LEVITA, Adolf Samson de

Adolf Samson de Levita

(roepnaam: Dolf), bestuurder afdeling Amsterdam van de SDAP, is geboren te Amsterdam op 23 juni 1868 en aldaar overleden op 26 april 1934. Hij was de zoon van David de Levita, bediende, en Schoontje Lezer. Op 28 februari 1900 trad hij het het huwelijk met Cornelia Françoise Josine Franchimont, met wie hij een dochter kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 18 september 1922. Op 12 oktober 1922 hertrouwde hij met Catharina Godefroi, briljantsnijdster, met wie hij vier zoons kreeg.
Pseudoniem: Leizer.

Na het doorlopen van de lagere school kreeg De Levita gedurende enige jaren op het Nederlandsch Israëlitisch Seminarium een rabbijnenopleiding. Omstreeks 1880 was dit voor intelligente zoons van arme joodse ouders een gebruikelijke manier om verder te leren. Toen bleek dat de Ideën van Multatuli hem meer bekoorden dan de talmoedstudie, verliet hij op dringend advies van zijn docenten het seminarium en werd briljantsnijder. De Levita vond weldra emplooi op het atelier van de Multatuli-vereerder Andries van Wezel, waar hij in 1890 gezelschap kreeg van zijn leeftijdgenoot Henri Polak. Van Wezels vriend Franc van der Goes werd in deze tijd voor De Levita evenals voor Polak en Jos Loopuit de mentor op politiek en cultureel gebied. Tegelijk met zijn vriend en letterlijk naaste collega Polak trad hij eind 1890 toe tot de afdeling Amsterdam van de Sociaal-Democratische Bond (SDB), die hem al in het daarop volgend voorjaar tot haar voorzitter koos. De Levita en Polak werden begin 1893 in de Centrale Raad van de SDB opgenomen. Door hun lot te verbinden aan dat van de 'parlementaire' P.J. Troelstra haalden de twee vrienden zich de woede op de hals van hun 'revolutionaire' partijgenoten, die hen met enig kunst- en vliegwerk na een half jaar weer uit de Centrale Raad verwijderden.

Het beroemde Groninger kerstcongres van 1893 bracht het einde van De Levita's loopbaan als SDB-er. Pathetisch wijzend op zijn koffer verklaarde hij in Groningen over de bewijzen van 'Panama', dat wil zeggen corruptie in de partij te beschikken. Troelstra viel hem niet bij zodat De Levita zijn beschuldiging moest intrekken. Zodoende werd hij de risée van revolutionairen en parlementairen. In het daarop volgend voorjaar richtte hij met Van der Goes, Loopuit en Polak in Amsterdam de Sociaal-Democratische Vereeniging op. Deze groepering zou hij na haar omzetting in september 1894 in afdeling Amsterdam van de SDAP een aantal jaren mede als bestuurder leiden. Ook in de organisatie van de diamantbewerkers had De Levita in deze tijd een belangrijk aandeel. In het voorjaar van 1892 bracht hij met Polak de al enige jaren slechts in naam bestaande Nederlandsche Diamantbewerkers Vereeniging (NDV) weer tot nieuw leven. Hij was zeer actief in deze kleine propagandaclub voor vakorganisatie, die in het bijzonder de joodse diamantbewerkers rijp maakte voor deelname aan de door christen-slijpers begonnen grote staking in november 1894. Weliswaar werd De Levita niet opgenomen in het dagelijks bestuur van de nog diezelfde maand opgerichte Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB), als voorzitter van de afdeling voor briljantsnijders en -snijdsters verrichtte hij echter uiterst belangrijk werk door de grote meerderheid van de vele beneden het loon werkende snijdsters gaandeweg de 'Bond' binnen te loodsen. Voor de propaganda onder de ongeorganiseerden beschikte De Levita over een eigen orgaan genaamd De Diamantsnijder, Weekblad voor Snijdsters en Snijders. Als redacteur gaf hij in dit blad stalen van pakkende journalistiek. Begin 1897 kwam De Levita in heftige botsing met zijn vriend en naaste buurman op de Amsterdamse Kastanjeweg, Henri Polak. Zijn tijdens de schorsing van de ANDB - bedoeld om een uitsluiting van de Amsterdamse diamantbewerkers door de juweliers te voorkomen - in een drietal artikelen in De Sociaaldemokraat geuite kritiek op bondsvoorzitter Polak en secretaris Herman Kuijper vatten beiden op als een perfide verraad aan de goede zaak. Na de hervatting van de werkzaamheden van de Bond werd De Levita het voorzitterschap van de briljantsnijd(st)ersafdeling ontnomen en kon bovendien De Diamantsnijder een tijd lang niet meer verschijnen. De ruzie tussen enerzijds De Levita, gesteund door Jos Loopuit en anderzijds Polak en Kuijper werd niet alleen uitgevochten binnen de ANDB, maar sloeg ook over naar de afdeling Amsterdam van de SDAP, waarbij Polak zelfs tijdelijk voor het lidmaatschap bedankte. Nadat door toedoen van Troelstra in het najaar van 1897 de vrede in partij en vakbond was hersteld, leek het even alsof De Levita weer een belangrijke rol in de arbeidersbeweging ging spelen. Gedurende korte tijd trad hij opnieuw op als redacteur van De Diamantsnijder. In het Weekblad van de ANDB publiceerde hij weer artikelen. Bovendien maakte hij zich verdienstelijk als voorzitter van het Landelijk Comité voor Staatspensioneering en als medeoprichter van het arbeiderskoor De Stem des Volks, waarvoor hij de bekende 'Socialistenmars' schreef.

