LAST, Josephus Carel Franciscus

Josephus Carel Franciscus (Jef) Last

(roepnaam: Jef), socialistisch en communistisch schrijver, dichter en journalist, is geboren te 's-Gravenhage op 2 mei 1898 en overleden te Laren op 15 februari 1972. Hij was de zoon van Carel Christiaan Anthony Last, hoofdinspecteur van de arbeid, en Helena Johanna Maria Verstijnen. Op 11 januari 1923 trad hij in het huwelijk met Ida ter Haar, met wie hij drie dochters kreeg. Op 28 mei 1938 werd dit huwelijk ontbonden, waarna hij op 9 mei 1946 opnieuw met haar trouwde.

Last kwam uit een gegoede burgerlijke familie. Zijn moeder was een plantersdochter, zijn vader hoofdinspecteur van de arbeid. Uit zijn vaders functie vloeide een regelmatige overplaatsing voort. De jeugdjaren van Last speelden zich af in respectievelijk Den Haag, Leeuwarden, Venlo, Deventer en Amsterdam. Last vergezelde zijn vader vaak op diens inspectiebezoeken, wat hem al op jeugdige leeftijd de ogen opende voor de vaak onterende omstandigheden waarin arbeiders moesten werken. Toen hij in 1914 een tijdje als padvinder in Engeland was, kwam hij 'als een kleine opstandeling' terug. Hij las alle revolutionaire literatuur die er te vinden was, van Multatuli tot de Franse socialisten en utopisten. In 1916 werd hij van de christelijk Hoogere Burger School in Amsterdam verwijderd, omdat hij onhandelbaar was. Dat had ook te maken met het zeer slechte huwelijk van zijn ouders, waar de rechtlijnigheid van de vader botste met de vrolijke, kunstzinnige instelling van de moeder. Zij scheidden in datzelfde jaar. Last deed eindexamen in Alkmaar. Hierna werd hij actief in een volkshuis in Amsterdam en ging werken bij de mijnen in Limburg. De Russische Revolutie was voor hem de aanzet tot het bestuderen van de werken van K. Marx en in 1917 werd hij lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). In 1918 ging hij Chinees studeren in Leiden. Hij werd er lid van het studentencorps maar week al snel uit naar Katwijk, waar hij zich onder de vissers goed thuis voelde. Hij schreef felle artikelen in het studentenblad Virtus. In 1919 brak hij zijn studie af en vervulde zijn dienstplicht bij de marine. Hierna volgde een zoekende tijd met diverse baantjes, onder andere als assistent-bedrijfsleider bij de kunstzijdefabriek Enka in Ede. Ook verbleef hij negen maanden in de Verenigde Staten van Amerika. In 1923 trouwde hij met Ida ter Haar, de dochter van een rector van een gymnasium te Delft. In rap tempo kregen zij drie dochters. In 1925 kreeg Last een functie bij de toen opgerichte culturele organisatie van de SDAP en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen, het Instituut voor Arbeiders-Ontwikkeling (IvAO). Als hoofd van de filmdienst reed hij met de 'Roode Auto' het land door. Zijn politieke denkbeelden werden steeds minder vrijblijvend. Waren zij eerst een humanitaire vorm van sociale bewogenheid, een 'liefde voor de maatschappelijke underdog', na 1926 radicaliseerde Last binnen de SDAP. Hij schreef tientallen artikelen in