HOF, Jan

Jan Hof

anarchistisch levenshervormer en natuurpropagandist, is geboren te Laag-Duurswoude op 22 februari 1870 en overleden te Den Haag op 23 oktober 1953. Hij was de zoon van Jan Jans Hof, boerenarbeider, en Janke Klazes Sikkema. Op 9 maart 1895 trad hij in het huwelijk met Hendrikje Doze, met wie hij drie dochters kreeg.
Hof noemde zich ook J.J. [Jans] Hof.

Hof stamde uit Laag-Duurswoude bij Makkinga, waar zijn vader boerenarbeider was en later een boerderijtje had. Hij groeide met een broer en zuster op onder armoedige omstandigheden. De buren, een welgestelde houthandelaar en zijn vrouw die zelf geen kinderen hadden, kwamen met Hofs ouders overeen hem in huis te nemen. Na korte tijd verhuisde hij met zijn pleegouders naar Oosterwolde. Hij bezocht de rijkskweekschool in Groningen. Na het weekeinde ging hij op maandagmorgen vroeg te voet door de Fochtelose Heide van Oosterwolde naar Assen, waar hij op de trein naar Groningen stapte. De natuurervaring die Hof tijdens zijn voettochten opdeed was zo overweldigend dat ze zijn verdere leven bepaalde. Hof begon als onderwijzer in Oosterwolde maar werd in 1893 aan de openbare lagere school van Giethoorn aangesteld. Wanneer Hof daar politiek actief werd is niet bekend, maar op 14 mei 1900 verspreidde hij in Steenwijk, samen met G. Kalsbeek, een onderwijzer uit die plaats, folders na afloop van een toespraak van F. Domela Nieuwenhuis. Toen Tjerk Luitjes, die als timmerman in de Tolstojaanse landbouwkolonie te Blaricum werkte, eind 1900 in Giethoorn sprak en na afloop bij Hof logeerde, verkochten zij samen vrij-socialistische bladen en Luitjes' brochure De algemeene werkstaking. Hof schreef later een brochure onder dezelfde titel. In ieder geval was hij al in 1900 het humanitaire anarchisme toegedaan, een overtuiging waaraan hij trouw bleef. In tegenstelling tot de Tolstojanen - zijn waardering voor de politieke en sociale filosofie van L. Tolstoj was groot - noemde hij zichzelf atheïst. In 1902 werd Hof samen met J.L.A. de Lange en de Gorinchemse onderwijzer P.M. Wink lid van de redactie van De Toekomst. Wink had dit anarchistische Zeeuwse blad in 1900 van A. van Emmenes overgenomen en probeerde de zuiver negatieve strekking ervan om te buigen. Hof onderhield eveneens nauwe banden met de vrije socialisten rond Domela Nieuwenhuis, wiens foto op zijn bureau stond. Hij bewoog zich in het gebied waar het humanitaire vaag-christelijke idealisme van de Tolstojanen en het atheïstische anarchisme, dat banden had met de arbeidersbeweging, elkaar raakten. Jarenlang was Hof correspondent van de vrij-socialistische groep in Giethoorn. Hij deed ook landelijk van zich spreken en zette zich met anderen in voor de invrijheidstelling van de gebroeders Hogerhuis. Met ds B. Boers, een leeftijdgenoot, trok hij rond en ondersteunde met lantaarnplaatjes diens uiteenzetting over deze justitiële dwaling. De band met Boers bleef, ook nadat deze communist was geworden. Later, toen zij allebei het Noorden verruild hadden voor de Hollandse duinstreek, zochten zij elkaar geregeld op. Met Wybren Hogerhuis, die vanaf 1915 in het vegetarische pension Pomona in Den Haag werkte, ondernamen zij gezamenlijke fietstochten. Als overtuigd antimilitarist ondertekende Hof tijdens de Eerste Wereldoorlog het Dienstweigeringsmanifest. Hij hield er ernstig rekening mee dat dit hem zijn baan kon kosten en zag al naar andere werkzaamheden uit, maar de tolerantie van het gemeentebestuur van Giethoorn maakte dit onnodig. Hof was eveneens betrokken bij het ontstaan van het tweede Volksdagblad, dat op 30 november 1914 begon te verschijnen. Daarvoor had hij al meegewerkt aan De Voorbode, het propagandablad dat verscheen als voorbereiding op het Volksdagblad.

