KEESING, Isidore

Isidore Keesing

eerste statisticus van het NVV en deskundige inzake werkloosheidsverzekeringen, is geboren te Amsterdam op 21 mei 1876 en omgekomen in het vernietigingskamp te Sobibor (Polen) op 14 mei 1943. Hij was de zoon van Gompert Keesing, behanger, en Eva Lissauer. Op 17 augustus 1905 trad hij in het huwelijk met Rachel Polak, telefoniste. Na haar overlijden op 1 juli 1922 hertrouwde hij op 1 september 1925 met Eva Stranders. Keesing noemde zich I.G. [Gompertz] Keesing.

Keesing was de oudste van zes intelligente kinderen, vijf broers en een zuster. Zijn een jaar na hem geboren broer David bezocht de Openbare Handelsschool, kwam op kantoor en werd daarna economisch journalist bij het Algemeen Handelsblad. Zijn jongste broer Aaron werd leraar op diezelfde Openbare Handelsschool. Keesing, die als diamantklover werkte, lukte het zijn gaven binnen en via de vakbeweging te ontwikkelen. Hij meldde zich als lid van de Diamantkloofsters- en Kloovers Vereeniging, die in 1899 als afdeling tot de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkers Bond (ANDB) toetrad. Hij kende de verhoudingen onder de klovers goed en werd behalve voorzitter van de vereniging redacteur van het blad De Diamantkloover, waarvan het eerste nummer op 15 juni 1901 verscheen met de bedoeling meer klovers tot organisatie te brengen. Na de statutenwijziging in 1902 kwam hij in het bestuur van de ANDB. In het Weekblad van de ANDB schreef hij door C.A. van der Velde als 'leerzaam' gekwalificeerde artikelen, strijdbare stukken ook, zoals in januari 1903 aan de vooravond van harde en langdurige stakingen onder roosjesbewerkers. In deze roerige dagen nam hij voor de ANDB met H. Polak, B. van Praag en J. van Zutphen deel aan de vergadering van arbeidersorganisaties die na de eerste spoorwegstaking in februari het Comité van Verweer oprichtten. Behalve met de vakbeweging was Keesing vertrouwd met de coöperatieve beweging. Met P.L. Tak nam hij in februari 1901 het initiatief tot de arbeidersverbruikscoöperatie De Dageraad. In het hoofdartikel 'Een leemte' in het Weekblad van 27 februari 1903 maakte hij propaganda voor De Dageraad en wees er op dat in landen als België, Denemarken en Engeland de coöperatie het hart van de arbeidersbeweging vormde. In 1904 bekritiseerde hij in twee overzichtsartikelen in De Nieuwe Tijd de in vergelijking met het buitenland gebrekkige organisatie van de Nederlandse coöperaties en ziekenfondsen. In mei 1905 vertrok Keesing naar Zaandam, waar hij tot zijn huwelijk in augustus bleef. Voor de inzegening van dit huwelijk had hij de vader van Carry van Bruggen en Jacob Israël de Haan uitgezocht, waarschijnlijk omdat deze (zoals ook bij andere socialistische joden gebeurde die vanwege hun ouders toch een kerkelijk huwelijk wilden) bereid was de niet-betaalde kerkelijke belasting door de vingers te zien. Direct nadien keerde hij met zijn vrouw naar Amsterdam terug. Met J. Oudegeest bracht Keesing in 1907 voor de Amsterdamsche Bestuurders Bond een boekje uit met nuttige modellen, staten en aanwijzingen voor de administratie van vakverenigingen: Practische handleiding voor vakvereenigings administratie. Met S.J. Pothuis werkte Keesing deze handleiding om tot het stevige handboek Administratieve kennis. Handleiding ten dienste der arbeiders-vereenigingen, tevens voor cursus-onderricht en zelfstudie (Amsterdam 1912); H. Polak schreef er een nawoord bij. Keesings zin voor systematiek en verwerking van statistische gegevens was al gebleken in de bijzonder efficiënt werkende Commissie voor de Statistiek van de ANDB. Vanaf 1907 maakten de rapporten van deze commissie deel uit van de jaarverslagen van de bond. De statistieken betreffende ziekteverzuim speelden een rol bij het onderkennen en bestrijden van de vroeg intredende arbeidsongeschiktheid van diamantbewerkers. In 1907 begon Keesing statistische overzichten met betrekking tot het werk van het NVV en de moderne bestuurdersbonden in De Vakbeweging te publiceren. Deze maakten hem volgens Fr. de Jong Edz. tot 'de statisticus van het N.V.V.'. Keesing was ook internationaal voor de diamantbewerkers actief. In de zomer van 1907 vertegenwoordigde hij de ANDB met onder anderen S.R. de Miranda op het internationaal congres in St. Claude, in 1910 in Amsterdam. Hij bekritiseerde organisaties die geen rapporten hadden ingestuurd voor het verslag van de secretaris van het Wereldverbond van Diamantbewerkers en vond dat de Franse organisaties te zwakke contributiestelsels kenden. Behalve over de organisatorische kant van de arbeidersbeweging sprak Keesing, zelf lid van de SDAP, zich uit over de verhouding tussen vakbeweging en politieke partij. In De Nieuwe Tijd waarschuwde hij in 1908 in een artikel 'Sociaal-democratie en Vakvereeniging' tegen het gevaar dat sommige sociaal-democraten terwille van 'revolutioneerende leerstellingen' de politiek in de vakbeweging wilden brengen, terwijl zij dit juist anarchisten en confessionelen verweten. In zijn SDAP-afdeling Amsterdam III, waarvan D.J. Wijnkoop en J.C. Ceton voorzitter en secretaris waren, betoonde Keesing zich begin februari 1909 een warm voorstander van de voorstellen van het partijbestuur gericht tegen de Tribunisten, tot en met de mogelijkheid van een royement. De afdeling, die hierin meeging, koos hem als een van de drie afgevaardigden naar het buitengewoon congres in Deventer. Na hun royement uit de partij bleven Wijnkoop en Ceton aanvankelijk als bestuursleden in Amsterdam III zitten. Na een door de drie afgevaardigden opgestelde motie traden zij echter terug. Keesing volgde Wijnkoop als afdelingsvoorzitter op. Kennelijk ambieerde hij geen politieke carrière, want hij droeg de functie in februari 1910 al aan De Miranda over. Met De Miranda en anderen werd hij redacteur van de afdelingsuitgave Het Derde District, die van oktober 1911 tot eind 1913 bestond maar waarvan hij de redactie eerder verliet. Intussen begon bestrijding van werkloosheid de rode draad te worden die door zijn verdere actieve leven zou lopen.