sociaal-democratische bladen als Opgang, Het Volk, De Notenkraker, De Socialistische Gids en Eenheid. Nu ging zijn creatieve ader pas goed vloeien en de bundel Bakboordslichten, Verzen (Amsterdam 1926) was de eerste in een stroom van poëzie, proza, artikelen en reportages. Voorlopig echter beheerste de politiek zijn leven nog. Hij werd lid van de Liga tegen Imperialisme en Koloniale Onderdrukking, waar hij Henriette Roland Holst, Henk Sneevliet en Mohammed Hatta leerde kennen. Uit onvrede met de politiek van de SDAP tegenover Nederlands-Indië nam hij ontslag bij de filmdienst en verhuisde met vrouw en kinderen naar Rotterdam. Daar haalde hij zijn akte Lager Onderwijs en werkte een tijdje als invalskracht op een lagere school. Ook vond hij werk bij de Zuiderzeewerken en in een manometerfabriek. In 1928 werkte hij als scenarioschrijver en als acteur mee aan de film 'Branding' door Joris Ivens en Mannus Franken. Zijn eerste novelle verscheen onder dezelfde titel (Arnhem 1930). Niet alleen maakte Last hiermee naam als auteur, ook vond hij steeds meer inspiratie in de antikoloniale en revolutionaire strijd. In een brief van 15 januari 1930 nam hij afscheid van de SDAP: 'De partij is verkiezingspartij geworden welke geen enkele poging meer doet om de zelfwerkzaamheid der massa's te steunen'. Hij werd lid van de Revolutionair Socialistische Partij (RSP) en sloot zich aan bij het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS), waarvoor Last en zijn vrouw zich verdienstelijk maakten in het ontwikkelingswerk, in volkshuizen en in tehuizen voor moeilijk opvoedbare kinderen. Ook was hij secretaris van de Commissie voor Sociale Wetgeving van het NAS en voorzitter van de jeugdorganisatie. Bovendien was hij voorzitter van de culturele vereniging van het NAS, de Vereeniging voor Volksontwikkeling (VVVO). In 1930 was hij nauw betrokken bij de redactie van het blad De Baanbreker en liet hij in De Nieuwe Weg een oproep afdrukken tot oprichting van de bond Links Richten, een collectief van arbeiders en schrijvers met als doel 'het driejarenplan voor de revolutionaire literatuur te ontwerpen'. Dat lukte, met als eerste concreet resultaat het toneelstuk 'Hollands Welvaren' (Amsterdam 1935). Het gezin Last verhuisde terug naar Amsterdam, waar het verder, op diverse plekken, zou blijven wonen. In juli 1931 geraakte Last in ernstig conflict met de RSP en het NAS ('Gij zijt geen chauffeur noch varensgezel van uw beroep, maar kunstenaar'), waarna hij en zijn vrouw elke activiteit voor deze organisaties zouden beëindigen. Deze breuk betekende het einde van een periode waarin Last zich als fulltime, bezoldigde beroepskracht had ingezet voor de arbeidersbeweging . Hierna werden zijn literaire activiteiten het belangrijkst. Elk jaar verscheen wel een nieuwe roman, een gedichtenbundel en tientallen artikelen in nationale en internationale kranten. Last is wel eens slordigheid verweten, maar te bedenken is dat hij met zijn schrijven en spreekbeurten een gezin met drie jonge kinderen te onderhouden had.

