HUYGENS, Cornélie Lydie

Cornélie Lydie Huygens

voorvechtster van vrouwenemancipatie en sociaal-democrate, is geboren te Haarlemmerliede op 13 juni 1848 en overleden te Amsterdam op 31 oktober 1902. Zij was de dochter van jonkvrouw Cornelia Adelaïde Elias en Gerhard Willem Otto Huygens, kalkbrander. Op 2 oktober 1902 trad zij in het huwelijk met Ignatius Bahlmann, handelaar en rentenier.

De moeder van Huygens overleed vier weken na haar geboorte. In 1851 verhuisde haar vader met haar naar Leiden. Over haar kinderjaren is niets bekend. Later woonde zij bij Jeanne Huygens, een ongetrouwde tante met wie zij veel samen deed, en een grootmoeder. Huygens behoorde in ieder geval vanaf 1864 tot de vriendenkring van Mina Krüseman die het jonge meisje protegeerde. Beiden woonden toen in Brussel. Van een bezoek aan een adellijk liefdadigheidsbal zegt Krüseman: Cornélie 'was "en Neige", wit tarlatan, hoog, met lange mouwen, geheel gebouillonneerd met vlokjes watten, hangend haar, met watten erdoor genaaid en een kroontje van hulst'. Twee naaisters en drie hulpen waren druk geweest met het kleden. In 1870 vestigde de familie zich in Valkenburg. Huygens wilde zangeres worden en Krüseman introduceerde haar bij een zangleraar in Brussel. Het kostte Huygens veel innerlijke strijd na anderhalf jaar zichzelf te moeten bekennen dat haar muzikale aanleg te gering was. Zij legde zich nu op het schrijven toe en opnieuw bemiddelde Krüseman bij uitgevers en redacties. Een artikel over vrouwenemancipatie kreeg zij zodoende geplaatst. Samen met haar tante dompelde zij zich onder in Multatuli's Ideën. In mei 1876 voltooide Huygens haar eerste roman. Zij zond de tekst aan Krüseman, die deze voorlegde aan de uitgever Revers in Dordrecht. De roman verscheen onder de titel Hélène van Bentinck (Dordrecht 1877). Van het honorarium maakten Huygens en Krüseman een uitstapje naar Parijs. Een hele serie romans, novellenbundels, essays en vertalingen volgden en leverden Huygens een goede bron van inkomsten op. De schildering van het liefdes- en huwelijksleven in hogere kringen deed het goed. Over de literaire waarde werd echter negatief geoordeeld. De literaircriticus Taco de Beer had voor haar romans in het gezaghebbende taalkundige blad Noord en Zuid geen goed woord over. Volgens hem verzonken de romans die zij geschreven had in het niet bij de roman van haar eigen leven. Hij kon het ook niet nalaten te vermelden dat op haar visitekaartjes een kroontje prijkte. Josine Meyer zegt van deze ideeënromans: 'De karaktertekening is onnatuurlijk, de gevoelens zijn geëxalteerd, de situaties onmogelijk. Vooral de verhoudingen tussen de seksen berusten meer op wensdromen van de schrijfster dan op realiteit. Wel reëel is haar ervaring van het societyleven uit die dagen en van de vernederende positie van het jonge meisje, dat in de uitgaande wereld wordt gebracht als op een huwelijksmarkt, waar zij vooral niet "difficile" mag zijn, daar haar kansen na twee seizoenen zijn verkeken'. Huygens had een minachting voor vrouwen die met behulp van hun zo voordelig mogelijk opgepoetst uiterlijk schoon een rijke man wisten te veroveren om haar lege bestaan te kunnen voortzetten. Voor alles luidde het parool van Huygens toen al: handen uit de mouwen steken, studeren en werken. Dit nam niet weg dat Huygens een huwelijk uit liefde als een groot maar helaas zeldzaam goed zag. In haar latere romans vervlochten zich de kritiek op het huwelijk met een groeiende verontwaardiging over de maatschappelijke misstanden.

