LAMMERS, Casper Antonius Franciscus

Casper Antonius Franciscus Lammers

bestuurder moderne meubelmakersbond en NVV-geschiedschrijver, is geboren te Amsterdam op 2 februari 1885 en aldaar overleden op 6 mei 1966. Hij was de zoon van Johannes Hendrikus Lammers, schrijnwerker, en Anna Maria Leber, naaister. Op 15 augustus 1912 trad hij in het huwelijk met Maria Suzanna Roovers, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.

Lammers groeide als een van zes kinderen op in een katholiek gezin. Zijn vader, die veel belangstelling had voor literatuur en geschiedenis, raakte tijdens de uitoefening van zijn werk aan één oog blind, waardoor hij regelmatig gedwongen werd een andere werkkring te zoeken en met zijn gezin te verhuizen. Moeder Lammers verdiende bij door naaiwerk te verrichten. Lammers volgde in Groningen de katholieke lagere school, Op zijn twaalfde begon hij als meubelmakersleerling, daarnaast zat hij korte tijd op een tekenschool. Ook was hij actief in de jongerencongregatie van de Paters Jezuïeten, maar toen hij daar voorstelde Het Kapitaal van K. Marx te gaan bestuderen, kwam aan dat lidmaatschap een eind. Niet lang daarna zei Lammers het katholicisme vaarwel en beschouwde zich voortaan als atheïst. In die tijd ook werd hij lid van de SDAP.

Vanaf zijn achttiende ontplooide Lammers naast zijn werk als meubelmaker ook activiteiten in de vakbeweging. In 1903 werd hij in Groningen lid en twee jaar later secretaris van de plaatselijke organisatie van meubelmakers. Als lid van de jongere generatie in deze bond probeerde hij de koers in moderne richting om te buigen. Toen hij in 1911 in Den Haag ging werken werd hij lid van de in 1908 opgerichte Algemene Nederlandse Bond van Meubelmakers, Behangers, Houtbewerkers en aanverwante vakgenoten (in het spraakgebruik afgekort tot Meubelmakersbond). Korte tijd later zat hij al in het afdelingsbestuur. Lammers manifesteerde zich als een veelbelovend vakbondsbestuurder, hij maakte de notulen van leden-en bestuursvergaderingen en leverde een bijdrage aan de discussies over tactiek en de uitvoering van acties. In juli 1918 kwam hij als afdelingsbestuurder in Rotterdam in bezoldigde dienst van de bond. Jarenlang zetten de leden van de bond zich in voor erkenning van hun organisatie, die een feit werd met de eerste collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) die in 1917 met de werkgevers werd afgesloten en die de arbeidsvoorwaarden van de arbeiders in het meubelmakers- en behangersbedrijf voor het gehele land regelde. In zijn brochure Versterkt de gelederen. Een aansporing tot de georganiseerden om hun vakbond te versterken (Amsterdam 1930) legde Lammers nog eens de nadruk op de grote betekenis van dit contract: 'Het collectief contract van 1917 bracht verbetering in de loonen. Het bracht ons een begin van vacantie, nl. drie dagen. Het bracht ons voorts de doorbetaling van loon op Christelijke feestdagen, alsmede den tienurendag. Het regelde de arbeidsvoorwaarden voor den duur van drie jaren en niemand, ook niet de stoutste optimisten onder ons, hadden kunnen vermoeden, dat bij den afloop van dit contract de tienurendag en de 60-urige werkweek reeds plaats hadden moeten maken voor een werkdag van 81/2 uur en een 48-urige werkweek en dat de loonen meer dan het dubbele zouden bedragen van hetgeen contractueel overeengekomen was.'

