KOE, Anne de

Anne de Koe

tolstojaan en directeur Ons Huis te Rotterdam, is geboren te Lemmer op 2 oktober 1866 en overleden te Lochem op 3 april 1941. Hij was de zoon van Hylke de Koe, kandidaat-notaris, en Reinschje Landmeter. Op 11 augustus 1896 trad hij in het huwelijk met Allegonda Thieme, met wie hij drie dochters kreeg.

Zoals zijn oom Jelle Troelstra - de moeder van De Koe was een zuster van de moeder van P.J. Troelstra - eigen plannen had met zijn zoon Pieter Jelles, zo had de vader van De Koe die met zijn zoon. Deze zou voor de registratuur moeten worden opgeleid. De eigenzinnige jongen koos echter anders. Het kwam tot heftige botsingen, waarbij De Koe een houding aannam van 'alles of niets'. Al jong koos hij voor de onderliggende partij. In 1889 schreef hij zich als theologisch student te Leiden in. Daar behoorde hij tot de 'mensen van het ernstig levensbesef' en hielp hij mee een 'omkeer in het studentenleven' te bewerkstelligen. Volgens De Koe, die in lezingen een radicaal geluid liet horen, was de tijd van het dogmatisch preken voorbij en kwam het voortaan op de christelijke daad aan. De vakken sociologie en economie zouden ook voor aanstaande predikanten verplicht moeten worden gesteld. De dominees zouden eigenlijk, alvorens op de preekstoel te gaan staan, als arbeider moeten werken. Een sober leven, solidair met de arbeiders, moest voor de volgelingen van Jezus van Nazareth vanzelf spreken, aldus De Koe, die als student deelnam aan het door Emilie Knappert bevorderde Toynbeewerk in Leiden.

Na vier jaar als Nederlands-Hervormd predikant te Nieuwveen (Z.H.) gewerkt te hebben, kwam De Koe in 1898 te Den Helder, waar hij met de marinemensen van Nieuwediep te maken kreeg. Het was te verwachten dat De Koe als anarcho-communist, tolstojaan en dus anti-militarist met de marineleiding moest botsen. Zijn conflict, dat tot in de Tweede Kamer werd besproken, gaf De Koe het gevoel dat hij niet in de kerk paste. Hij legde daarop het ambt neer en voegde zich in 1901 met zijn gezin bij de Internationale Broederschap, de kolonie van zijn vriend S.C. Kylstra te Blaricum. In 1902 trok het gezin naar Fr. van Eedens Walden, waar De Koe administrateur werd. De principiële opzet van Van Eedens 'binnenlandse kolonisatie' en de ideeën van de Vereeniging Gemeenschappelijk Grondbezit (GGB) leken hem de juiste. Hij kreeg echter al spoedig ruzie met Van Eeden. De geest van het 'fin de siècle' met enerzijds diep pessimistische gevoelens en anderzijds romantiek en blijmoedig vertrouwen in de oneindige mogelijkheden van de mens maakte dat ook De Koe mee wilde helpen een christelijk eiland in een onchristelijke wereld te bouwen en net als Leo Tolstoj een voorbeeldfunctie in de wereld te vervullen. De geschriften van De Koe getuigen van begrippen als licht, liefde, vrede, reinheid en harmonie. De nuchtere werkelijkheid van het kolonieleven leerde de deelnemers echter dat zij deze woorden inhoud moesten geven en dat zij daartoe vaak evenmin in staat waren als de buitenstaanders. In 1903 verliet het gezin Walden. Nadat De Koe een tijdlang overspannen te Sexbierum bij zijn ouders had gewoond, vestigde het gezin zich te Bussum, waar De Koe rechten en staatsinrichting studeerde. In het laatste vak haalde hij de middelbare akte. Te Bussum was hij raadslid voor de SDAP, waarvan hij als tolstojaan toch lid geworden was. Voor de Amsterdamse gemeenteraad bracht hij als rapporteur een verslag uit over de werklozenverzekering. In 1908 volgde zijn benoeming tot directeur van het pas geopende Ons Huis in Rotterdam. Hier vond hij zijn bestemming. Op het toen nog braakliggend terrein van het volkshuiswerk en de gemeenschapsvorming werd hij in ons land en elders een autoriteit. Ook te Rotterdam was hij raadslid voor de SDAP. De Koe, die zo zijn eigen ideeën had en vaak lastig kon zijn, was moeilijk tot compromissen te bewegen, waardoor botsingen niet uitbleven. In 1929 vroeg en kreeg hij vervroegd pensioen. Het echtpaar vestigde zich te Lochem, van waaruit De Koe 's zomers en 's winters door zijn geboorteland trok op zoek naar resten van oude volkscultuur en vroege religie. De Koe trad op voor het Frysk Sosiael-demokratysk Ferbân. Op het eind van zijn leven werd hij geplaagd door ziekte, maar hoewel hij erg moest lijden, weigerde hij de hulp van artsen.