Vanaf haar omgang met Krüseman was zij met het feminisme verbonden maar ook het socialisme sprak haar al vroeg aan. In 1893 polemiseerde zij in het Sociaal Weekblad met M.W.F. Treub over de waardetheorie van Marx waarvan zij goed op de hoogte bleek te zijn. Met instemming verwees zij naar het theoretische werk van Franc van der Goes maar voor het socialisme van Recht voor Allen dat de geest van F. Domela Nieuwenhuis uitademde had zij geen goed woord over. Zij typeerde de artikelen in dit blad als 'onwetenschappelijke, in den blinde opruiende phrases' en veroordeelde het 'aanvallen van personen in plaats van toestanden'. Dit blad vervulde volgens haar 'alle ernstige, hun grootsch ideaal hoog houdende socialisten met diepen weemoed'. De eerste keer dat Huygens, die ondertussen in Nieuwer-Amstel woonde, zich met de praktische politiek inliet, was in 1892. Toen behoorde zij met onder anderen Jeltje de Bosch Kemper, Hélène Mercier en M. Muysken tot een damescomité in de hoofdstad dat de vooruitstrevende handels- en kantoorbediendenbond Vooruit steunde in het streven naar een vervroegde winkelsluiting om negen uur 's avonds. Het comité was in het leven geroepen om de weerstand van de gegoede vrouwelijke clientèle te verminderen. In het Algemeen Handelsblad van 25 november onthulde Huygens namens het comité dat het eigenlijke doel - net als in het buitenland - een sluiting om acht uur 's avonds was. Dit bracht het Handelsblad tot een waarschuwing tegen 'overdrijving'. Huygens was eveneens actief in het roerige jaar 1893 toen tal van socialistische arbeiders wegens hun maatschappij kritiek tot forse gevangenisstraffen veroordeeld werden. F.M. Wibaut stelde na een oproep onder de titel 'Honger en Schrik' in het Sociaal Weekblad een comité samen uit degenen die adhesie betuigd hadden, dat gelden inzamelde om de nood in de gezinnen van de veroordeelden te lenigen. Van dit Comité maakten onder meer Huygens, C.V. Gerritsen, J.C. van Marken, Treub en B.H. Pekelharing deel uit. Behalve Huygens geen van allen socialisten maar wel sociaal bewogen links-liberalen. Het comité stond onder grote druk van de overheid. De regering dwong Pekelharing in een persoonlijk onderhoud zich terug te trekken. In 1896, kort na de oprichting van de SDAP, behoorde Huygens tot de schaarse intellectuelen die zich hierbij aansloten. Zij nam geestdriftig aan het gewone partijwerk deel. Zij kon daarbij ook uitgelaten vrolijk zijn. Wibaut herinnerde zich dat zij in 1899 op het SDAP-congres te Leeuwarden samen met H. van Kol Indische dansen uitvoerde. Onder invloed van haar nieuwe socialistische overtuiging schreef zij haar sleutelroman Barthold Meryan (Amsterdam 1897), waarvan binnen enkele jaren drie drukken verschenen. Het boek maakte binnen de socialistische beweging diepe indruk, maar ook daarbuiten sprak het jongeren uit de burgerij aan. Het groeiende ongeloof in de liberale idealen, een gevoel van onbevredigdheid en zedelijke verontrusting over de arbeidersellende, dit alles verwoordde de roman. Barthold Meryan was de zoon van een rijke Amsterdamse koopman die in zijn jeugd tot de voorvechters van het liberalisme van 1848 had behoord. Voor zijn zoon was hij een autoritaire en rechtschapen vader. Zijn moeder was wereldvreemd, onbeduidend, volgzaam en gedwee. Barthold belichaamde de opstand van zijn generatie tegen het ouderlijk gezag en de wereld der volwassenen. Niet het najagen van materiële rijkdommen was zijn levensdoel, maar het verrichten van goede daden. De socialistische partijpolitiek met haar eenzijdigheid, frasen en demagogie stootte hem af. Een arbeiderspartij kon alleen voor de stoffelijke welvaart zorgen, de Arbeiderskerk, geïnspireerd op de door John Trevor in 1892 te Manchester gestichte Labour-church, zorgde voor de zwaarder wegende geestelijke belangen. Barthold