In 1920 werd Lammers tot secretaris van de Meubelmakersbond gekozen. Het betekende een verhuizing met zijn gezin naar zijn geboorteplaats Amsterdam. Onderbroken door de vijf oorlogsjaren zou Lammers tot zijn pensionering op 62-jarige leeftijd in 1947 deel uitmaken van het dagelijks bestuur van de bond. Omdat C. Woudenberg in 1929 secretaris van de SDAP werd nam Lammers het voorzitterschap van de Meubelmakersbond van hem over, tijdelijk tot het eerstvolgende congres in 1931 en vervolgens definitief. Lammers stond voor de moeilijke taak de bond door een tijd van economische crisis en werkloosheid te loodsen. Daarom zette hij zich er niet alleen voor in om de leden te binden aan de bond, maar deed hij ook af en toe een appél aan het geweten der ongeorganiseerden om lid te worden. Begin jaren dertig boekte de bond nog wel successen. in 1930 bijvoorbeeld werd de werkweek in het rietmeubelbedrijf te Noordwolde van 55 naar 48 uur teruggebracht en werden minimumlonen vastgesteld voor een groot aantal beroepen in de meubelbranche. De bond werd steeds meer tot een defensieve koers gedwongen. Er waren voortdurend conflicten met werkgevers over het tot stand brengen en de correcte uitvoering van CAO's. Het ledental liep terug. Pas op 1 januari 1940 was er weer sprake van een ledenwinst.

Vanwege het voorzitterschap van de Meubelmakersbond ging Lammers in 1931 ook deel uitmaken van de Hoofdbesturenvergadering van het NVV. Tevens werd hij redacteur van het bondsorgaan Ons Vakblad, waarvoor hij al sinds de jaren twintig regelmatig met kennis van zaken en een vlotte pen schreef over uiteenlopende onderwerpen zoals bondsactiviteiten, ontwikkelingen in de bedrijfstak, stakingen, arbeidsvoorwaarden, het Plan van de Arbeid, de vakbeweging en maatschappelijke kwesties als militarisme, fascisme en communisme. Hij volgde eveneens de politieke en sociaal-economische ontwikkelingen in het buitenland, hetgeen blijkt uit boekbesprekingen en feuilletons, bijvoorbeeld over de Verenigde Staten, India en China. Lammers was net als andere bondsbestuurders van mening dat hij een educatieve taak en verantwoordelijkheid had ten opzichte van de bondsleden. Zijn naam is ook verbonden aan bladen als Het Jonge Volk van de Arbeiders Jeugd Centrale en De Sociaal-Democraat van de SDAP. Op verzoek van E. Boekman, redacteur van de Nieuwe Internationale Bibliotheek, schreef Lammers een boek over de vakbeweging: De vakbeweging en haar problemen (Amsterdam 1935), waarvan in 1951 een bewerkte en uitgebreidere versie verscheen die Lammers na zijn pensionering maakte. Vanuit een sociaal-democratische, moderne vakbewegingsvisie gaf Lammers in dit boek een heldere socio-historische uiteenzetting over de vakbeweging. Hij nam afstand van de volgens hem afbrekende tactiek en strategie van het Nationaal-Arbeids-Secretariaat, in de tweede druk werd daar de Eenheids Vakcentrale (EVC) aan toegevoegd. Hij verwierp de gedachte dat de moderne arbeidersbeweging belichaamd in SDAP en NVV antigodsdienstig zou zijn. Ook besteedde hij aandacht aan het voor de jaren twintig en dertig actuele vraagstuk van de rationalisatie in bedrijven en wijdde hij een hoofdstuk aan theorie en praktijk van solidarisme en klassenstrijd. Lammers stelde kernachtig dat voor de verwerkelijking van de eis van socialisatie klassenstrijd noodzakelijk was, hetgeen hij afzette tegen het door de rooms-katholieke sociale beweging gepropageerde streven naar bedrijfsorganisatie door toepassing van vreedzaam overleg tussen werkgevers en arbeiders. Lammers' ervaring was dat 'de arbeidsvoorwaarden en sociale verhoudingen niet alleen worden bepaald door begrippen van recht en billijkheid, maar ook en vooral door de machtsverhoudingen tussen partijen'. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg Lammers, die tijdens de bezetting werkte als controleur van vakopleidingen in de houtindustrie, als secretaris van de Bedrijfsunie in het Meubilerings- en Houtbedrijf de gelegenheid solidarisme en klassenstrijd met elkaar te verzoenen. In de tweede druk van De vakbeweging en haar problemen liet hij opmerkelijk genoeg het hoofdstuk over de verbindendverklaring van CAO's weg. Ook de Wet op het algemeen verbindend en onverbindend verklaren van bepalingen van CAO's uit 1937 ontbrak. Lammers kon zich er mee verenigen dat de vroegere loonpolitiek was vervangen door een door de overheid geleide en beheerste loonpolitiek.