Voor het NVV had Keesing in 1907 gegevens over verzekering tegen de geldelijke gevolgen van werkloosheid verzameld. In zijn eigen bond drong hij, inmiddels bondsraadslid, in hetzelfde jaar in verband met de snel opgelopen werkloosheid aan op spoedige verstrekking van uitkeringen. Hij ontwierp een reglement voor het werkloosheidsfonds, dat in mei 1909 in werking trad. Hij bemoeide zich ook met de reglementswijziging in 1912, toen hogere werkloosheidscijfers de met nogal wat beperkingen omgeven en voornamelijk op crisissituaties ingestelde ANDB-kas voor problemen stelde. In juli 1909 werd hij lid van de Staatscommissie onder voorzitterschap van M.W.F. Treub. Deze moest onderzoeken in hoeverre de regering over middelen beschikte om snel en voldoende ingelicht te worden over de stand van de werkgelegenheid en de werkloosheid in de verschillende bedrijfstakken, alsook wat de regering kon doen ter voorkoming of bestrijding van werkloosheid en de gevolgen daarvan. Uit het rapport dat deze commissie in juni 1914 uitbracht kwamen de Nederlandsche Werkloosheids-Raad en de zogenoemde Noodregeling-Treub voort. Keesing bracht over bepaalde maatregelen met betrekking tot de organisatie van de werkloosheidsverzekering een minderheidsnota uit, die aan het verslag was toegevoegd. Ook het NVV had zich met het vraagstuk van de werkloosheidsverzekering beziggehouden. In een begin 1913 ingestelde commissie was Keesing secretaris van een van de subcommissies. Het rapport dat in mei 1914 verscheen steunde het streven naar een nationale aanpak zoals die dat jaar in de Nederlandsche Werkloosheids-Raad gestalte kreeg. Dit stelde het NVV in staat alert te reageren op de omvangrijke werkloosheid die volgde op het uitbreken van de wereldoorlog begin augustus. De regering benoemde Keesing tot verificateur bij het ten behoeve van de Noodregeling-Treub ingestelde Centraal Bureau voor Werkloosheidsverzekering, een post die volgens De Jong bij droeg tot een sterkere positie van de vakbeweging in de Nederlandse samenleving. In dit kader publiceerde Keesing over werkloosheidsstatistiek en ontwierp hij een Handleiding voor centrale en plaatselijke werkloozenkassen terzake van administratie en statistiek (Den Haag 1917). In 1918 werd hij benoemd tot voorzitter van de Raad van Arbeid te Zaandam, een uitvoeringsorgaan voor de nieuwe wetgeving inzake sociale verzekering. Om deze wetten (Radenwet uit 1913, Invaliditeitswet en Ouderdomswet uit 1919) te populariseren, schreef Keesing het boekje De nieuwe verzekeringswetten (Amsterdam 1920), waarin hij in een leesbare volgorde de aandacht van belangstellenden op de voornaamste wetsbepalingen probeerde te vestigen. Deze nieuwe baan betekende dat hij zijn lidmaatschap van de ANDB moest opzeggen. Hij bleef echter in Laren wonen, waarheen hij in 1912 met zijn vrouw en zijn broer Tobie was verhuisd en waar zij naast de familie Polak woonden. Toen P.J. Troelstra na het paascongres van de SDAP in 1917 nogal vermoeid geraakt was, boden de Keesings hem aan in Laren wat tot rust te komen. Er werd echter vooral aan politiek gedaan, want met J.W. Albarda, H.H. van Kol, F.M. Wibaut en C. Huysmans, de Belgische secretaris van de Tweede Internationale, bereidde Troelstra er de conferentie van Stockholm voor. Ook Keesings broer David combineerde in deze jaren zijn economische belangstelling met linkse politiek. Zo bracht deze voor de Nederlandsche Werkloosheids-Raad een preadvies uit over de invloed van wisselkoersen op de nationale markt en was hij in 1920 onder het pseudoniem O. Vermeer lid van de Socialisatiecommissie van de SDAP, waarin hij het deel over het bankwezen voor zijn rekening nam.

