HOGENDORP, Anna van

Anna van Hogendorp

oprichtster van de Nederlandsche Vrouwenbond tot Verhooging van het Zedelijk Bewustzijn en christelijk voorvechtster van vrouwenkiesrecht, is geboren te Den Haag op 7 september 1841 en aldaar overleden op 5 maart 1915. Zij was de dochter van Dirk graaf Van Hogendorp, raadsheer en buitengewoon lid van de Tweede Kamer, en Marianne Cathérine jonkvrouw Van Hogendorp.
Pseudoniemen: Clematis, Johanna.

Van Hogendorp, de jongste dochter, was van vaderszijde een kleindochter van Gijsbert Karel van Hogendorp. Haar ouders hoorden tot het Haags Réveil. Heel haar leven zou zij sterk godsdienstig blijven. Als kind maakte zij kennis met Isaac da Costa, Willem Groen van Prinsterer en zijn vrouw Elisabeth ('Betsy') Groen van Prinsterer-van der Hoop, Nicolaas Beets en ook bekende buitenlanders als Elisabeth Fry, Eugène Casalis en Leopold von Ranke. Haar vader stierf in 1845, toen zij vier was, waarna haar moeder alleen voor de opvoeding van zeven kinderen zorgde. Ook nadien bleef het huis centrum van religieus en christelijk-filantropisch leven. In 1847 richtte haar moeder de armenzorgvereniging Vrienden der Armen op, waarbij Van Hogendorp gedurende haar jeugd steeds meer betrokken raakte. Met haar zuster Marianne Klerck-van Hogendorp nam zij na de dood van hun moeder in 1878 deze vereniging over, evenals de door Betsy Groen gestichte evangelisatievereniging Opstanding en Leven waaraan Van Hogendorp een Toevlucht voor Daklooze Vrouwen en Meisjes toevoegde. In haar jeugd waren armenzorg, zondagschoollessen, bijbellezingen en evangelisatie de geëigende activiteiten voor een meisje van haar stand. Voor haar stond geen beroepscarrière open, in wetenschappelijk noch in maatschappelijk opzicht. Toch bezat zij wel de ambitie. Van haar broer Dirk, student rechten te Leiden, kreeg zij dictaten en aantekeningen. Ook volgde zij colleges en cursussen over fysica, letterkunde en statistiek. Toen haar broer in 1857 stierf, sloot zij zich aan bij een door Betsy Groen gesticht dames-leesgezelschap. Vanaf 1869 begon Van Hogendorp te publiceren. Onder het pseudoniem Johanna schreef zij verschillende stukjes voor zondagsschoolblaadjes en de in deze tijd populaire almanakken, waaronder de Magdalena-almanak. In 1878 werd een aantal artikelen gebundeld in Het Opstandingshuis aan de Linge. In de periode 1878-1880 schreef zij drie historisch-biografische schetsen over Elisabeth van Hongarije, Juliana van Stolberg en Catharina van Wurtemberg voor de 'Galerij van Christelijke Vrouwen'. Deze letterkundige prestaties leverden haar het lidmaatschap op van de Nederlandsche Maatschappij voor Letterkunde (1902) en het Historisch Genootschap (1909).