ging het om het 'hogere'. Behalve de hoofdpersoon die ook nog de publieke opinie trotseerde door een vrij huwelijk aan te gaan, namen de voormannen van de socialistische beweging en hun meningsverschillen een ruime plaats in. P.J. Troelstra, Domela Nieuwenhuis, Pekelharing, Van der Goes en O. van der Zwaag verpersoonlijkten de verschillende standpunten. De roman maakte zo'n indruk in de SDAP dat Troelstra er in zijn openingsrede op het congres van 1898 speciaal aandacht aan besteedde. Huygens koos in tegenstelling tot haar hoofdpersoon wel voor het organiseren van de materiële belangenstrijd der arbeidersklasse. Dit bleek duidelijk uit haar aandeel in de felle discussie die de kroning van de tsaar in 1896 in De Kroniek uitlokte. A. Diepenbrock keerde zich tegen wat hij noemde de volksverafgoding, de nivelleringsdrang en de materialistische miskenning van het geestelijke bij de socialisten en prees de sprookjesachtige pracht en praal van het kroningsfeest als 'een afscheidsgroet van een dalende zon aan deze steeds glansloozer wordende aarde'. Huygens antwoordde hem: 'Wee hen, die in een eeuw als deze, waarin de schoonste Idee die ooit voor de arme worstelende humaniteit is opgerezen, komende tot machtige bewustwording in ons, spreken van "deze steeds glansloozer wordenden aarde" die alleen nog een weinig luister moet ontleenen "aan de dalende zon van Koning- en keizerschap" - Voor haar was het socialisme een bron van geestelijke rijkdom. Haar keuze voor het gewone partij werk viel haar niet altijd licht getuige uitspraken als: 'Hoe wij ons ook dag aan dag mogen stoten aan het vele onvolmaakte, ja vaak stuitende, dat nu eenmaal alle menselijke streven aankleeft, hoe wij ons ook mogen ergeren aan de eeuwige herrie in de beweging, ontmoediging blijft buitengesloten'. In 1898 woonde zij in Den Haag en volgde er A. Nijenhuis op als secretaris van de plaatselijke afdeling. Rond 1900 ging zij samenwonen met een vriendin die twee kinderen had. De opvoeding van de twee kinderen schonk haar veel voldoening en van het huiselijke leven genoot zij. Als wees en alleenstaande werkende vrouw was zij op dat punt niet verwend. In 1900 werd zij gekozen tot lid van het partijbestuur. De eerste keer dat zij bij een vergadering aanwezig was begroette W.P.G. Helsdingen haar joviaal: 'Nou Huygens, welkom in ons midden! Ja, ik noem je nu voortaan maar Huygens, nu je in 't partijbestuur bent. Is dat goed?' Zij vond het prima, al bleef zij voor sommigen de 'rooie freule'. Zij kwam in Den Haag geregeld bij Troelstra aan huis en zijn zoon Jelle herinnerde zich haar vanwege de geschenken die zij voor de kinderen meebracht, de vreemde parfums en het ruisen van haar zijden rokken. Naast H. Roland Holst was zij de enige vrouwelijke spreker in de SDAP en als zodanig veelgevraagd. De krachtige en vurige wijze waarop zij zich uitte zal iedereen aangesproken hebben. Zij voerde bij herhaling ook het woord voor de Studenten Debating Club in Delft waarvan Pekelharing voorzitter was. Hij had veel met haar op maar vond haar dogmatisch. De arbeiders op de vergaderingen waar zij sprak, zullen vreemd opgekeken hebben 'want ze was met haar rijzige figuur, karaktervol aristocratische kop en kostbare kleding wel iemand die overal moest opvallen' meende Jelle Troelstra. Toch had zij het weldra niet zo breed meer als deze woorden suggereren. Zij kon en wilde geen lucratieve romans meer schrijven en de politieke verhandelingen en vooral polemieken die zij in Vragen des Tijds, Sociaal Weekblad, De Kroniek, De Baanbreker en De Nieuwe Tijd publiceerde, leverden weinig of niets op. Zij moest zich steeds meer ontzeggen, zich eenvoudiger kleden, goedkoper gaan wonen en soberder eten. Zij voelde het niet als een offer, het speet haar alleen dat zij geen cadeaux voor kinderen meer mee kon brengen.