Binnen de nieuwe Raden van Arbeid was Keesing zeer actief. Hij was bestuurslid van de in 1919 gevormde Vereeniging van Voorzitters van Raden van Arbeid, werd in 1921 voorzitter van de Geneeskundige Commissie van Raden van Arbeid, was in 1924 lid van de Mechanisatie-Commissie en nam gedurende de jaren twintig deel aan de ministeriële commissie die de Ziektewet van 1929 voorbereidde. In dat kader maakte hij met anderen een reis naar Duitsland om de ervaringen met het Duitse stelsel te bestuderen. Keesing verdiepte zich daarbij speciaal in het controlevraagstuk. Bij de discussies in 1920-1921 over de herziening van de Ziektewet-Talma was Keesing tegenover E. Kupers van het NVV komen te staan. Hij vond dat het NVV (en ook de SDAP) het vraagstuk te weinig van alle kanten belichtte en daardoor geen evenwichtig oordeel had. Hij verweet Kupers kleinerend over de Raden van Arbeid en smalend over de lnvaliditeitswet te spreken. Dat Kupers de kritiek op het NVV van socialisten als Keesing, E. Boekman en M.J.Th. Vas Dias in verband had gebracht met het feit dat zij allen ambtenaren waren bij de Rijksverzekeringsbank en de Raden van Arbeid keerde Keesing in een spottend artikel 'Sociale wetgeving en mentaliteit' in De Socialistische Gids in 1921 om tot het verwijt van verkeerde mentaliteit en kortzichtigheid bij Kupers. De ontwikkelingen inzake sociale verzekeringen en werkloosheidsbestrijding bleef Keesing op de voet volgen, al gaf hij ook blijk van dichterlijke aspiraties getuige zelfgemaakte sonnetten over Polak en zijn vertaling van enkele klassieke fabelen van de Franse dichter Jean de la Fontaine, die in 1927-1928 werden gepubliceerd in De Socialistische Gids. In De Vakbeweging van het NVV en De Socialistische Gids signaleerde en becommentarieerde hij belangrijke rapporten en trends. Zijn kritiek op het rapport dat in 1931 verscheen over de verzorging van ongehuwde moeders - de minister had in 1929 de Gezondheidsraad gevraagd dit vraagstuk te onderzoeken, en ook een commissie van betrokken verenigingen deed dit - was dat het de vraag achterwege liet hoe het met de wettelijke moederschapszorg in Nederland gesteld was. Zijn eigen overzicht 'Onze moederschapszorg' in De Socialistische Gids leidde tot de conclusie dat het daarmee 'niet al te bijster best' gesteld was en dat ook nadere bestudering van het vraagstuk voor gehuwde verzekerde arbeidsters gewenst was. In zijn toegevoegde informatie over de betreffende Duitse en Franse regelingen benadrukte hij dat deze geen onderscheid tussen gehuwde en ongehuwde vrouwen maakten. Begin 1931 bracht Keesing zijn kritiek op de effecten van het Nederlandse stelsel van werkloosheidsverzekering naar voren in een artikel 'Praeadvies aan de Nationale Vereeniging tegen de Werkloosheid' in het Tijdschrift van den Nederlandschen Werkloosheids-Raad. In Het Volk van 31 januari en 4 februari werkte hij dit verder uit, ondersteund met cijfers van NVV-bonden. Hij pleitte voor reorganisatie van het stelsel nu dit niet meer voldeed en op onvoldoende rechtstreekse medezeggenschap van de vakbeweging berustte. De kritiek op zijn visie vanuit de betrokken Rijksdienst voor Werkloosheidsverzekering en Arbeidsbemiddeling, verwoord door H.J. Morren, vond hij 'smalletjes' omdat deze louter details betrof en alle hoofdzaken buiten beschouwing liet. In De Vakbeweging schreef hij: 'Ik houd er van, groote zaken in groot kader te bezien en de uitwerking van technische détails, hoe belangrijk op zichzelf, pas aan de orde te stellen als het stadium waarin de zaak verkeert, zulks vereischt en men mijn hulp daarbij inroept. Door het horretje van een of andere welwillende inlichting op eenig onderdeel, kan mijn blik zich niet op de toekomst richten.' H. Polak steunde in de Eerste Kamer het preadvies dat Keesing in dit verband voor de Nationale Vereeniging tegen de Werkloosheid had uitgebracht, omdat er een zeer te overwegen rationeel denkbeeld aan ten grondslag lag. Minister van economische zaken T.J. Verschuur antwoordde echter dat het preadvies zich uitsluitend in de sociale sfeer bewoog en het contact met het economisch mogelijke uit het oog verloren had en dat het daarom onverantwoord zou zijn op de erin geuite sociale wensen in te gaan.

