GOULOOZE, Daniël

Daniël (Daan) Goulooze

(roepnaam: Daan), bestuurder van de Communistische Partij in Nederland en verbindingsman van de Komintern, is geboren te Amsterdam op 28 april 1901 en aldaar overleden op 10 september 1965. Hij was de zoon van Daniël Goulooze, metaalbewerker, en Boukje Visser, dienstbode. In maart 1929 ging hij een vrij huwelijk aan met Lydia Wolters. Dit eindigde in oktober 1938 toen hij een vrij huwelijk aanging met Petronella Alida van de Plaats, met wie hij een zoon kreeg. Toen zij ongeneeslijk ziek werd, trad hij op 2 augustus 1948 met haar in het huwelijk teneinde hun zoon te kunnen echten. Na haar dood (op 10 juni 1949) ging hij samenwonen met Petronella Johanna Postma-Wessels.

Goulooze groeide op in een Amsterdams arbeidersgezin. Hij was de oudste van zes kinderen. Zijn voorouders van vaderskant stamden uit Zeeland en zijn voorouders van moederskant uit Friesland. Na de lagere school kwam hij bij een timmerman in de leer en volgde de ambachtsavondschool zolang dit financieel mogelijk was. Op de tekenschool van de Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij vulde hij zijn vakkennis aan en ging daarna in de bouw werken. Zijn vader, die een bewonderaar was van F. Domela Nieuwenhuis en lid van de bij het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) aangesloten Landelijke Federatie van Metaalbewerkers stierf in 1943 op zeventigjarige leeftijd in het concentratiekamp Vught.