Inmiddels was Last onder de indruk geraakt van de Sovjet-Unie, waar hij in november 1931 voor de eerste maal was om een reportage te schrijven voor Het Leven. In 1932 ging hij als Nederlands referent werken bij de Internationale Vereniging voor Revolutionaire Schrijvers in Moskou en maakte hij een grote reis door de Oeral. Pas het jaar daarop verscheen zijn boek hierover Het stalen fundament (Amsterdam 1933), het enige boek waarvan Last zich gedistantieerd heeft. Na deze reis, eind 1932, werd hij lid van de Communistische Partij in Nederland (CPN). In 1933 publiceerde hij veel. Naast een stroom van literaire en politieke artikelen, verschenen de roman Partij remise (Amsterdam), de novelle De vlucht van de opstandeling (Amsterdam) en de dichtbundels Twee werelden (Rotterdam) en Onder den koperen ploert (Amsterdam). Wat betreft het door politieke vrienden van M. van der Lubbe uitgegeven Roodboek (1933) sloot hij zich aan bij het negatieve partijstandpunt. Last ging regelmatig naar Parijs om Duitse vluchtelingen te helpen en raakte onder de indruk van het Franse proletariaat en intellectuelen als Louis Aragon en André Malraux. Voor hem als schrijver was de belangrijkste ontmoeting die met André Gide, die hij hoorde spreken op het Europese congres voor antifascistische schrijvers in de Salle Pleyel. Onder diens invloed schreef hij de roman Zuiderzee (Amsterdam 1934), waarin voor het eerst homoseksualiteit een duidelijke rol speelt. Ook vertaalde hij veel werk van Gide in het Nederlands. Had hij in Links Richten met het genre van de burgerlijke literatuur afgerekend ('Kameraden, de tijd is rijp, de burgerlijke literatuur sterft aan haar eigen rotheid'), nu zouden zijn poëzie en proza toch iets meer in het licht van de literaire schoonheid dan van de revolutionaire boodschap staan. Met Gide maakte hij de reis naar de Sovjet-Unie, die eind 1936 Gides kritische Retour de l'URSS zou opleveren, een boek dat zijn goede vriend Last, die inmiddels aan het front van de Spaanse burgeroorlog vocht, in grote problemen bracht. Last nam deel aan deze oorlog en bracht het tot kapitein. Hij stelde zich steeds kritischer op ten opzichte van de aldaar gevoerde communistische politiek. Toen een krijgsraad, waarin communisten de toon aangaven, hem eind 1937 ter dood veroordeelde, wist Last naar Scandinavië te vertrekken. Op 2 maart 1938 zei hij zijn lidmaatschap van de CPN op. Inmiddels had zijn vrouw, om in haar levensonderhoud te voorzien, de brieven die hij van het front schreef, gebundeld in wat uiteindelijk De Spaanse tragedie (Amsterdam 1938) zou worden. In Noorwegen steunde Willy Brandt Last door hem als tolk te laten werken. Toen Last op de terugweg naar Nederland bij de Nederlandse grens in Zundert opgepakt werd, schreef hij daar in gevangenschap De laatste waarheid (Rotterdam 1938). Hij bleef zwerven door de Scandinavische landen. Voor de Internationale Transportarbeiders Federatie van Edo Fimmen trachtte hij vergeefs in de haven van Narvik contacten met Duitse zeelieden te leggen. Omdat zijn gezin hem nodig had, probeerde hij naar Nederland terug te keren. Dit lukte hem eind 1939. In 1940 verscheen zijn documentaire roman over Scandinavië Kinderen van de middernachtszon (Amsterdam) en in de herfst richtte hij, samen met Tom Rot, Eddy Wijnkoop en Dirk Schilp, het illegale blad De Vonk op. Last bleef actief in de illegaliteit en moest in 1942 onderduiken. Na de oorlog maakte hij zich verdienstelijk voor De Vlam, de voortzetting van De Vonk, die regelmatig kampen organiseerde om de vriendschap tussen Duitse en Nederlandse jongeren te bevorderen. Al in 1947 kreeg Last zijn Nederlanderschap, dat hij in Spanje was kwijtgeraakt, terug. Op uitnodiging van Mohammed Hatta vertrok hij in 1950 voor een ronde tafelconferentie naar Indonesië. Het plan was er een paar weken te blijven, maar het werden ruim drie jaren, vooral ook omdat Soekarno hem vroeg een rapport te schrijven over de vraag hoe de Indonesische cultuur voor jongeren te behouden. Om in leven te blijven, werd Last leraar op een middelbare school in Singaradja op Bali. Hij had er een mooie tijd en werd door zijn leerlingen op handen gedragen, maar eind 1953 werd de grond hem toch te heet onder de (Nederlandse) voeten en keerde hij terug. Daarna verdiende hij zijn brood voornamelijk als journalist en schrijver. Hij was een veelgevraagd spreker, die buitengewoon levendig over zijn reizen en ideeën kon vertellen. Voor Het Vrije Volk werd hij correspondent in Hamburg. Daar rondde hij zijn studie Chinees af en op 27 juli 1957 promoveerde hij cum laude in de Chinese taal en filosofie op het proefschrift Der Wandel in der Beurteilung Lu Hsüns und seine Ursachen (Hamburg 1958; bekorte uitgave: Lu Hsün, Dichter und Idol, Hamburg 1959). Hij reisde opnieuw veel en schreef grote reportages over Japan, Zuid-Korea, China en het toenmalige Formosa. Ook ging hij terug naar Franco-Spanje, wat een nawoord bij De Spaanse tragedie opleverde (Amsterdam 1962, 19642). In 1963 kreeg hij de Marianne Philips Prijs en in 1966 ontving hij de Vondel Prijs van de Universiteit van Münster. Zijn socialistisch-anarchistische bloed kroop waar het niet gaan kon en in 1966 liet Last zich op een (onverkiesbare) plaats op de Provo-lijst voor de gemeenteraadsverkiezingen van Amsterdam zetten. In hetzelfde jaar verscheen Mijn vriend André Gide (Amsterdam 1966). Zijn laatste jaren sleet Last met zijn vrouw in het Rosa Spier Huis in Laren, waar hij het regelmatig aan de stok had met Annie Romein-Verschoor. Begin 1972 overleed hij aan kanker. Hiermee werd een mooi en rumoerig politiek en schrijversleven afgesloten.