Hof was evenzeer humanitair anarchist als geestdriftig natuurvriend. Het verbindende element was de wens tot 'levenshervorming': het streven de wereld te veranderen ging hand in hand met het streven naar een natuurlijkere leefwijze. Vóór zijn komst naar Giethoorn wees Hof het gebruik van alcohol en tabak al af, daarna werden hij en zijn vrouw ook vegetariërs. Hof zette zich in voor de dierenbescherming en weigerde zijn kinderen te laten inenten tegen pokken, omdat de entstof afkomstig was van een ziekgemaakt kalf. Gevolg was dat de kinderen Hof bij gemis aan een pokkenbriefje de lagere school niet konden bezoeken. Zij kregen thuis les, waarbij Hof het principe van de zelfwerkzaamheid toepaste. De latere schrijver Cor Bruijn, die les gaf aan de Vrije School te Soest, bezocht met leerlingen Giethoorn en logeerde bij de familie Hof. Bij de levenshervorming hoorde ook een gezondheidsleer. Hof herzag en bewerkte het boek Ons lichaam en onze gezondheid (1900) van de Friese socialist en natuurminnaar Vitus Bruinsma. Levenslang verkeerde Hof in de ban van de natuur in de meest ruime zin van het woord. Binnen de arbeidersbeweging was Hof een van de eersten die interesse wekten voor de natuur. Al eer Hof zich in Giethoorn vestigde moet hij bekend geweest zijn met het blad Album der Natuur, dat in 1851 was opgericht door de Utrechtse hoogleraar biologie P. Harting, die een gematigde aanhanger was van de evolutieleer van Ch. Darwin. Later publiceerde Hof zelf een boek over Het Darwinisme (Den Haag z.j.). De kritiek van de Russische sociaal-anarchist P. Kropotkin op de nadruk die bij Darwin 'the struggle for life' kreeg verwerkte Hof in zijn boekje Onderling hulpbetoon in de dierenwereld (Den Haag z.j.). Op 10 oktober 1902 verscheen het eerste nummer van het door Hof geredigeerde Natuurleven. Populair, geïllustreerd weekblad voor natuurwetenschappen, tuinbouw en bloementeelt. B. Bymholt prees het tijdschrift in de Meppeler Courant, Bruinsma, J. van Rees en F. Ortt deden dit in andere periodieken. Hof had niet simpelweg de bedoeling de liefde voor en de kennis van de natuur te vergroten. Hij verbond natuurbeleving met de veldwinnende 'humanitaire' levenshouding, zoals de eerste zin in het eerste nummer van Natuurleven aangaf: 'In verband met een kennelijk streven onzer dagen naar meer natuurlijke levensverhoudingen, zoowel ten opzichte van voeding, kleeding, enz. als ten opzichte van de verhouding der menschen tegenover elkaar, mag zich ook de studie der natuurvoorwerpen en -verschijnselen in een levendige belangstelling verheugen'. Vrede, het 'veertiendaagsch blad tot bespreking van de Praktijk der liefde', besprak het eerste nummer aldus: 'De persoon van den redacteur en zijn beginselen van humanitair anarchisme zijn een waarborg dat dit blad een gezonde liefde tot de natuur en hare schepselen zal verdedigen en niet een egoïstische liefhebberij, die de dieren in kooien gevangen zet of uit verzamelwoede pijnigt of doodt, wat helaas nog de meeste geschriften en bladen over natuurlijke historie onsympathiek en zelfs beslist afkeurenswaardig maakt.' Advertenties riepen dan ook de lezers op zich tegen de vivisectie te keren en de boeken te lezen van de Tolstojaanse uitgeverij Vrede te Blaricum. Veel aandacht kreeg de dierenbescherming. Hof bestreed behalve de vivisectie ook het benutten van trekhonden, het dragen van bont, het houden van zangvogels in kooien en het rapen van eieren. 'Dieren beschermen is mensen beschaven' was zijn credo: 'Het leven der dieren schijnt den mensch gegeven om er zijn voordeel mee te doen. Alleen ten zijnen behoeve is dat alles geschapen, zoo redeneert men dikwijls.' Het christendom had volgens hem de mensen eeuwenlang in deze mening gestijfd. Maar door 'het rusteloos streven der wetenschap' was de mens van de troon gestoten waarop het christendom hem geplaatst had en was 'de scheiding weggevallen tusschen mensch en dier, tusschen mensch en het overige deel der Natuur'. Hofs interesse voor de natuur was alomvattend. Vooral de bouw van het heelal hield hem bezig. Hij hield lezingen over hemellichamen en wijdde enkele boeken aan de astronomie, zoals Van aarde en hemel (Amsterdam 1910) en De geschiedenis der luchtscheepvaart (Den Haag 1911). Op hoge leeftijd kwam hij nog eens op de kosmologie terug in zijn boek De voorstelling van het heelal in den loop der tijden (Den Haag z.j.). Door niet alleen aandacht te besteden aan de vrije natuur maar ook aan tuinieren en kamerplanten trachtte hij de basis van Natuurleven te verbreden. Bovendien adverteerden kwekers, tuinders en leveranciers van tuingereedschap daardoor geregeld in zijn blad. Zelf bewerkte hij Onze tuinarbeid van U. Dammer en Bloemheesters van F. Goeschke (beide Meppel 1904). Al zag Hof veel in de ter linkerzijde alom gepropageerde tuinsteden, in zijn ogen waren ze alleen op lange termijn te verwerkelijken. Direct te realiseren waren volgens hem wel 'arbeiders'- of 'werkmans'-tuinen, die hij bij herhaling aanprees. De volkstuin verschafte niet alleen werkgelegenheid en welvaart maar bracht ook levensgeluk, en om dit laatste ging het hem. Hof, die moeite had met het samenwerken met anderen, voerde een moeizame strijd om zijn blad in stand te houden. Bij de administratie en verzending van het blad schakelde hij het hele gezin in. Het blad schreef hij tientallen jaren - met een onderbreking van vier jaar - vrijwel alleen vol. Het hield pas in 1941 op te bestaan, toen Hof weigerde zich aan de maatregelen van de bezetter te onderwerpen. Hof illustreerde zijn duizenden artikelen en talrijke boeken met eigen foto's, die hij in en rond Giethoorn en tijdens binnen- en buitenlandse reizen maakte. Zijn natuurstudie beperkte zich niet tot de Noordwesthoek van Overijssel. Op de fiets en te voet ondernam hij - zonder gezin, want zijn vrouw kon niet fietsen - verre en zware tochten. Behalve heel Nederland bezocht hij onder meer de Eifel en Thüringen. In 1914 had hij zich voorgenomen een tocht door de Alpen te maken, maar door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kwam het er niet van. Hofs reizen leverden stof voor lezingen met lichtbeelden, die hij in het hele land hield.