Goulooze werd weldra actief in een jeugdgroep van het NAS. Deze werd op inspirerende wijze geleid door de Belg August Rosseau, die er met de leden op uittrok en hen in aanraking bracht met de natuur. In 1916 stapte Goulooze, die meer uitingsmogelijkheden voor zijn dadendrang zocht, over naar de Sociaal-Anarchistische Jeugd Organisatie (SAJO), een weidse naam voor enkele tientallen jongeren die weigerden hun militaire dienst te vervullen, zich zoveel mogelijk buiten de maatschappij plaatsten en droomden van bomaanslagen. Goulooze kwam in 1919 in het bestuur van de SAJO, die streed voor 'een wereld zonder kroegen, kerken, bordelen en gevangenissen'. Hij voerde al snel de administratie van het blad De Opstandeling dat de SAJO uitgaf. Van de ouderen in de geestverwante Federatie van Sociaal Anarchisten liet vooral Jan Postma zich met de SAJO in, die met deze jongeren ging kamperen. De band tussen Postma en de SAJO werd nog hechter toen hij met de secretaris Nel Wessels ging samenwonen. Zowel onder de volwassen als de jonge sociaal-anarchisten woedde een heftige discussie over het karakter van de Russische Revolutie. Goulooze deelde het standpunt van Postma die het individuele anarchisme af wees, een warm voorstander van vakorganisatie bleef en overtuigd was van de noodzaak van de dictatuur van het proletariaat, wat voor hem iets anders was dan de heerschappij van één partij. Goulooze was in deze jaren druk met de administratie van de elkaar opvolgende sociaal-anarchistische periodieken. Hij weigerde zijn militaire dienstplicht te vervullen maar onttrok zich aan arrestatie en gevangenisstraf. Dit dwong hem een half legaal en zwervend bestaan te leiden. Dit hield hij tot begin jaren dertig vol, toen de politie hem in handen kreeg en hij wegens een klein voetgebrek afgekeurd werd. Na eerst weer actief in het jeugdwerk van het NAS te zijn geweest, behoorde hij met geestverwanten tot degenen die zich tenslotte bij de Communistische Partij in Nederland (CPN) aansloten. Weldra kwam hij naar voren in de Communistische Jeugdbond (CJB), die in de interne partijstrijd tot de fel anti-Wijnkoop gezinde oppositie hoorde. In overeenstemming met de richtlijnen uit Moskou vormde de CJB bedrijfsafdelingen en veranderde de naam van het blad De Jonge Communist in De Jonge Arbeider. Goulooze slaagde erin een arbeidersjeugddelegatie te vormen, die eind augustus 1926 naar de Sovjet-Unie vertrok. Een uitvoerige brochure Wat zagen 7 jonge arbeiders in Sowjet-Rusland? getuigde van de indrukken die zij daar opdeden. In dezelfde tijd voerde Goulooze het plan uit voor een CJB-kadercursus van drie weken. H. Roland Holst, G. Mannoury en H. Sneevliet behoorden tot de inleiders. Het CJB-bestuur, waarvan Goulooze ondertussen de ziel was, besteedde veel aandacht aan acties in het leger. De uitgave van een nagemaakt militair zakboekje van Jan Zonderland kreeg tot in de landelijke pers toe aandacht. Goulooze, die de CJB in het bestuur van de CPN vertegenwoordigde, aarzelde stelling te nemen toen rond 1930 de voorstanders van de Komintern-lijn de sociaal-democraten als sociaal-fascisten en het voornaamste obstakel op weg naar de proletarische revolutie doodverfden en behoorde eveneens tot degenen die dachten dat het met de economische wereldcrisis in Nederland voorlopig niet zo'n vaart zou lopen. Ingedeeld bij de 'verzoeners' kreeg hij op een bijeenkomst in februari 1930 bij hem thuis de volle laag van de secretaris van de Communistische Jeugd-Internationale. Hij ontkwam niet aan een scherpe schriftelijke zelfkritiek, wilde hij zich politiek kunnen handhaven. Op het CPN-congres in februari 1930, dat op basis van politieke richtlijnen van de Komintern de eenheid in de partij herstelde, kwam hij terug in de nieuw samengestelde partijleiding met Cees Schalker als algemeen secretaris. Goulooze werd organisatiesecretaris. Bij hem kwamen alle draden samen, waardoor hij de partij van binnen uit goed leerde kennen. Daarnaast belastte de partij hem met het uitgeven van communistische brochures en boeken. Dit gebeurde bij hem thuis onder de naam Agentschap Amstel. Lydia Wolters, met wie hij in 1929 was gaan samenwonen, voerde de administratie. In maart 1934 kwam het tot een taakverdeling met betrekking tot de partijbrochures en de romans en andere boeken. De laatste vielen aan uitgeverij Pegasus toe. Gouboze werd hiervan directeur. Dankzij zijn grote organisatorische kwaliteiten verschenen in een hoog tempo het A.B.C. van het communisme (in afleveringen) en 24 deeltjes van de Marxistische Bibliotheek. Deze bestond uit 'klassieke' teksten van K. Marx, Fr. Engels, Lenin en Stalin, die - voor het eerst in een dergelijke omvang in het Nederlands vertaald - in grote aantallen werden verkocht. Alex de Leeuw had daarbij de intellectuele leiding.