Archief: 

Archief J.C.F. Last in IISG (Amsterdam) en in Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag).

Publicaties: 

Kameraden!. Verzen (Rotterdam 1930; ingeleid door H. Roland Holst); Marianne (Amsterdam 1930); 'Die proletarische Literatur Hollands' in: Internationale Literatur, 2e jrg., nr. 4/5, 1932, 170-6; Liefde in de portieken (Amsterdam 1932); Verleden tijd. Verzen (Rotterdam 1932); Het huis zonder vensters (Amsterdam 1935); De bevrijde Eros. Een ketter in Moorenland en andere gedichten (Rotterdam 1936); Een flirt met de duivel (Amsterdam 1936); Bloedkoraal. Anti-fascistische verzen uit de Spaansche loopgraven en op het conflict 'Italië-Abessinië' (Amsterdam 1937); Over de Hollanders in Spanje (Amsterdam 1938); Een antwoord op het geval Jef Last (Amsterdam 1938; reactie op N. Rost, Het geval Last); (met H. Wilde) Kruisgang der jeugd (Rotterdam 1939; in 1967 herdrukt onder de titel 'Rinus van der Lubbe'); Onvoldoende voor liefde (Bussum 1940); Van een jongen die een man werd (Baarn 1941); Elfstedentocht (Amsterdam 1941); Leeghwater maalt de meren leeg (Amsterdam 1942); Gedachten onder water (Amsterdam 1945); Een socialistische renaissance (Amsterdam 1945); Het eerste schip op de Newa (Amsterdam 1945); 'Freek van Leeuwen. Een stille in den lande' in: De Vlam, 22.12.1945; Vrij Spanje. Gedichten uit de loopgraven (Amsterdam 1946); Vingers van de linkerhand (Bussum 1947); Acht werken van Jef Last (Bussum 1947); 'Bij de dood van een socialist. In memoriam Jan Bos' in: De Vlam, 23.1.1948; '"Tante Jet". De socialiste' in: Socialisme en Democratie, 1949, 722; Schuim op de kust ('s-Graveland 1950); De rode en de witte lotus. Roman (Bussum 1951); 'Bij de dood van "Tante Jet"' in: Nieuwsgier (Djakarta), 14.1.1953; Djajaprana. Tragedie in vijf acten naar een Balisch gegeven (Den Haag 1954); Bali in de kentering (Amsterdam 1955); Zo zag ik Indonesië (Den Haag 1956); Een lotje uit de loterij (Den Haag 1957); (met Udeyana Pandji Tisna) I Bontot en I Koese. De avonturen van twee Balische jongens (Amsterdam 1958); Vuur en vlam. Bloemlezing uit de gedichten (Amsterdam 1958); Japan. In kimono en overall (Amsterdam 1960); 'Freek van Leeuwen 60 jaar links gericht (een vergeten generatie)' in: De Groene Amsterdammer, 27.2.1965; 'Verweer inzake De Kom' in: 'Buiten de perken', nr. 51, 31.3.1965, 28-30; 'Ter nagedachtenis Kees de Dood' in: De Groene Amsterdammer, 30.10.1965; De tweede dageraad van Japan. Een poging tot het rechtzetten van misverstanden (Amsterdam 1966); Rinus van der Lubbe. Doodstraf voor een provo (Dinxperlo 1967); Vuurwerk achter de Chinese muur (Groningen 1970); Tjoebek in het tijgerbos. Avonturen van twee Balische jongens (Naarden 1972); 'In memoriam Freek van Leeuwen. De stichter van Links Richten is dood' in: De Groene Amsterdammer, 15.6.1968; 'Zo ontstond "Links Richten". Uit de memoires van Jef Last' in: Elseviers Magazine, 28.7.1973, 57-8; C.J. Greshoff (red.), André Gide Jef Last. Correspondance 1934-1950 (Lyon 1985); H.A. Poeze (red.), Jef Last. Liedjes op de maat van de rottan. Indische revolutionaire gedichten (Leiden 1994).