In de jaren dertig bleef Keesing, nu werkzaam als voorzitter van de Raad van Arbeid in Utrecht, voor zijn opvattingen opkomen, al publiceerde hij minder in organen van de arbeidersbeweging. Binnen de Raden van Arbeid speelde hij een rol bij het tot stand brengen van samenwerking tussen de Raden van Arbeid en de Federatie van Bedrijfsvereenigingen in 1930. Hij was hoofdredacteur van het semi-officiële orgaan van de Raden van Arbeid, De Sociale Verzekeringsgids, met als redacteuren J. van Bruggen, H.L. van Duyl, L.G. Kortenhorst, F.S. Noordhoff en E.B.F.F. Wittert van Hoogland. Keesing was nog steeds voorzitter van de Geneeskundige Commissie en werd geprezen om zijn 'uitnemende leiding' daarvan. Toen de Hooge Raad van Arbeid in 1938 een commissie instelde om te adviseren over de nieuwe wetgeving inzake werkloosheidsverzekering werd Keesing plaatsvervangend lid voor Wittert van Hoogland. In 1939 werd Keesing opnieuw actief in het bestuur van de Vereeniging van Voorzitters van Raden van Arbeid. Zijn band met NVV en SDAP was intussen beduidend losser geworden en zijn vriendschap met Polak bekoeld. Wellicht speelde hier een verschuiving in sympathie van sociaal-democratie naar vrijzinnig-democraten een rol, mogelijk kreeg ook Kupers alsnog gelijk met zijn veronderstelling dat Keesings mentaliteit intussen meer die van de overheid dan van de beweging geworden was. Bij de inval van de Duitsers in mei 1940 deden Keesing en zijn vrouw een poging tot zelfdoding. Gealarmeerde buren sloegen echter een ruit in. Na een langdurig verblijf in het ziekenhuis genazen Keesing en zijn vrouw van de gasvergiftiging. Op 1 februari 1943 moesten zij Laren verlaten en begon via Amsterdam de reis die enkele maanden later in Sobibor eindigde.

Archief: 

Archief I. Keesing in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 285).

Publicaties: 