Huygens was niet alleen een propagandiste van de SDAP, maar had ook bemoeienis met de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 te Den Haag. In de SDAP behoorde zij tot de voorstanders van dit congres. Zij was een van degenen die tegelijk daarnaast een Dienstbodencongres organiseerden. Huygens berustte er niet in dat de leiding van het congres alleen uit zeven mevrouwen bestond en haalde in Den Haag de dienstbode E.G. Auwerda en nog vier dienstboden over mede deel uit te maken van deze leiding. Ten huize van een dezer mevrouwen vond in december 1897 de eerste en laatste vergadering van de congresleiding plaats omdat niet alle mevrouwen bereid waren nog eens met dienstboden om de tafel te gaan zitten. Besloten werd dat ook dienstboden op het congres het woord zouden voeren. De dienstboden waren ondertussen op het idee gebracht ook onderling te vergaderen. Zij vroegen Huygens hen hierbij behulpzaam te zijn. In mei 1898 vond de oprichting van de Haagse Dienstbodenbond 'Allen voor Elkaar' plaats onder voorzitterschap van Huygens die de rest van het bestuur met raad en daad terzijde stond. Auwerda herinnerde zich: 'Voor ons was zij steeds thuis, ons kon ze altijd ontvangen'. Na verloop van tijd vond Huygens dat de dienstboden het bestuurswerk zelf aankonden. Zij aanvaardde het 'eere-voorzitterschap' toen dit haar aangeboden werd. Op het Dienstbodencongres dat 21 augustus 1898 plaatsvond, voerden onder meer Huygens en Auwerda het woord. De laatste sprak over 'Afschaffing van het fooienstelsel en het noodzakelijke van betere loonregeling'. Huygens had haar met de rede geholpen. Het werd Huygens door andere mevrouwen zeer kwalijk genomen dat zij zich zo intensief bemoeide met die 'meidenvereeniging'. Zij betoonde zich een principieel voorstandster van vrouwenvakverenigingen. Onder verwijzing naar Annie Besant die de arbeidsters in de Londense luciferfabrieken organiseerde en tijdens een staking vooraanging, zei zij in 1896: 'Vrouwenvakvereenigingen - dáárin vooral ligt de toekomst der arbeidster. Van het grootste gewicht is het, haar in dat opzicht te helpen, te steunen, haar te doen begrijpen, dat alleen vereeniging, aaneensluiting, solidariteitsgevoel hare loonen kan opvoeren, gedeeltelijk kan opheffen het noodlottige verschijnsel, dat zij gedwongen is voor minder loon te werken dan de man in hetzelfde vak'. In 1895 viel zij in artikelen die in het Sociaal Weekblad verschenen, de Vrije Vrouwen Vereeniging aan. Deze nodigden haar uit voor een openbare debatvergadering. Die vond op 3 maart 1896 plaats. Het ging er heftig toe. Het doordachte en redelijk argumenterende betoog van Huygens werd door Wilhelmina Drucker, Th. Schook-Haver en anderen heftig en fel bestreden. Huygens distantieerde zich van het burgerlijk feminisme dat zich volgens haar kenmerkte door primitieve mannenhaat, door het miskennen van de realiteit der klassenmaatschappij, waardoor het geen oog had voor de positie van arbeidersvrouwen. Zij was het echter ook oneens met de in de SDAP gangbare opvatting dat de bevrijding van de vrouw het resultaat zou zijn van de verwezenlijking van het socialisme door de strijd van de arbeidersklasse. De feministen vond zij te zeer eisend en klagerig. Het ging er haar om dat welgestelde vrouwen de handen uit de mouwen staken en lieten zien dat zij wat studie en werk betreft niet de minderen van de mannen waren. 'Honderden betoogen zullen niet een zóó krachtigen invloed oefenen op de evolutie der denkbeelden als ééne vrouw, die door hare prestaties bewijst, dat haar intellect niet voor dat van een man behoeft onder te doen'. Zij meende dat het meer de vaders waren die hun dochters hiertoe aanspoorden, terwijl de moeders een 'reactionairen invloed' uitoefenden door haar dochters hier van te weerhouden. Vol waardering sprak zij over Aletta Jacobs en Helene Mercier. Zelf was zij trouwens evenzeer een voorbeeld van een zelfstandige vrouw die haar kost verdiende. Alleen welgestelde vrouwen waren in staat een hogere studie te volgen en te betalen. Door het verwezenlijken van hun eigen emancipatie hadden de vrouwen uit de burgerij naast de arbeidersvrouwen die voor geheel andere problemen stonden, een aparte en belangrijke taak. Huygens mengde zich ook in de discussie over liefde en huwelijk die woedde rond het openhartige feministische boek Hilda van Suylenburg van freule C. de Jong van Beek en Donk dat in 1898 verscheen. Huygens vond het een oppervlakkig boek maar bestreed in De liefde in het vrouwenleven voorheen en thans (Amsterdam 1899) evenzeer de anti-feministische brochure van freule A. de Savornin Lohman die geen weet had van de geschiedenis en precies dacht te weten wat de essentie van de vrouwelijke natuur was. Josine Meyer noemt dit boek wellicht het beste dat Huygens geschreven heeft: 'Zij behandelt het vraagstuk historisch-materialistisch, zonder zich echter te bedienen van de geijkte marxistische terminologie. Haar taal is beeldend en haar historische visie heeft een zekere grootheid.'

