HOUVEN, Gijsbert van der

Gijsbert van der Houven

(roepnaam: Bertus), bestuurder Algemeene Nederlandsche Metaalbewerkersbond en redacteur De Metaalbewerker, is geboren te Delft op 21 mei 1883 en overleden te Amsterdam op 29 januari 1963. Hij was de zoon van Gijsbert van der Houven, werkman, en Margje Vendeloo. Op 13 oktober 1905 trad hij in het huwelijk met Clasina Everdina Schouwenburg, met wie hij een dochter kreeg.

Van der Houven sloot zich in 1905 - het jaar ook van zijn huwelijk - aan bij de Vereeniging van Koper- en Blikbewerkers te Rotterdam en werd tweede secretaris. In november 1905 fuseerden deze vakbond, de Vereeniging van Vijlenkappers en de Vereeniging van Metaalbewerkers 'Vooruit' tot de afdeling Rotterdam van wat in 1906 de Algemeene Nederlandsche Metaalbewerkersbond (ANMB) ging heten. Van der Houven werd in het afdelingsbestuur tweede penningmeester (tot eind januari 1914). Daarnaast was hij secretaris en later voorzitter van het Metaalbewerkers-Ziekenfonds te Rotterdam. In 1907 begon zijn lange vakbondsjournalistieke loopbaan. Hij werd correspondent van De Metaalbewerker, het orgaan van de ANMB, en van De Bondsbanier, uitgegeven door de Rotterdamsche Bestuurdersbond. Op 1 februari 1914 trad hij in dienst van de afdeling Amsterdam als bode-bestuurder, een bezoldigde functie. In januari 1915 kwam hij in het bondsbestuur als tweede secretaris. In juli 1916 werd hij in het door de bond nieuw ingevoerde districtenstelsel districtsbestuurder te Amsterdam maar per 1 oktober overgeplaatst in dezelfde functie naar Dordrecht. In deze plaats werd Van der Houven ook politiek actief en in september 1918 als gemeenteraadslid voor de SDAP gekozen. Toen de bond begin 1920 naar een bezoldigde tweede voorzitter zocht, belast met de leiding van landelijke acties, koos de bondsraad van januari Van der Houven voor deze functie. Hij verzocht de benoeming in beraad te mogen houden omdat hij bedenkingen had bij de overplaatsing van Dordrecht naar Amsterdam. Mogelijk speelde zijn raadslidmaatschap een rol, mogelijk had hij ook bedenkingen bij de functie zelf. In elk geval bedankte hij voor de post, evenals H.J. van den Bom die als tweede kandidaat was aangewezen. Maar toen in april de functie van secretaris en redacteur van het bondsblad vacant kwam, waren Van der Houvens bedenkingen over overplaatsing van geringer gewicht geworden. Het congres koos hem in mei met overgrote meerderheid tegenover de beide andere kandidaten in deze gecombineerde functie. Zijn verhuizing naar Amsterdam hield in dat hij zijn raadslidmaatschap in Dordrecht moest beëindigen (per 31 augustus). Zijn dubbelfunctie behield hij tot december 1929, toen hij voor de SDAP in de Tweede Kamer werd verkozen. Hij bedankte nu als bezoldigd secretaris, maar bleef aan als tweede voorzitter en als redacteur van De Metaalbewerker. Toen hij na de verkiezingen van mei 1933 niet als Kamerlid terugkeerde, kwam hij als tweede voorzitter-redacteur opnieuw in volledige bondsdienst. Hij nam in juli 1933 de redactie van De Jonge Metaalbewerker op zich en nam ook het jeugdwerk van voorzitter P. Danz over. Als jeugdleider had hij zitting in de Jeugdraad van het NVV die in 1931 was ingesteld om het vakbondswerk onder jongeren te versterken. Na het vertrek van de bondssecretaris in 1938 ruilde Van der Houven het tweede voorzitterschap in voor de functie van bondssecretaris.