In het begin van de Duitse bezetting sprak het bondsbestuur van de Meubelmakersbond de wens uit dat afdelings- en bondsbestuurders op hun post zouden blijven om de eerste ontreddering te overwinnen. Na onenigheid met de Duitsers werd Lammers midden augustus 1940 ontslagen. De nationaal-socialist K. Wentink werd als zijn opvolger aangewezen. Lammers' collega's J. Spaltman en W. Hiestand, secretaris en penningmeester van de bond, boden vervolgens schriftelijk hun ontslag aan, maar onder grote druk van de bezetter en om te voorkomen dat de bond geheel in nationaal-socialistisch vaarwater zou komen trokken ze uiteindelijk hun ontslag in. De leden reageerden verdeeld op de vraag in hoeverre nu echt zonder inmenging van bovenaf behoorlijk werk voor de vakgenoten kon worden verricht. Aan het eind van het eerste oorlogsjaar had ongeveer tien procent van de leden het lidmaatschap opgezegd. Op het moment dat in mei 1942 het Nederlands Arbeidsfront werd opgericht vertrok het merendeel van de overige leden en de bestuurders, inclusief Spaltman en Hiestand. Met deze beiden nam Lammers in 1945 de touwtjes van de Algemene Bond van Meubelmakers en Houtbewerkers weer in handen. Lammers maakte bovendien deel uit van de Ereraad van het NVV. Als rechtgeaard sociaal-democraat was hij een verklaard tegenstander van een fusie van het NVV met de EVC, die naar zijn mening een communistische mantelorganisatie was. Op zijn verzoek plaatste de Algemene Raad van het NVV de verhouding tot de EVC op de agenda van 22 januari 1947. In de Hoofdbesturenvergadering van het NVV van 18 maart werd het besluit genomen de onderhandelingen met de EVC definitief af te breken.

Ondanks een korte periode als invaller in de SDAP-fractie van de Amsterdamse gemeenteraad in de jaren twintig en een enkele plaatsing op een kandidatenlijst (zoals bij de Kamerverkiezingen van 1937), was voor Lammers geen politieke loopbaan weggelegd. Op 1 juli 1947 ging hij met pensioen. Hij vervulde nog enkele organisatorische functies op het sociale vlak. Zo maakte hij deel uit van de besturen van de Vereniging van Oud-Bestuurders der Algemene (N.V.V.) Vakbeweging, de Algemene Woningbouw Vereniging en de coöperatie Samenwerking. Hij overleed in het Willem Dreeshuis te Amsterdam, dat onder zijn supervisie werd gebouwd.

Publicaties: 

Geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging en haar taak nu (Amsterdam z.j.); Hoe het groeide. Een beknopte beschouwing over het ontstaan, de ontwikkeling en de beteekenis van het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen (Amsterdam 1927); De jongeren en de vakbond. Een aansporing tot de jongere arbeiders in het meubel- en behangersbedrijf om met de oudere collega's in de organisatie te strijden voor verbetering van hunne maatschappelijke positie (Amsterdam 1928); De moderne vakbeweging (z.pl. z.j.); Het NVV: zijn ontstaan, groei en betekenis (Amsterdam 1948).

Literatuur: 

Memorandum over het beleid van het bondsbestuur gedurende de oorlogsjaren mei 1940 - mei 1945 (Amsterdam z.j.); 'In memoriam C.A.F. Lammers' in: De Vakbeweging, 24.5.1966; 'In memoriam C.A.F. Lammers' in: Ons bondscontact, 30.5.1966; G. Harmsen, B. Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid (Nijmegen 1975); H. Righart, J. Ramakers, Steigers weg! Bouw- en Houtbonden van verdeeldheid naar eenheid 1945-1981 (Baam 1982); E. Hueting, Fr. de Jong Edz., R. Ney, Naar groter eenheid (Amsterdam 1983); J.P. Windmuller, C. de Galan, A.F. van Zweeden, Arbeidsverhoudingen in Nederland (Utrecht 19876); J. Sprenger, 'Bouw- en houtbonden in bezettingstijd: Schipperend tussen aanpassing en verzet' in: FNV Magazine, 19.5.1990.

Portret: 

C.A.F. Lammers (1949, foto Cor van Weele), particuliere collectie

Auteur: 
Harry Peer
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 132-135
Laatst gewijzigd: 

00-00-1995