De successen van Goulooze op het terrein van uitgeverij en verkoop kunnen niet los gezien worden van zijn werk als organisatiesecretaris van de CPN en de politieke leiding van Schalker, die de juiste man bleek om een goed collectief te vormen zonder dat hijzelf of een van de anderen domineerde. Uit de aard van zijn partijwerk was Goulooze ook belast met het beveiligen van de CPN tegen infiltratiepogingen van de Centrale Inlichtingendienst en soortgelijke instellingen. Vooral toen de CPN in 1933 voor allen die in overheidsdienst waren, verboden werd en in november van hetzelfde jaar het NVV het lidmaatschap van de CPN onverenigbaar verklaarde met dat van één van de aangesloten bonden, kreeg het partij werk steeds meer illegale kanten. Hiertoe behoorde bovendien de steun die het door Goulooze opgebouwde net van vertrouwensmannen op vele manieren verleende aan de in 1926 buiten de wet geplaatste Indonesische communistische partij. Na het aan de macht komen van Hitler vestigde de illegale Kommunistische Partei Deutschlands (KPD) een van haar 'Abschnittsleitungen' in Amsterdam. Goulooze regelde het heen en weer reizen van illegale communisten tussen Nederland en Duitsland en zorgde voor hun veiligheid. Toen in 1935 Georgi Dimitrof secretaris van de Komintern werd, ging Goulooze op diens verzoek en met toestemming van het CPN-bestuur in hoofdzaak voor hem werken. Wel bleef hij directeur van Pegasus. Hij kreeg tot taak een net van illegale verbindingen op te bouwen dat het mogelijk moest maken om vanuit Moskou onder alle omstandigheden in contact te blijven met de aangesloten organisaties. Goulooze trok permanente en incidentele koeriers aan, die naar de diverse Europese hoofdsteden reisden zolang het nog kon. Hij zorgde voor aanlooppunten, post adressen en gezinnen waar communisten voor korte of lange tijd konden worden ondergebracht en engageerde vakbekwame mensen, die voor de nodige officiële papieren, stempels, verklaringen en dergelijke konden zorgen. Bovendien volbracht hij de niet geringe taak om vanuit Amsterdam een radiografisch contact met Moskou op te bouwen. Ten slotte waren vijf zenders in bedrijf. Dit vergde veel organisatie omdat het coderen van de boodschappen en het doorseinen gescheiden waren. Koeriers onderhielden het contact met de marconisten. In augustus 1939 kreeg Goulooze als plaatsvervanger naast zich de Amsterdamse gemeentearbeider Co Dankaart. Toen de Duitse bezetting een aanvang nam, was ook de leiding van de illegale CPN voor het contact met Moskou aangewezen op het zendcontact van Goulooze. Van meet af aan was Goulooze voorstander van een krachtig verzet tegen de Duitse machthebbers. Hij verweet het driemanschap onder leiding van P. de Groot dat het door een andere uitleg van het Hitler-Stalin-pact teveel een afwachtende houding aannam. In die geest schreef hij een brief. Toen Moskou deze mening na verloop van tijd bleek te delen, verdacht De Groot Goulooze ervan tegen hem te stoken. Het wantrouwen tegen Goulooze groeide na bepaalde arrestaties. Door het ingrijpen van Jan Postma werd een aanslag van CPN-zijde op zijn leven verijdeld. Minder dan ooit hield Goulooze er een privé-leven op na. Maar Nel van de Plaats, met wie hij in 1938 ging samenwonen, kon dit moeilijk aanvaarden. Toch probeerde hij tijd te vinden om zijn in september 1939 geboren zoon mee te nemen op de fiets, met hem te wandelen of wilde spelletjes te doen. In de loop van 1942 kreeg Goulooze opdracht in Berlijn zelf het radiografisch contact tussen de KPD leiding en de Komintern in Moskou op te bouwen. Zijn beste marconist stuurde hij hierheen. De Gestapo rolde echter de illegale organisatie in Duitsland op. Op 22 mei 1943 werd de Nederlandse marconist in Berlijn gearresteerd. Begin juli zag Goulooze zich, toen ook enkele van zijn naaste medewerkers gepakt werden, wellicht aan de late kant, genoodzaakt zijn 'apparaat' stil te leggen. Via de laatste zender die nog in bedrijf was, stelde hij Moskou van het gebeurde op de hoogte. Daarna deed hij alles om de gearresteerde en nog in vrijheid zijnde medewerkers te beschermen. Het lukte om Dankaart, die bij zijn arrestatie gewond was, uit het Haagse gevangenisziekenhuis te bevrijden. Goulooze stelde zich - hoewel er jacht op hem gemaakt werd ter beschikking van de illegale CPN, die ondertussen zware klappen te incasseren gekregen had. Nadat het driemanschap uiteengeslagen en De Groot - de enige die zich aan arrestatie had weten te onttrekken - ook voor de CPN ondergedoken was, had Goulooze namens de Komintern Jan Postma gevraagd een nieuwe landelijke leiding te vormen. Nadat Goulooze zijn verbindingswerk had moeten staken, nam Postma hem in deze nieuwe leiding op. In november 1943 slaagde de Sicherheitsdienst (SD) erin Postma, Goulooze en Schalker in Utrecht te arresteren, enkele dagen nadat zij Ko Beuzemaker gepakt hadden. De andere drie werden al snel terechtgesteld. Maar Goulooze was bij zoveel zaken betrokken dat men doorging met hem te verhoren. Zijn snelle intelligentie, lichamelijk uithoudingsvermogen, koelbloedigheid en zelfvertrouwen kwamen hem daarbij van pas. Geen medewerker is tengevolge van zijn verklaringen gearresteerd en toch wist hij al zijn mensen tot het laatst toe te bereiken. Na dolle dinsdag in september 1944 werd Goulooze overgebracht vanuit kamp Vught naar het kamp Sachsenhausen. Hij behoorde tot degenen die de oorlog overleefden.