Huygens bewoog zich ook op het terrein van de marxistische theorie. Het irriteerde haar dat het nog nodig was te zeggen 'dat wat Marx en Engels der wereld voorlegden, niet is een dogma, een afgerond stelsel, maar inderdaad een denk- en onderzoeksmethode een methode, welker toepassing op de tallooze verschijnselen in geschiedenis en maatschappij eigenlijk pas een aanvang heeft genomen'. Naar haar mening had de dialectische methode van Karl Marx zich te onvoldoende losgemaakt uit de idealistische Duitse filosofie 'dan dat zij de noodige voeling kon houden met de krachtig oplevende natuurwetenschap, waar zij op grond van haar beginselen bij behoort'. Voor Huygens was 'de Marxistische theorie in den grond slechts een voortzetting, een verder doorvoeren van de leer van Darwin in de menschelijke samenlevingen'. De steeds weerkerende gedachte is 'Wat de misdeelden zelven betreft, zij zien het wezen van den strijd, krachtens hun natuurbewustzijn, in volle klaarheid, wijl zij de natuur het dichtst staan'. Hoezeer Huygens het natuurlijke in de mens benadrukte 'het geestesleven, uit dat aardbestaan zich ontplooiend', omvatte voor haar de oneindigheid. Het monisme van de filosoof Josef Dietzgen zette in haar ogen het spinozisme in een moderne vorm voort. Het boek Darwin-Marx uit 1901 was behalve een hooggestemde filosofische verwachting over wat de maatschappelijke evolutie ONS zal brengen, ook een veldtocht tegen E. Bernstein die meende dat de leer van Marx op wezenlijke punten herzien moest worden. Volgens haar was daar geen sprake van en zij keerde zich op deskundige wijze vooral tegen de intellectuele aanhangers van Bernstein die Marx met behulp van Kant filosofisch wilden funderen. Door haar werk kwam Huygens in contact met Ignatius Bahlmann, een Duitse zakenman, die jarenlang een contactpersoon tussen Duitse en Nederlandse sociaal-democraten was geweest en ook financiële steun had verleend. Bahlmann had Barthold Meryan in het Duits vertaald. Hij was zo enthousiast over het boek dat hij de vertaling opstuurde aan Karl Kautsky, August Bebel en Wilhelm Liebknecht. In 1901 bracht de uitgeverij Tribüne in Erfurt het boek op de markt. Bahlmann vertaalde in 1901 ook Darwin-Marx en legde de tekst aan Kautsky voor. De laatste reageerde enthousiast en vroeg Huygens vast medewerker van Die Neue Zeit te worden. Haar eerste en enige bijdrage was een beschouwing over het werk van Dietzgen op verzoek van diens zoon. Haar ster rees snel binnen de Duitse sociaal-democratie. Zij bezocht Bahlmann in september 1901 te Erfurt en begreep pas toen dat hem meer bewoog dan bewondering voor haar werk. Zij werden geliefden. Begin april 1902 vestigde Bahlmann zich in Amsterdam. Zijn vrouw ging in Utrecht wonen en op 27 juni 1902 werd in Amsterdam de echtscheiding uitgesproken. Op 2 oktober 1902 trouwden Huygens en Bahlmann. Op 31 oktober 1902 verdronk Cornélie Huygens zich in een vijver in het Vondelpark. Zij liet een briefje na waarin zij schreef: 'Mijn Ignaz zonder eenige haat ben ik uit het leven gegaan, vaarwel lieveling ik ga naar het Vondelpark'. De SDAP-top besloot na een deels telegrafisch spoedberaad bij de begrafenis officieel aanwezig te zijn en nam plaats in de volgrijtuigen: Troelstra, Van der Goes, A.H. Gerhard, J.F. Ankersmit, P.L. Tak, M. Mendels, H. Polak en J.G. van Kuijkhof. In haar in memoriam in Het Volk noemde Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer Huygens een bijzonder gevoelige vrouw die gelukkig was met het geringste blijk van liefde en vertrouwen, maar uit het veld geslagen of heftig verontwaardigd was bij tegenwerking. Haar felle manier om zich te uiten maakte dat vrienden zich soms van haar afkeerden. Zij leefde in haar eigen mooie ideeënwereld. Veel van het werkelijke leven ging ongezien en onbegrepen aan haar voorbij. Dit berokkende haar moeilijk te verteren teleurstellingen.