Op 1 november 1919 vroeg Hof aan het gemeentebestuur van Giethoorn een jaar studieverlof, dat hij in januari 1920 kreeg. Hij keerde niet meer op zijn school terug. Op 7 mei 1920 verhuisde hij naar Den Haag. Zijn vertrek uit Giethoorn betekende ook het afscheid van het fanfarecorps dat hij in 1897 had opgericht en tot zijn vertrek had gedirigeerd. Dit fanfarecorps zou later nog grote bekendheid krijgen door de film 'Fanfare' van B. Haanstra. Hof speelde behalve viool klarinet en gaf de dorpsjeugd daarin les. Zelf hield hij in de geest van zijn progressieve tijdgenoten het meest van Richard Wagner, over wiens muziekdrama's en zijn verhouding tot de natuur en de dierenwereld hij ook lezingen hield. Hof kon zijn betrekking als onderwijzer opgeven en zich geheel aan het uitdragen van de natuurliefde wijden dank zij financiële steun van rijke humanitaire geestverwanten. Ook in zijn Haagse periode bleef Hof Giethoorn trouw. In Natuurleven publiceerde hij in de jaren 1932-1938 een serie artikelen over natuur en volksleven in en rond Giethoorn. Op tachtigjarige leeftijd schrijf hij nog Giethoorn. Ons Hollands Venetië zoals ik het gekend heb. Een zekere romantisering en idealisering van het volksleven was Hof niet vreemd. Misschien werkte hierin de invloed door van de in de Eerste Wereldoorlog gesneuvelde Duitse dichter en schrijver Hermann Löns, die hij bewonderde en van wie hij twee boeken vertaalde. Deze beeldde op romantische wijze de bevolking en de natuur van de Lüneburger heide uit en werd later door de nationaal-socialisten als grondlegger van de Blut-und-Boden-literatuur gezien. Het werk van Hof oogstte lof zowel in vakkringen als in humanitaire periodieken en dagbladpers. De hoogleraar geografie H. Blink zei over Hof dat hij 'een arbeid geleverd (heeft), die naar kennis verlangende onontwikkelden vele uren van hoog genot' verschafte. Ook de hoogleraar astronomie A. Pannekoek prees hem. De Dageraad schreef: 'Hier gaan opleiding (tot natuurkennis) en opvoeding (tot natuurliefde) hand aan hand en wie zo de natuur liefheeft en voedsel voor zijn liefde vindt in de kleinste en meest gewone voorvallen in het natuurgebeuren, heeft het recht ons aan de hand te leiden door de wonderen van het natuurleven'. Met het overlijden van Hof in 1953 kwam een einde aan zijn onvermoeibaar pogen 'ook anderen die brede grondslag van leven te laten voelen en te laten genieten van hoger, meer bewust leven, teneinde daardoor een bredere schare zowel van mens als dier gelukkiger te maken'.