In 1883 raakte Van Hogendorp betrokken bij de tot dan uitsluitend door mannen uitgevochten prostitutiekwestie. Hierbij was de vraag in het geding of een wettelijk systeem van periodieke geneeskundige controle van prostituées aanvaardbaar was. Teneinde de verspreiding van de in deze tijd nog dodelijke geslachtsziekte syfilis te verhinderen, was deze controle in een groot aantal gemeenten gebruikelijk geworden. De Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie (NVP) bestreed het periodiek medisch onderzoek bij monde van dominee Hendrik Pierson, die dit beschouwde als erkenning en wettiging van de prostitutie: het kwaad dat gezin en samenleving aantastte en daarom verboden moest worden. De vereniging veroordeelde de reglementering bovendien omdat de schuld van de verspreiding van de ziekte alleen bij de vrouw de prostituée werd gelegd en de man, die toch de ziekte in de maatschappij bracht, vrijuit liet. Bij haar bezoek aan Den Haag in 1883 overtuigde Josephine Butler, die in Groot Brittannië de voor vrouwen discriminerende zedelijkheidswetgeving bestreed, Anna en Marianne van Hogendorp van de noodzaak dat vrouwen bij de prostitutiekwestie betrokken raakten om de reglementering afgeschaft te krijgen. Omdat de NVP geen vrouwen in haar gelederen toeliet, richtten de gezusters Van Hogendorp de Nederlandsche Vrouwenbond tot Verhooging van het zedelijk Bewustzijn (NVVZB) op. Om andere christelijke vrouwen op te roepen zich bij de bond aan te sluiten, schreef Van Hogendorp onder haar gebruikelijke pseudoniem Johanna het artikel 'Een Bond, Een woord vooral tot de Nederlandsche vrouw' in Stemmen voor waarheid en vrede, evangelisch tijdschrift voor de protestantse kerken. De bond gaf vlugschriften, brochures en het maand-schrift Het Orgaan uit, waarin Van Hogendorp regelmatig publiceerde en probeerde door petitionnementen invloed uit te oefenen op het overheidsbeleid inzake reglementering, verbod van prostitutie en handel in meisjes en vrouwen. Ook praktisch werd de prostitutie bestreden. In zogenoemde Doorgangshuizen konden prostituées, die zich uit het bedrijf wilden terugtrekken, en ongehuwde moeders -'boetvaardige gevallen vrouwen' - onderdak vinden, voordat zij naar het asyl Steenbeek te Zetten gebracht werden. Belangrijker was echter te verhinderen dat vrouwen in de prostitutie terecht kwamen, vrijwillig of gedwongen. In de Tehuizen konden meisjes, die in een vreemde stad werk zochten, tijdelijk verblijven. Voor hen werden 'gezellige avonden' georganiseerd en bemiddelden verhuurkantoren tussen de werkzoekende meisjes en huizen die een dienstmeisje zochten. De dames van de NVVZB controleerden of de advertenties betrouwbaar waren en deelden op de stations 'Adressen ter Informatie' uit aan alleen reizende vrouwen (het 'stationswerk'). Van Hogendorp werd voorzitster van de afdeling Den Haag en Scheveningen en redactrice van het afdelingsblad Hulp in de Huishouding. Daarin schreef zij onder het pseudoniem Clematis de rubriek 'Het feit van de maand'.