Literatuur: 

H. Roland Holst, 'Inleiding' in: Tijdsignalen (Amsterdam 1929) 5-21; 'Jef Last uit de partij' in: Bevrijding, 1929-1930, 155; G.H. 's-Gravesande, 'Jef Last over zijn leven en werk' in: Den Gulden Winckel, maart 1934, 41-4; N. Rost, Het geval Last. Over fascisme en trotskisme (Amsterdam 1938); De schrijver en dichter Jef Last (Bussum 1946); H. Roland Holst, 'Aan Jef Last bij zijn 50ste verjaardag' in: De Vlam, 30.4.1948; 'Jef Last wordt 2 mei (na veelbewogen leven) zestig jaar' in: Het Vrije Volk, 30.4.1958; P.H.D., 'Jef Last 65' in: Het Vaderland, 1.5.1963; M. Mooij, 'Jef Last zestig jaar. Schrijver, journalist, politicus, sinoloog' in: Nieuwe Rotterdamse Courant, 2.5.1958; G. Harmsen, Blauwe en rode jeugd (Assen 1961); Jef Last 65 jaar. Lijst van tot nu toe verschenen werk van Jef Last (z.pl. 1963); F. van Leeuwen, M. Mooij, A.G. Put (red.), 'Proficiat. Jef Last 65 jaar' in: Bulletin van de Lange Akker, 32e jrg., nr 5, 1963; M. Mooij, A.G. Put, Jef Last (Amsterdam 1963); G. van Zanten, 'Jef Last over Van der Lubbe' in: De Telegraaf, 3.12.1966; M. van Loggem, 'Jef Last werkt aan het verhaal van zijn leven' in: Algemeen Dagblad, 14.3.1968; 'Jef Last 70 jaar' in: Het Parool, 4.4.1968; P. van 't Veer, 'Jef Last 70 jaar' in: Het Vrije Volk, 20.4.1968; M. Mooij, 'Schrijver en avonturier Jef Last zeventig jaar' in: NRC, 2.5.1968; I. Meijer, 'Links beschouwt me als een renegaat' in: De Nieuwe Linie, 4.5.1968; M. Mooij, 'Jef Last' in: Nieuwe Rotterdamse Courant, 15.2.1972; H.C. Knap (Dagboekanier), 'Linkse globetrotter. Auteur Jef Last overleden (73)' in: de Volkskrant, 16.2.1972; W. Gortzak, 'Jef Last' in: De Groene Amsterdammer, 26.2.1972; G. Mom, 'Tegen de prikkeling: ontwikkeling. Jef Last en het ontstaan van de Nederlandse "arbeidersfilm"' in: Skrien, nr. 64, april 1977, 5-13; T. Heijmans, 'Jef Last en de film: het smalle spoor van een deskundige' in: Skrien, nr. 64, april 1977, 26-7; N. van de Pavert, Jef Last. Tussen de partij en zichzelf (Nijmegen 1982); R. van Dijk e.a., 'Jef Last. Een strijdbaar schrijversleven, 1898-1972' in: Bzzlletin, nr. 104, 1983; H. Schoots, 'Groeneprofiel Jef Last. "Ik heb de mannen lief"' in: De Groene Amsterdammer, 25.6.1986, 17; M. van Soest, 'Rudi Wester, de biograaf van Jef Last' in: Vrij Nederland, 23.1.1988; M. Kroonder, Jef Last 1933-1938. Een schrijver in de communistische partij (scriptie z.pl. 1990); Verslag van het onderhoud tussen Jef Last en het bestuur van de Vereeniging "Vrij Spanje", gehouden op maandag 28 januari 1946 in gebouw West-Einde 3 te Amsterdam' in: BNA, nr. 28, december 1992, 28-39; R. Wester, 'Waarom en nog steeds Jef Last?' in: Biografie Bulletin, 1993, nr. 1, 19-22; I. Cornelissen, 'Van vijandschap tot voorwoord. Acht brieven van Jef Last' in: Maatstaf, 1994, nr. 2, 47-57; R. Wester, 'Het belang van de anekdote. Fragmenten uit een interview dat Hans Olink met Rudi Wester had over Jef Last (1898-1972)' in: Biografie Bulletin, 1995, nr. 2, 159-61; J.W. Stutje, 'Tussen hoop en angst. De communistische jaren van Jef Last' in: Maatstaf, 42, oktober 1996; B. Reinalda (red.), The International Transportworkers Federation 1914-1945. The Edo Fimmen era (Amsterdam 1997).

Portret: 

Josephus Carel Franciscus Last, uit: H.A. Poeze (red.), Jef Last. Liedjes op de maat van rottan. Indische revolutionaire gedichten (Leiden 1994)

Auteur: 
Rudi Wester
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 8 (2001), p. 141-146
Laatst gewijzigd: 

1-11-2010 (correctie beroep vader van Ida ter Haar)