Behalve de genoemde: 'Organisatie der Nederlandsche coöperaties' in: De Nieuwe Tijd, 1904, 281-288; 'Arbeiders-coöperaties en verzekeringsfondsen' in: De Nieuwe Tijd, 1904, 439-449; Feiten en cijfers betreffende het vraagstuk van verzekering tegen de geldelijke gevolgen van werkeloosheid in Europa, in het jaar 1906 (Amsterdam 1907; met voorwoord van H. Polak); 'Stakingsstatistieken', 4 afleveringen in: De Vakbeweging, 15.11, 1.12, 15.12.1907 en 1.1.1908, 11-12, 19-20, 27-28, 36-37; 'Fransche en Duitsche methode' in: De Vakbeweging, 1.12.1907, 18-19; (met J.J. Poortier) Coöperatie (Baam 1908; Pro en Contra IV, 10); 'Een rapport' in: De Vakbeweging, 1.3.1909, 34-35; 'Jaarverslagen van Bestuurdersbonden' in: De Vakbeweging, 15.4.1909, 60; 'Eerste statistiek der loonsbewegingen, stakingen en uitsluitingen, van bij het N.V.V. aangesloten bonden, in het jaar 1908' in: De Vakbeweging, 1.10.1909, 149-155; 'Statistiek der Bestuurdersbonden' in: De Vakbeweging, 15.5.1910, 80; 'Tweede statistiek der Stakingen, Uitsluitingen en verdere Vakacties van bij het N.V.V. aangesloten bonden, in het jaar 1909' in: De Vakbeweging, 1.11.1910, 164-172; 'Vierde Statistiek der Bestuurdersbonden ... naar eene Enquête in December 1910 door het Ned. Verbond van Vakvereenigingen' in: De Vakbeweging, 7.7.1911, 109-116; 'In de achterhoede' in: De Vakbeweging, 28.8.1914, 144-145; 'Werkloosheidsstatistiek' in: Tijdschrift der Nationale Vereeniging tegen de Werkloosheid, 1914, 131-153; 'Om de Ziektewet' in: Sociale Voorzorg, december 1920; 'De tegenwoordige statistiek der werkloosheid in de vakbonden' in: Tijdschrift der Nationale Vereeniging tegen de Werkloosheid, 1917, nr. 2; 'Het Engelsche stelsel van verzekering tegen de geldelijke gevolgen van werkloosheid' in: Tijdschrift van den Nederlandschen Werkloosheids-Raad, 1924, nr. 1, 31-43; 'Reorganisatie der werkloosheidsverzekering' in: De Socialistische Gids, 1926, 167-178; 'Twee rapporten over sociale verzekering' in: De Socialistische Gids, 1928, 316-334; 'De rechtspraak bij de werkloosheidsverzekering' in: De Vakbeweging, 1928, 298-302; 'Uit de jaarverslagen der Raden van Arbeid' in: De Vakbeweging, 1928, 571-573; 'Toepassing van artikel 99 der Invaliditeitswet' in: Tien jaren Raden van Arbeid (Haarlem 1930) 309-340; 'Verschillende methoden van werkloosheidsbestrijding' in: De Socialistische Gids, 1931, 230-242; 'Een en ander over onze werkloosheidsverzekering' in: De Vakbeweging, 1931, 171-178; Querido's initialenregister betreffende gangbare initialen en afkortingen op sociaal, economisch en politiek gebied (Amsterdam 1932); 'Het kapitalisme en de werkloozen' in: De Vakbeweging, 1932, 49-56; 'Van bedeeling via werkloozenverzekering naar bedeeling' in: De Vakbeweging, 1933, 23-28, 68-74, 121-126; VA.R.I.A. Verklarend alfabetisch register van initialen en afkortingen (Deventer 1937; herziene en sterk vermeerderde druk van de uitgave uit 1932).

Literatuur: 

C.A. van der Velde, De A.N.D.B. (Amsterdam 1925); G.J. Goedhart, De ontwikkeling van de werkloosheidsverzekering in Nederland (Amsterdam 1926) 115; J. Oudegeest, De geschiedenis der zelfstandige vakbeweging in Nederland (Amsterdam 1926, 1932) I, 381, 473, II, 53; P. Hoogland, Vijf en twintig jaren sociaal-democratie in de hoofdstad (Amsterdam 1928) 115-116; Troelstra, Gedenkschriften IV, 114; E.B.F.F. Wittert van Hoogland, De parlementaire geschiedenis der sociale verzekering 1890-1940 (Haarlem 1940) I, 244, 254, 671, II, 527; P.L. Gerritse, Van arbeid en groei. Uit de geschiedenis van de Vereeniging van Raden van Arbeid 1920-1940 (z.pl. 1940); Fr. de Jong Edz., Om de plaats van de arbeid (Amsterdam 1956) 120, 131; Voor buurt en beweging (Amsterdam 1984) 96, 101; H. Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP (Amsterdam 1990) 556, 564, 576, 732; G.W.B. Borrie, Monne de Miranda. Een biografie (Den Haag 1993); S. Bloemgarten, Henri Polak sociaal democraat 1868-1943 (Den Haag 1993).

Portret: 

I. Keesing, uit: Verslag van het tiende boekjaar 1 November 1910 - 31 October 1911 van de Algemeene Arbeiders-Coöperatie (Amsterdam z.j.)

Auteur: 
Bob Reinalda
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 113-119
Laatst gewijzigd: 

00-00-1995