Van al zijn bezigheden ging het redacteurschap van het bondsorgaan, dat Van der Houven ruim een kwart eeuw zou vervullen, hem het meest aan het hart. Hij schreef graag en vlot. Zo verhaalde hij in geuren en kleuren hoe hij op weg naar een congres in Brussel, terwijl hij zijn paspoort vergeten had, de douane om de tuin leidde. Van der Houven die de polemiek niet schuwde, kruiste geregeld de degens met A.J.P. Hooze, bezoldigd bestuurder van de syndicalistische Landelijke Federatie van Metaalbewerkers en Aanverwante Vakken. In 1927 bekritiseerde Hooze in De Syndicalist de 'actie' van ANMB en confessionele bonden voor collectieve arbeidsovereenkomsten in de metaalindustrie. Van der Houven reageerde in een artikel met de kop 'Hooze, wereldkampioenbokser' en vergeleek diens Federatie met stalhouderijen: 'Zooals de koetsiers staan naast d'r schonkige rossinanten, zoo staat Bram zich aan de deur van z'n verloopen komenijszaakje te versjacherijnen'. Ironisch vervolgde hij 'Juicht, metaalbewerkers, de groote dag der verlossing is aangebroken. Hooze zal U leiden uit het land van de slavernij naar de vruchtbare landouwen van het syndicalistische Mekka'. Meer respect dwong D.W. Stork af die hij bij diens overlijden in februari 1928 karakteriseerde als 'een man, kapitalist in hart en nieren en een verfoeier van alles wat gedaan werd om den huidigen maatschappijvorm fundamenteel te veranderen. Maar hij was ook een man die voor z'n liberale beginsel stond en er voor streed op een wijze die ook den tegenstander eerbied afdwong'. Aanvankelijk een weekblad, verscheen De Metaalbewerker vanaf 1937 noodgedwongen eens per veertien dagen, maar wel in een gewijzigde formule. Er kwamen meer aparte rubrieken voor techniek, gezin en jeugdwerk en er was meer ruimte voor illustraties. Centraal bleven echter de redactionele, in bondig, strijdbaar en vooral bloemrijk proza geschreven artikelen van Van der Houven. Bij gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de ANMB verscheen in 1936 van zijn hand het gedenkboek Een Halve eeuw, waarin hij het ontstaan en de ontwikkeling van de bond schetste. Hij schreef het in enkele maanden en was met gemengde gevoelens aan deze opdracht begonnen omdat er vooral over de beginperiode onvoldoende of slechts onbetrouwbare bronnen beschikbaar waren. Zijn speurtocht leidde tot een uitgebreider geschrift dan hem aanvankelijk voor ogen stond. Hij dateerde het ontstaan van de bond in januari 1886 en zocht bij de burgerlijke stand gegevens na over pioniers als Willem Ansing en C.F. Thomas. De laatste bleek nog in leven. Van der Houven zocht hem op en interviewde hem en liet hem fotograferen. Bovendien zorgde hij ervoor dat de bond bij Thomas' begrafenis eer kon bewijzen aan het werk dat deze in de beginjaren van de organisatie had verzet. Over Van der Houven zelf zijn in het boek alleen formele gegevens als benoemingen en wijzigingen in functie te vinden.

