiden 1907); 'De geschiedenis der Roomsch-Katholieke arbeidersbeweging in Overijssel' in: G.A.J. van Engelen van der Veen (red.), Overijssel (Deventer 1931) 441-451.

Literatuur: 

J. Veltman, Gedenkboek. Ontstaan en dertigjarige werkzaamheid van den Diocesanen Bond van R.K. Werkliedenvereenigingen in het Aartsbisdom Utrecht, 1893-1923 (Utrecht 1923); C.J. Kuiper, Uit het rijk van de arbeid. 3 delen (Utrecht 1926-1951); Leidsch Dagblad, 4.11.1940; de Volkskrant, 5.11.1940; Herinneringen aan personen en gebeurtenissen uit het katholieke leven. Memoreeks Katholiek Documentatiecentrum, cahier nr. 7 (Nijmegen 1978); G. Brom, Alphons Ariëns (Amsterdam 1981); A. Ariëns, Bronnen van de katholieke arbeidersbeweging in Nederland. Toespraken, brieven en artikelen van Alphons Ariëns. Bezorgd door J. Roes (Nijmegen 1982); J. van Meeuwen, Lijden aan eenheid. Katholieke arbeiders op zoek naar hun politiek recht (1897-1929) (Hilversum 1998); D. Nas, Het Twentse model (Amsterdam 1998).

Portret: 

A.H.J. Engels, Katholiek Documentatiecentrum (Nijmegen)

Auteur: 
Jos van Meeuwen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p.41-44
Laatst gewijzigd: 

05-08-2002