Publicaties: 

Behalve de genoemde: Algemeene werkstaking (Amsterdam 1903); Bescherming van dieren (Giethoorn z.j.); Uit een kleine wonderwereld (Den Haag z.j.); Van het mos (Den Haag 1925); Het zieleleven der dieren (Den Haag z.j.); De alchemisten en hun leer (Den Haag z.j.); In het algenwoud (Den Haag z.j.); De levermossen (Den Haag z.j.); Schetsen uit het dierenleven (Den Haag z.j.); Van zon en maan (Den Haag z.j.); Het wondere leven der gallen en haar bewoners (Den Haag z.j.); Onze varens (Den Haag z.j.); De sterrenwereld (Den Haag z.j.); Pioniers der natuurwetenschap (Den Haag z.j.); Onze boomen (Den Haag z.j.); Onze vogels (Den Haag z.j.); Beelden uit het insectenleven (Den Haag z.j.); Over natuurbescherming (Den Haag z.j.); Het microscoop (Den Haag z.j.); Het humanitarisme (Den Haag z.j.); Dierenbescherming (Den Haag z.j.); Op de heide (Den Haag z.j.); Schetsen uit het plantenleven (Den Haag z.j.); bijdragen in: De roep der velden, Zwerftochten naar de bronnen van vreugde en schoonheid (Laren 1927); Een heel jaar in de natuur (Zutphen 1938).

Literatuur: 

MW. Heslinga, 'Dienst aan het natuurleven' in: J.J. Hof, Giethoorn. Ons Hollands Venetië zoals ik het gekend heb (Hengelo 19812); G. Harmsen, J. Houkes, 'Natuurbeleving en arbeidersbeweging; leven en werk van Jan Hof (1870-1953)' in: BNA, 1991, nr. 23, 22-33; G. Harmsen, T. Berkenbosch, S. Mintjes, Van turf en tabak tot plasticbuizen. Uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging in Steenwijk en omgeving (De Knipe 1991).

Portret: 

Jan Hof, particuliere collectie

Auteur: 
Ger Harmsen, Jannes Houkes
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 95-99
Laatst gewijzigd: 

00-00-1995