In 1900 was De Levita enige maanden verbonden aan de redactie van het pas opgerichte dagblad Het Volk. Daarna werd hij ondanks zijn scherp verstand, goed versneden pen en onwankelbare trouw aan de zaak van het socialisme niet meer gevraagd voor het bekleden van belangrijke functies. Dat De Levita juist op het moment dat de SDAP haar vleugels begon uit te slaan min of meer in de vergeethoek raakte, is onder meer een gevolg van zijn gebrek aan buigzaamheid. Over echt of vermeend onrecht kon hij zich zodanig opwinden dat men hem al in zijn jonge jaren de bijnaam 'beise (boze) Leiser' gaf. De Levita's soms geringe souplesse in de omgang met anderen was echter ook de tegenzijde van een deugd, namelijk karaktervastheid. Zo weigerde hij in 1906 zitting te nemen in de arbitrage-commissie inzake geschillen tussen de redacteur van Het Volk (Troelstra) en medewerkers, omdat hij vond dat het Groninger partijcongres Troelstra met vrijwel absolute macht had bekleed. En voor zulk een macht wilde hij niet buigen. Tot zijn zestigste jaar bleef De Levita als briljantsnijder werkzaam. Door malaise in het vak en door ziekte verloor hij toen zijn betrekking, waarop Henri Polak eerst probeerde hem een partijbaantje te bezorgen en vervolgens, toen dat niet lukte, onder bemiddelde partijgenoten een steun-actie op touw zette. De opkomst van het nationaal-socialisme in Duitsland vervulde De Levita met grote zorg. Die zorg verklaart waarschijnlijk zijn aanwezigheid in 1933 bij de oprichting van de Nederlandse afdeling van Poale Zion, de beweging van socialistische zionisten. Een maand voor zijn plotselinge dood in 1934 liet hij nog uit Wenen zijn wegens betrokkenheid bij de arbeidersopstand in gevaar verkerende Oostenrijkse 'pleegzoon' naar Nederland overkomen. Bij zijn dood noemde Polak in De Socialistische Gids De Levita 'een man, begaafd met een vlijmscherp ontledingsvermogen en aanmerkelijk sprekerstalent'. Hij bezat volgens Polak bovendien 'een eerbiedwaardige kennis van theorie en wetenschap van het socialisme'.

Publicaties: 

Centrum' in: De Nieuwe Tijd (Sneek), 4.5.1893; 'De krisis in de ANDB' in: De Sociaaldemokraat 2, 9 en 16.1.1897; 'Herinneringen uit vroeger dagen' in: De Notenkraker, 10.5, 28.6 en 30.8.1930.

Literatuur: 

H. Polak, 'A.S. de Levita' in: De Socialistische Gids, 1934, 393-394; S. de Wolff, Voor het land van belofte (Nijmegen 1978) 269-271; S. Bloemgarten, Henri Polak. Sociaal democraat 1868-1943 (Den Haag 1993); G.W.B. Borrie, Monne de Miranda (Den Haag 1993); D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001).

Portret: 

A.S. de Levita, uit: Vliegen, Dageraad II (Amsterdam 1905), t.o. 88

Auteur: 
Salvador Bloemgarten
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 126-128
Laatst gewijzigd: 

07-08-2002