KATER, Klaas

Klaas Kater

oprichter en voorzitter van het Nederlandsch Werkliedenverbond Patrimonium, is geboren te Amsterdam op 15 oktober 1833 en aldaar overleden op 26 oktober 1916. Hij was de zoon van Jacob Kater, melkslijter, en Grietje Jongejan. Op 2 september 1863 trad hij in het huwelijk met Barbera Pauws. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Kater werd in de Amsterdamse Wijdesteeg geboren. Zijn moeder overleed toen hij één jaar oud was. Zijn vader hertrouwde vier jaar later met Nelletje Frits. Zij overleed in februari 1844, zijn vader in juli 1847. Klaas werd met zijn broers en zusters opgenomen in het Amsterdamse Diaconieweeshuis. Aan zijn opleiding voor de zeevaart kwam daardoor te vroeg een einde. In het weeshuis liet men hem aanvankelijk voor onderwijzer studeren, maar in mei 1850 besteedden de regenten hem via een doorgangshuis in Doodewaard in de Betuwe uit aan een tabaksplanter aldaar. In februari 1853 ging hij naar het naburige Hemmen, bleef daar tot april 1854 en trok vervolgens naar Andelst. In augustus 1854 meldde hij zich uit wanhoop als militair voor het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger, maar kreeg snel spijt. Na een half jaar boerenknecht te zijn geweest aan de Amsteldijk in het toenmalige Nieuwer Amstel, was hij in mei 1855 weer terug bij een tabaksplanter in Doodewaard. Hij bleef daar tot december 1856, werd bijbelcolporteur en bereisde ruim een jaar het grootste deel van Nederland en een deel van Vlaanderen te voet, Op deze reizen kwam hij in aanraking met de bekende Zeeuwse predikant H.J. Budding, bij wie hij enige tijd in Goes in huis woonde. De tijd van 1847 tot 1858 was naar zijn zeggen fel bewogen. Hij voelde zich gedupeerd door de handelwijze van het weeshuisbestuur. In 1871 zond hij een pamflet naar de Hervormde Kerkeraad te Amsterdam met de titel Moeten uwe weezen zóó worden geregeerd? en tijdens het Eerste Christelijk Sociaal Congres in 1891 kwam hij erop terug door een uitspraak te verlangen, dat er nooit sprake mag zijn van het publiek uitbesteden van weeskinderen. Liever weespakhuizen dan dat, was zijn mening. Kater oefende verschillende beroepen uit. Zo was hij steenkopersknecht in Amsterdam en Haarlemmermeer en begon hij na de winter van 1866/1867 zijn loopbaan als metselaar in Amsterdam.

Katers belangstelling voor de organisatie van werknemers ontstond in 1872, toen hij regelmatig stukken ging schrijven in het blad van J. Wolbers, De Werkmansvriend. Hij werd lid van de metselaars- en opperliedenvereniging Door Eendracht Saamgebracht. De leden benoemden hem in een commissie, die een gesprek met de patroons moest aangaan. De bespreking had in maart 1872 een loonsverhoging van 15% tot gevolg, terwijl nog 10% in het vooruitzicht werd gesteld. Spoedig daarna werd Kater tot voorzitter van de vereniging gekozen. Hij kreeg toenemende bezwaren tegen aansluiting bij de radicale Internationale (het Nederlandsch Werklieden Verbond) en tegen het niet willen samenwerken met de patroons. Met ingang van 1 juli 1873 bedankte hij als voorzitter. In juni had hij geprobeerd een Nederlandsche Metselaarsbond op te richten, waarin aannemers, patroons en werklieden zouden samenwerken. Op 17 maart en 21 juli 1874 deed hij opnieuw pogingen een vereniging van patroons en werklieden in het timmer- en metselaarsvak op te richten onder de naam Samenwerking, maar deze bestond slechts kort. Begin 1874 was Kater als metselaar in dienst getreden bij bierbrouwerij De Gekroonde Valk van W. Hovy te Amsterdam. In dat jaar leerde hij W.C. Beeremans kennen, die met plannen rondliep voor een christelijke werkliedenvereniging. Aanvankelijk voelde Kater daar niet voor. Zij besloten J. Witmond in het overleg te betrekken. Dit leidde er toe ook B. Poesiat, Hovy en Wolbers uit te nodigen voor een gesprek op 3 januari 1876. Het resultaat was de oprichting van een werkliedenvereniging op christelijke grondslag, het Nederlandsch Werkliedenverbond. Op voorstel van Kater kreeg dit de naam Patrimonium (Vaderlijk erfdeel). Op 30 november 1876 werd een bestuur gekozen. Kater werd president, Poesiat tweede president. In andere plaatsen ontstonden in de volgende jaren soortgelijke organisaties. Deze sloten zich op 12 maart 1880 aaneen tot een landelijk Nederlandsch Werkliedenverbond Patrimonium. Kater werd de eerste voorzitter, Poesiat de eerste secretaris. In de komende jaren bezocht Kater veel plaatsen in het land om nieuwe afdelingen op te richten. Wolbers' weekblad De Werkmansvriend werd tot officieel orgaan van Patrimonium gekozen. De 'inwoning' leidde op den duur tot irritaties. Door het wetsontwerp tot regeling van de kinderarbeid werd een dieper meningsverschil openbaar tussen Kater en Poesiat enerzijds en Wolbers anderzijds. Kater meende dat de staat op dat gebied geen taak had. De ouders bleven verplicht voor hun kinderen te zorgen. Tot het uitgeven van een eigen orgaan, dat eveneens Patrimonium werd genoemd, besloot het verbond in 1886. Kater werd bezoldigd hoofdredacteur. Dit hield tevens de functie van 'vrijgestelde' voor het werk van het verbond in. In oktober 1886 nam hij daarom ontslag bij de bierbrouwerij.