Publicaties: 

Uit den strijd des levens (1878, essays); Arabesken (1884, novellen); Regina (1884, roman); Ellen (1889, roman); 'Maatschappelijke en wettelijke stelling der vrouw' in: Vragen des Tijds, 1892; Een huwelijk (1892, novellen); Hoogenoord (1892, roman); 'Huwelijk en opvoeding' in: Vragen des Tijds, 1892, II, 208-238; 'Bestrijding der sociaal-democratie' in: Sociaal Weekblad, 1893, 359-360, 416; 'Karl Pearson over de vrouw' in: Sociaal Weekblad, 1894, 374-376; Zomer (1895, roman); 'Iets over de vrouwen-kwestie' in: Sociaal Weekblad, 1895, 382-384, 412; 'Nogmaals het recht der Vrouw' in: De Baanbreker, 26.10.1895; 'Cornélie Huygens in de Vrije Vrouwen Vereeniging' in: Sociaal Weekblad, 1896, 85-87, 94, 102-103 (verslag debatvergadening); 'Een treurige tactiek' in: Sociaal Weekblad, 1896, 94-95; Een woord aan de Nederlandsche vrouwen. Rede uitgesproken den 3 den Maart 1896 in een openbare vergadering der Vrije-Vrouwen-Vereeniging (Amsterdam 1896); 'Aan den Heer Dr. A. Diepenbrock' in: De Kroniek, 14.6.1896; 'Vijf en twintigjarig jubileum van onze eerste Nederlandsche doctores in de geneeskunde' in: Sociaal Weekblad, 1896, 103-104, 111-112; Socialisme en 'Feminisme' (Amsterdam 1898); 'Eenige beschouwingen over het artikel van M.E.P.' (waarschijnlijk Marie Elisabeth Pijnappel) in: De Kroniek, 12.6.1898; 'Verweer' in: De Kroniek, 24.7.1898; 'Wat socialisme niet is' in: De Kroniek, 14 en 21.8.1898; 'Het ontwikkelingsbegrip in Natuur en Maatschappij' in: Het Volk, Bijvoegsel, 2.4.1900; 'Toeleg of vergissing' in: De Kroniek, 16.6.1900; 'Open brief aan den WelEd. Hooggel. Heer Prof. A.A.W. Hubrecht te Utrecht' in: De Kroniek, 6 en 20.4.1901; Darwin-Marx. Bernstein als bestrijden van eene natuur-philosophische leer (Amsterdam 1901); 'Een verzoek om argumenten' in: De Kroniek, 31.5.1902; 'Dankbaar maar niet voldaan' in: De Kroniek, 14.6.1902; 'Dietzgens Philosophie' in: Die Neue Zeit, 15.11.1902.