Met haar zuster Marianne en de historica Johanna Naber was Van Hogendorp verantwoordelijk voor een feministische wending in de NVVZB gedurende het laatste decennium van de negentiende eeuw. Het werkterrein breidde zich uit tot zaken als het verbod op onderzoek naar het vaderschap, kinderbescher-ming, vrouwenarbeid en vrouwenkiesrecht. Ook naar opvattingen werd de NVVZB feministischer, waarbij Van Hogendorp de voorvechtster was. Hoewel zij in 1884 nog afkerig was van iedere bemoeienis met de politiek, bepleitte zij in 1887 in een artikel de rechtsgelijkheid van mannen en vrouwen inzake kiesrecht, ouderlijke macht en huwelijkswetgeving. Jegens de op sociaal gebied nogal conservatieve leden van de NVVZB zag zij voor zichzelf een opvoedende taak weggelegd. Zij hield de christelijke vrouwen voor, dat vrouwenkiesrecht niet met het christendom in strijd was en betoogde dat hun wensen en idealen meer kans van slagen zouden hebben als zij over het kiesrecht beschikten. Op de tweede algemene ledenvergadering van de in 1898 gevormde Nationale Vrouwenraad van Nederland, waarvan haar zuster de eerste voorzitster was en waarin Van Hogendorp de NVVZB vertegenwoordigde, sprak zij over 'het belang van de strijd tegen de ontucht bij de verkrijging van kiesbevoegdheid door vrouwen'. Hier sprak zij haar twijfel uit over de effectiviteit van de publieke en propagandistische acties van de NVVZB: 'Hoeveel groter zou onze kracht zijn, indien wij rechtstreekschen invloed konden uitoefenen op de volksvertegenwoordiging, ... indien vrouwen daar zelf zitting konden nemen, en haar wenschen, haar inzichten, haar overtuiging in de weegschaal konden leggen!' Binnen de NVVZB vond begin 1908 een heftige discussie plaats of de bond moest deelnemen aan het Internationaal Congres voor Vrouwenkiesrecht dat in juni in het Amsterdamse Concertgebouw zou plaatsvinden. De uitkomst was dat Van Hogendorp - die Nederland in 1904 bij de Internationale Vrouwenraad vertegenwoordigd had - daar sprak over vrouwenkiesrecht vanuit christelijk oogpunt. Namens de NVVZB had zij zitting in het in 1903 gevormde Nationaal Comité inzake Wettelijke Regeling van Vrouwenarbeid. Zij verzette zich fel tegen ieder wetsontwerp en regeringsbesluit waarin het recht van vrouwen op werk, ook als zij gehuwd waren, werd beknot. In 1907 richtte zij een Consultatiebureau voor Ongehuwde Moeders op naar aanleiding van de aanvaarding door de Tweede Kamer van het wetsvoorstel Loeff, dat onderzoek naar het vaderschap onder bepaalde voorwaarden toestond. In 1911 boekte de NVVZB een overwinning, toen de Wet tot Bestrijding van de Zedeloosheid werd aangenomen, die prostitutie strafbaar stelde en handel in meisjes en vrouwen in het Wetboek van strafrecht opnam. Van Hogendorp bleef tot haar dood in 1915 actief in de NVVZB en de Nationale Vrouwenraad. Samen met J.M. Beelaerts van Blokland-Kneppelhout bracht zij het Gedenkboek. Vijf en twintig jaren arbeids van den Nederlandschen Vrouwenbond tot Verhooging van het zedelijk Bewustzijn uit (Groningen 1909). Naar aanleiding van de tentoonstelling 'De Vrouw 1813-1913' redigeerde zij de verzamelbundel Van Vrouwenleven 1813-1913 (Groningen 1912). Mede door toedoen van Van Hogendorp had de NVVZB zich ontwikkeld van een protestants-christelijke prostitutiebestrijdingsvereniging tot een sociaal breed georiënteerde vrouwenorganisatie, die ook door de andere vrouwenorganisaties als zodanig beschouwd werd. De koerswending van de bond tijdens de wereldoorlog, waardoor de nadruk weer op opvang en verzorging van minderjarige meisjes in en buiten opvanggestichten kwam te liggen, maakte zij niet meer mee.

Literatuur: 

J.W.A. Naber, 'Het levenswerk van Anna van Hogendorp' in: Van onze oudtantes en tantes (Haarlem 1917) 247-301; W.H. Posthumus-van der Goot e.a., Van moeder op dochter (Leiden 1948, Nijmegen 1977); S.H.W.M. Holtzer, 'Een moederlijk hart. ' Hoofdstukken uit de geschiedenis van vrouwelijke liefdadigheid en sociale zorg in Nederland tussen 1830 en 1911, met bijzondere aandacht voor de Nederlandsche Vrouwenbond tot Verhooging van het zedelijk Bewustzijn (doctoraalscriptie Nijmegen 1989); M. Grever, B. Waaldijk, Feministische openbaarheid. De Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 (Amsterdam 1998); A. van Drenth, F. de Haan, The rise of caring power (Amsterdam 1999).

Portret: 

A. van Hogendorp, uit: Joh. Naber, Van onze oudtantes en tantes (Haarlem 1917) 248a

Auteur: 
Bas Holtzer
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 90-93
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003