Aan de kerkelijke onenigheden, die tot de Doleantie - de afscheiding van de Hervormde Kerk - leidden, nam Kater niet actief deel. Een kerkelijk ambt bekleedde hij niet. Wel was hij lid van het kiescollege te Amsterdam, dat namens de lidmaten de predikanten, ouderlingen en diakenen koos. Op verzoek van Hovy nam Kater op 6 januari 1886 met andere werknemers in dienst van Hovy, onder wie Poesiat, deel aan het zich toegang verschaffen tot en het bewaken van de kerkeraadskamer van de Nieuwe Kerk te Amsterdam (bekend geworden als de 'paneelzagerij'). Katers aanwezigheid leidde tot een spotprent in het blad Uilenspiegel. Het noodzaakte hem tegenover de leden de neutraliteit van Patrimonium op kerkelijk terrein te benadrukken. Met ingang van 1 november 1888 werd tot een fusie besloten tussen de bladen Patrimonium en De Werkmansvriend. De redactie werd aan Kater en Wolbers gezamenlijk opgedragen. Kater verhuisde daardoor naar Utrecht, hetgeen hem dwong het voorzitterschap van de afdeling Amsterdam neer te leggen. Kater ging in april 1891 terug naar Amsterdam. Op de jaarvergadering van 1890 maakte Kater zich in zijn openingsrede tolk van de binnen Patrimonium bestaande onvrede over het niet-verkiezen van Patrimoniumleden in politieke organen. Hij meende dat de Anti-Revolutionaire Partij de geringeren onder de kiezers en 'het volk achter de kiezers' niet als haar 'houthouwers en waterputters' mocht gebruiken. Ook achtte hij het onmogelijk te geloven dat de plutocraten en bezitters van adellijke titels de noden van de achter-buurten zouden kennen en deze zouden willen verlichten of wegnemen. De aanleiding voor Katers woorden waren te begrijpen, het ogenblik waarop hij deze woorden gebruikte minder. De dag tevoren immers was op de huishoudelijke vergadering het voorstel aangenomen, dat Patrimonium zich tot het Centraal Comité van de Anti-Revolutionaire Kiesvereenigingen - het AR-hoofdbestuur - zou wenden met het verzoek in overleg met Patrimonium een christelijk sociaal congres te organiseren. Kuyper, daartoe voor het eerst op een jaarvergadering van Patrimonium aanwezig, maakte een eind aan de daaropvolgende discussie en voorkwam daardoor erger. Het Eerste Christelijk Sociaal Congres vond in november 1891 te Amsterdam plaats. Kater was lid van de voorbereidende commissie maar geen rapporteur over enig onderwerp. Bij de gemeenteraadsverkiezingen te Amsterdam in 1894 was Kater kandidaat, maar hij werd niet gekozen. Hij was ook enige keren kandidaat voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer maar uitsluitend in districten waar hij geen kans maakte. Tegen het eind van de eeuw ontstond geleidelijk aan verzet tegen de alles overheersende positie, die Kater in Patrimonium innam als voorzitter, redacteur en administrateur. Jongeren als A.S. Talma, J. van der Molen en P. van Vliet Jr. wensten een andere koers in te slaan en vonden voor hun denkbeelden over vakorganisatie meer en meer aanhang. Een en ander leidde tot moeilijkheden, waaraan pas een einde kwam toen Kater in 1900 zijn landelijk voorzitterschap neerlegde. In feite had tweede voorzitter Van Vliet Jr. toen reeds een jaar de leiding. Kater werd tot ere-voorzitter benoemd. Eind 1905 verhuisde hij naar Oosterbeek. In 1913 keerde hij weer naar Amsterdam terug.