Toen de Duitse bezetters in juli 1940 H.J. Woudenberg als commissaris aan het hoofd van het NVV aanstelden, reageerde Van der Houven in De Metaalbewerker van 3 augustus met het artikel 'Van man tot man'. Hij keurde de voorgenomen centralisatie af en vergeleek het NVV met een veroordeelde die slechts de keuze wordt gelaten 'tussen strop of bijl'. Over de naaste toekomst maakte hij zich 'weinig illusies' Hij vroeg zich af hoe men van iemand die meer dan 25 jaar de vakbeweging had gediend, kon verlangen een 'salto mortale' te maken met betrekking tot zijn innerlijke overtuiging. In het nummer van 17 augustus vervolgde hij: 'Zolang wij in staat gesteld zullen worden om de Bond te besturen op een wijze die aan zijn sociaal-economische taak beantwoordt, en zolang er niets van ons verlangd wordt, dat strijdig zou zijn met onze opvattingen van eer en geweten, blijven wij waar we behoren, dat is: achter de mast aan het roer en niet aan de wal'. De strekking van deze artikelen ontging Woudenberg niet en hij ontsloeg Van der Houven op 17 augustus - de dag waarop De Metaalbewerker uitkwam - uit diens bestuursfuncties. ANMB-voorzitter Van den Bom die in een brief aan de afdelingsbesturen de dag waarop Van der Houven zijn ontslagbrief ontving als een 'zwarte zaterdag' betitelde, kreeg enkele dagen later ook zijn ontslagbrief van Woudenberg. Na het uitbreken van de Februaristaking in 1941 in Amsterdam volgde op 25 februari de arrestatie van Van der Houven. Hij werd op 28 maart weer vrijgelaten, maar in mei 1942 met anderen onder wie Van den Bom gegijzeld. Hij bleef tot vlak voor kerst 1943 in het gijzelaarskamp Beekvliet in het Noordbrabantse St. Michielsgestel, waar hij voor de daar functionerende Interkerkelijke Kring sprak over 'De oorzaken van de ontkerkelijking bij intellectueelen en arbeiders'. Na de bevrijding maakte Van der Houven deel uit van de door het NVV-bestuur samengestelde Ereraad die tegen een aantal bestuurders ingebrachte beschuldigingen onderzocht. Hij werd hersteld in zijn functie van bondssecretaris en nam het redacteurschap van De Metaalbewerker weer op zich. Zijn pen was nog even scherp als voordien en richtte zich nu tegen de rol van communisten bij stakingen. De volgens hem vooral tegen de NVV gerichte roep om vakbondseenheid vanuit de Eenheids Vakcentrale (EVC) en de berichtgeving in De Waarheid nam hij stevig op de korrel. Hij betichtte de EVC ervan zich te bedienen van de 'stijfverroeste wapenen uit het tot een ruïne vervallen tuighuis van het anarcho-syndicalisme van weleer'. In 1946 kwam aan Van der Houvens vakbondswerk een einde door zijn naderende pensionering. In de zomer volgde D.W. van Hattem hem op als secretaris en enkele maanden later als redacteur van De Metaalbewerker. Per 1 januari 1947 kon Van der Houven van zijn pensioen genieten. Wel vond hij nog tijd om de zestigjarige geschiedenis van Amsterdamse afdeling van de ANMB, begonnen als Onderlinge Werkliedenvereeniging 'Verbetering Zij Ons Streven' te boek te stellen in het in 1949 verschenen 't Begon op Oostenburg. Van der Houven speelde tot vlak voor zijn dood begin 1963 een rol in de vereniging van oud NVV-bestuurders De Schakel.

Publicaties: 

Artikelen in De Metaalbewerker en De Jonge Metaalbewerker; Een Halve eeuw. Gedenkboek van de Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond 1886-1936. Uitgegeven ter gelegenheid van de herdenking van het vijftig-jarig bestaan (Amsterdam 1936); 't Begon op Oostenburg. Gedenkschrift van de Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond Afdeling Amsterdam. Uitgegeven ter gelegenheid van de herdenking van het zestigjarig bestaan 1889-1949 (Amsterdam 1949).

Literatuur: 

H.J. van den Bom, 'G. van der Houven twintig jaar redacteur' in: De Metaalbewerker, 8.6.1940; H.J. van den Bom, 'Bertus, het ga je goed' in: De Metaalbewerker, 27.7.1946; D.W. van Hattem, 'Aflossing' in: De Metaalbewerker, 5.10.1946; Gedenkboek Gijzelaarskamp Beekvliet St. Michielsgestel (Schiedam 1946); I. Baart, 'Gijsbert van der Houven overleden' in: Metaalkoerier, 8.2.1963; G. Harmsen, J. Perry, F. van Gelder, Mensenwerk (Baarn 1980) 99, 135; L. Brug e.a., Organisatie in het ijzeren tijdperk (Amsterdam 1995).

Portret: 

G. van der Houven, uit: G. van der Houven, 't Begon op Oostenburg (Amsterdam 1949) 85

Auteur: 
Bouwe Hijma
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 117-120
Laatst gewijzigd: 

25-09-2002