Literatuur: 

M. Krüseman, Mijn leven (Dordrecht 1877); S.M.D. Troelstra-Bokma de Boer in: Het Volk, 9.11.1902; M. Grunwald, 'Cornélie Huygens' in: Die Gleichheit, Zeitschrift für die Interessen der Arbeiterinnen, 12/24, 19.11.1902; E.G. Auwerda, 'Cornélie Huygens overleden' in: Ons Streven, Orgaan van den Algemeenen Nederlandschen Dienstbodenbond, december 1902, 1; Vliegen, Kracht, I, 140-141; A. Romein-Verschoor, Vrouwenspiegel, Een literair-sociologische studie over de Nederlandse romanschrijfster na 1880 (Utrecht 1935) 66-69; F.M. Wibaut, Levensbouw, Memoires (Amsterdam 1936); P.J. Meertens, 'Cornélie Huygens, schrijfster van Barthold Meryan' in: De Vlam, 11.6.1948; J. Troelstra, Mijn vader Pieter Jelles (Amsterdam 1952); W. Thys, De Kroniek van P.L. Tak. Brandpunt van Nederlandse cultuur in de jaren negentig van de vorige eeuw (Amsterdam 1956); J. Meyer, 'Cornelie Huygens' in: Mededelingenblad, nr. 12, december 1957, 2-8; J.J. Kalma, 'Socialistische roman van Cornélie Huygens' in: Het Vrije Volk (Friese editie), 28.4.1959; I. Prins-Willekes Mac Donald, 'Cornélie Huygens' in: Baanbreeksters (Amsterdam 1960), 98-l0l; D. Couvee, A. Boswijk, Vrouwen vooruit! De weg naar gelijke rechten (Den Haag 1962); M. Klein, E. Lange, F. Richter, Zur Geschichte der Marxistisch-Leninistischen Philosophie in Deutschland (Berlin 1969), Band I, 2, 445-448; P. Spigt, 'C. Huygens' in: Rekenschap, december 1974, 166-168; P. Spigt in: O. Noordenbos, P. Spigt, Atheisme en vrijdenken in Nederland (Nijmegen 1976) 204-206; A. Holtrop, 'De freule' in: Vrij Nederland, 16.9.1978, eveneens in: A. Holtrop (red.), Vrouwen rond de eeuwwisseling' (Amsterdam 1979) 99-113; B. Reinalda, Bedienden georganiseerd (Nijmegen 1981) 165-166; G. Harmsen, 'Herfsttij van het liberalisme' in: Nederlands kommunisme. Gebundelde opstellen (Nijmegen 1982) 231-242; F. Dieteren, 'Cornélie Huygens, een leven als een roman' in: Rooie Vrouw, februari 1988, 10-13; P. de Rooy, 'Een hevig gewarrel. Humanitair idealisme en socialisme in Nederland rond de eeuwwisseling' in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden, jrg. 106, nr. 4, 1991, 625-640; M. Braun, De prijs van liefde. De eerste feministische golf, het huwelijksrecht en de vaderlandse geschiedenis (Amsterdam 1992); M. van der Linden (red.), Die Rezeption der Marxschen Theorie in den Niederlanden (Trier 1992); P. Wielsma, 'Ignaz Bahlmann (1852-1934)' in: BNA, nr. 26, juni 1992, 29-48; F. Kalshoven, Over marxistische economie in Nederland 1883-1939 (Amsterdam 1993); M. Grever, B. Waaldijk, Feministische openbaarheid. De Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 (Amsterdam 1998); F. Dieteren, 'Wie is Barthold Meryan?' in: Onvoltooid Verleden. Kwartaalblad voor de geschiedenis van sociale bewegingen, nr. 16, 2002, 7-22.

Portret: 

C.L. Huygens, IISG

Auteur: 
Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 125-132
Laatst gewijzigd: 

01-05-2006