De figuur van Kater beheerste de eerste periode van Patrimonium volledig. Met vaste hand leidde hij de protestants-christelijke arbeidersbeweging door de moeilijke beginjaren heen. Weinig soepel als hij was, gauw opvliegend, kwam hij meermalen met Kuyper en andere vooraanstaande anti-revolutionairen in botsing. Zijn sociale denkbeelden waren eerder conservatief dan vooruitstrevend. Hij veroordeelde werkstaking, maar evenzeer 'elke gelds- of machtsassociatie, aangegaan met het doel om zich de heerschappij te verzekeren'. De aanvankelijk geoorloofd geachte coöperatie verwierp hij al spoedig, maar erkende deze later toch. Sociale wetgeving wees hij onvoorwaardelijk van de hand, omdat deze de rechten van werkgevers en ouders aantastte. Kater was een vlot spreker en vooral in het debat zeer slagvaardig. Als schrijver kwam hij minder tot zijn recht, zijn stijl was meer breed dan diep en zijn artikelen leden dikwijls aan een overmaat van lengte. Anderzijds kon hij in letterverzen - anagrammen - zich wel voegen in de daartoe nodige beperkingen. Kater betreurde de oprichting van de patroonsvereniging Boaz. Aan medeoprichter van Patrimonium Beeremans schreef hij op 29 juli 1903: 'In 1891 op het sociaal congres is in Patrimonium een breuk geslagen, toen door de oprichting van "Boaz" de samenwerking van patroons en werklieden veroordeeld werd'.

Publicaties: 

Patrimonium (Vaderlijk erfdeel). Eene nieuwe beweging onder onze werklieden toegelicht (Amsterdam 1876); Aan de Commissie van advies, den eere-voorzitter, de bestuurderen des Verbonds en de besturen der afdeelingen van Patrimonium te Amsterdam, 18 Juli 1886 (Amsterdam 1886); Eene familiegeschiedenis, naverteld (Amsterdam 1905).

Literatuur: 

J. van der Molen Tzn, 'K. Kater' in: Patrimonium, 2.11.1905; J.A. Wormser, Een man uit en voor het volk. Het leven van Klaas Kater (Nijkerk 1908); J.C. Rullmann, De strijd voor kerkherstel in de Nederlandsch Hervormde kerk der XIXe eeuw (Amsterdam 1915); C.Smeenk, in: Jaarboekje Patrimonium, 1917; R. Hagoort, Patrimonium (Kampen 1927); R. Hagoort, Het beginsel behouden (Kampen 1934); P.J. Meertens, 'Kater (Klaas)' in: Mededelingenblad, nr. 20, november 1961, 6-7; B. Kruithof, Christelijk-Sociaal 1875-1905 (doctoraalscriptie Amsterdam 1976); B. Kruithof, 'Trouw aan het beginsel. De christelijke-sociale beweging in Nederland van 1875 tot 1909' in: TvSG, nr. 24, 1981, 347-373; J. Giele, 'Kater, Klaas' in: Een kwaad leven. Heruitgave van de 'Enquete betreffende werking en uitbreiding der wet van 19 September 1874'. Deel 3 (Nijmegen 1981) 337-338 (zelf komt Kater als getuige aan het woord in Deel 1, 38-52); G.J. Schutte (red.), Een arbeider is zijn loon waardig. Honderd jaar na Rerum Novarum en Christelijk-Sociaal Congres 1891; De ontwikkeling van het christelijk-sociale denken en handelen in Nederland 1891-1914 (Den Haag 1991); A. Bornebroek, De strijd voor harmonie. De geschiedenis van de Industrie- en Voedingsbond CNV 1896-1996 (Amsterdam 1996).

Portret: 

K. Kater, IISG

Auteur: 
P.J. Meertens, J. van der Molen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 89-92
Laatst gewijzigd: 

26-08-2002