Archief: 

Collectie A. de Koe in Provinciale Bibliotheek van Friesland (Leeuwarden) Hs 824-828 en in Frysk Letterkundich Museum en Dokumentaesjesintrum (Leeuwarden).

Publicaties: 

Kristelik anarchisme' in: Vrede, 15.6.1898; Afscheid van de kerk (Den Haag 1901); 'n Preek en wat er van kwam (Amsterdam 1899); 'Het doorgangshuis in het Gooi' in: Het Volk, 21.5.1903; 'Rampzalig Walden' in: Het Volk, 27.5.1903; 'Dus nog erger' in: Het Volk, 6.6.1903; Doelen middelen van het volkshuiswerk. Inleiding (z.pl. circa 1913); 'Ons Huis en de Volksuniversiteit' in: Inleidingen gehouden op de conferentie voor volkshuiswerk in 'Ons Huis' (Rotterdam 1921); 'Een Engelsch-Duitsche vacantieschool' in: Volksontwikkeling, 1923; Oude Nederlandse volksdansen (Amsterdam, 1927-1929, l935-19552; met A. Sanson-Catz); Problemen der vrije volksontwikkeling (Amersfoort 1929); 'In hoeverre eischt de politieke radicaliseering der grootstedelijke bevolking wijziging van de taak der volkshuizen?' in: Volksontwikkeling, 1933; Psalmen, songen yn 'e fryske tsjinst y 'e Himster tsjerke (Lochem 1933); 'Voorrede' in: W.C. Bijl e.a., Volksontwikkeling. Beginselen en practijk (Arnhem 1938); Bibliografie van en over A. de Koe in Provinciale Bibliotheek van Friesland (Leeuwarden) A 4145.

Literatuur: 

Ds. A. de Koe en de marine' in: Teekenen des Tijds, 1899, 393-398; J.J. Heep, De vier hoofdrichtingen onder de Protestanten in Nederland. De jongeren of Tolstoianen (Leeuwarden 1901); 'De kolonie der Internationale Broederschap te Blaricum' in: Nieuw Leven, 21. en 28.9.1901; 'Ds. A. de Koe verlaat "Walden" in: De Blijde Wereld, 13.2.1903; J.T. Woudstra in: Bondsblad, Orgaan van de Bond van Leerlingen en Oud-leerlingen van de School voor Maatschappelijk Werk te Amsterdam, februari 1930; A.R. Scholten, 'Tolstoyisme yn Fryslân' in: Leeuwarder Courant, 3.8.1937; 'A. de Koe overleden' in: De Brandaris, Orgaan van de ontwikkelingsclub der Ver. Ons Huis, Rotterdam, 10.5.1941; J.J. Meyer in: Leeuwarder Nieuwsblad, 19.4.1941; J. Piebenga in: It Heitelân, 1941, 71-73; K. Proost, Weg en Werk. Een eeuw drankbestrijding (Utrecht 1941); R. Jans, Tolstoj in Nederland (Bussum 1952); S.P. de Roos, Ons Huis Rotterdam 1909-1959 (Rotterdam 1959); 'A. de Koe. Een poging tot profilering. Rotterdammer "Ons Huizers" aan het woord' in: De Schalm, 1965, 323-330; Becker, Frieswijk, Bedrijven; J.J. Kalma in: Leeuwarder Courant, 17.7. en 13.11.1976; J.M. Welcker, Heren en arbeiders (Amsterdam 1978); J.S. de Ley, B. Luger, Walden in droom en daad (Amsterdam 1980); M.W.J.L. Boersen, De kolonie van de Internationale Broederschap te Blaricum (Blaricum 1987); H. Nijenhuis, Werk in de schaduw. Club- en buurthuizen in Nederland, 1892-1970 (Amsterdam/Utrecht 1989); B. Mulder, 'De sosjaal-demokrasy en it Frysk: kultuerpolityk yn etappes' in: M. de Bok, J. Frieswijk, B. Mulder (red.), 110 jaar sociaal-democratie in Friesland (Akkrum 1994); L. Heyting, De wereld in een dorp. Schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren en Blaricum 1880-1920 (Amsterdam 1994).

Portret: 

A. de Koe, particulier bezit

Auteur: 
J.J. Kalma
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 102-104
Laatst gewijzigd: 

26-08-2002