De Groot, die in mei 1945 opnieuw de leiding van de CPN in handen kreeg, ruimde daarbij geen plaats meer in voor Goulooze. Op de juli-conferentie in 1945 hadden zij lijnrecht tegenover elkaar gestaan. Op 17 juni 1948 werd hij als lid van de CPN geschorst, hangende een onderzoek. Dit onderzoek heeft nooit plaatsgevonden. De schorsing duurde tot zijn dood. Goulooze ging zijn krachten nu wijden aan De Republiek der Letteren, een nieuwe linkse uitgeverij. Maar hij was de oude niet meer. Zijn gezondheid ging snel achteruit. In 1951 trof hem een hartinfarct en ook zijn rug liet hem in toenemende mate in de steek. Tien jaar illegaliteit en de ongekende lastercampagne van alle kanten over zijn rol in de oorlog - van de kant van de PvdA in de brochure De Ysberg, Communistische spionnage! (Amsterdam z.j.) vraten aan hem. Steun had hij aan Nel Postma-Wessels, met wie hij na de dood van Nel van de Plaats ging samenwonen. Op 10 september 1965 maakte een hartaanval, die hem op straat trof, een einde aan zijn leven. Van heinde en ver kwamen zijn vrienden naar Westerveld om afscheid van hem te nemen. Er was een delegatie van de Indonesische Ambassade. Co Dankaart voerde het woord.

Literatuur: 

G. Harmsen, Daan Goulooze. Uit het leven van een communist (Utrecht 1967); tweede herziene druk onder de titel Rondom Daan Goulooze. Uit het leven van kommunisten (Nijmegen 1980); G. Harmsen, 'Voor de derde maal Daan Goulooze. Nabeschouwing, aanvullingen en correcties' in: BNA, nr. 8, maart 1986, 25-40, A.F. Mellink, 'Voorspel en verloop van de juli-conferentie 1945' in: BNA, nr. 15, december 1987, 28-33; G. Verrips, Dwars, duivels en dromend. De geschiedenis van de CPN 1938-1991 (Amsterdam 1995); : W.F.S. Pelt, Vrede door revolutie. De CPN tijdens het Molotov-Ribbentrop Pact (1939-1941) (Den Haag 1990); D. Engelen, Geschiedenis van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (Den Haag 1995); J.W. Stutje, De man die de weg wees. Leven en werk van Paul de Groot 1899-1986 (Amsterdam 2000); G. Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale (1919-1930) (Amsterdam 2001).

Portret: 

D. Goulooze, uit: G. Harmsen, Daan Goulooze. Uit het leven van een communist (Utrecht 1967)

Auteur: 
Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 56-60
Laatst gewijzigd: 

19-06-2002