NOBEL, Otto Willem de

Otto Willem de Nobel

koorleider en componist van strijdliederen, is geboren te Haarlem op 10 februari 1867 en overleden te Voorburg op 28 november 1950. Hij was de zoon van Willem George Lodewijk de Nobel, drukkerspatroon, en Susanna Maria Otto. Op 12 januari 1893 trad hij in het huwelijk met Theodora Groeneveld, met wie hij een zoon kreeg. Pseudoniem: Lebon.

Afgestudeerd aan het Amsterdams conservatorium kreeg De Nobel met zijn fraaie bariton een vast engagement bij de Nederlandse Opera (1894-1895). Zijn kracht bleek echter al gauw niet te liggen in het theater - plankenkoorts smoorde soms zijn stem - maar des te meer op pedagogisch terrein. Zo werd hij privé- en conservatoriumleraar zang en spraak. In 1898 polste voorzitter A.S. de Levita van het pas opgerichte mannenkoor De Stem des Volks in Amsterdam hem om de voorlopige koorleider Henri Polak op te volgen.

De Nobel bezocht een repetitie en kwam onmiddellijk in de ban van het ongevormde maar veelbelovende stemmenmateriaal, waaronder zich opvallend veel joodse diamantbewerkers bevonden. Erbarmelijk echter vond hij het beschikbare socialistische zangrepertoire. Als hij aan beide mocht gaan schaven, wilde hij het karwei aanpakken, mits onder schuilnaam (Lebon) om niet zijn baan als leraar aan het conservatorium te riskeren. Zijn voorwaarden werden aangenomen. Op 10 april 1898 debuteerden dirigent en koor met ovationeel succes tijdens het SDAP-congres in de Amsterdamse zaal Plancius met onder meer de Nederlandse première van de 'Socialistenmars'. Enkele jaren later breidde De Stem des Volks zich uit met sopranen en alten. In september 1903 kwam De Nobel met dit gemengde koor in het openbaar op een concours, waar het meteen de eerste prijs won.

Tot aan De Nobels komst had de Nederlandstalige arbeidersbeweging zich beholpen met zangstof, die muzikaal dreef op een bont allegaartje van melodieën, geleend van straat- en 'vaderlandse' school- en operettedeuntjes. Deze hadden het voordeel dat iedereen ze kende, maar het nadeel van geringe verwantschap met de idealistische of strijdvaardige lading van de tekst. Cultureel had het al helemaal weinig om het lijf. Anders dan later de zeer omhooggestoken musicus van generaties tussen de twee wereldoorlogen, Piet Tiggers, zocht De Nobel het niet in herleving van folklore of in strijdliederen van uitheemse, vooral Duitse, herkomst. Hij durfde als eerste zelf oorspronkelijke teksten te toonzetten, zoals 'Morgenrood' van Dirk Troelstra, 'Eens komt de klare, schone dag' van Jan Oudegeest, 'Allerwege in de landen' van De Levita en 'De roden roepen' van C.S. Adama van Scheltema. Met hun romantisch welluidende en veelal gedragen componeertrant - zijn 'kroonprins' Antoon Krelage Jr. sprak van 'rode psalmen', anderen hoorden echo's van Valerius' geuzenliederen - hebben De Nobel en in zijn voetspoor Ies Olman, Herman Hegeraat, Hendrik Altink en anderen een zeer eigen zangcultuur ontwikkeld, die ook buiten eigen kring ontroering en respect voor de arbeidersbeweging kweekte. Al in oktober 1904 getuigde een briefschrijver in De Telegraaf: 'de rijkdom van liederen bij die staatkundige partij, en de geestelijke armoede in dit opzicht bij het overige volk, maakt al, dat, zodra men mooi hôort zingen, het vermoeden rijst, dat het een socialistisch lied moet zijn'.

Als temperamentvolle driftkop, die het bovendien niet altijd zo nauw nam met repetitie-afspraken, is De Nobel op de duur herhaaldelijk in botsing gekomen met zijn koren, maar als roemrucht dirigent kon hij altijd wel elders terecht. Behalve in Amsterdam heeft hij gestaan voor arbeiderskoren in Rotterdam, Den Haag, Leiden, Dordrecht en Gouda, en voor niet-rode zangverenigingen als de Koninklijke Utrechtsche, het Haagse Euphonia en Rotte's Mannenkoor. In 1922 kwam het tot een vonkenspattend conflict tussen De Nobel en de jonge muziekrecensent van Het Volk, Paul F. Sanders. Die wilde met de arbeiderszangcultuur de modernere richting uit, waarvan de Duitser Hanns Eisler de toonaangevende figuur zou worden. Binnen de Bond van Arbeiders Zangvereenigingen laaide een sectarisch gevecht op, maar na een felle polemiek in het bondsorgaan en Het Volk bleven De Nobel en zijn 'rode psalmen' overwinnaar. Later, bij zijn tachtigste verjaardag in 1947, vond hij wel dat er behoefte was aan nieuwe liederen. Dat ze uitbleven weet hij aan het gebrek aan inspirerende teksten.

In 1937 had hij zijn werk als componist en dirigent al moeten opgeven doordat zijn teruglopend gezichtsvermogen geen inspannend werk meer toeliet. Dit werd nog erger, toen hij bij het bombardement op Den Haag in 1944 moest beleven dat hij zijn huis, zijn vleugel en zijn muziekarchief kwijtraakte. Wel heeft hij tot op het laatst af en toe op concerten als eregast koren gedirigeerd bij het zingen van strijdliederen en volgens ooggetuigen deed hij dat met verbazingwekkend vuur. Over de arbeiderszangcultuur publiceerde hij talrijke artikelen in De Stem des Volks, het orgaan van de Bond van Arbeiders Zangvereenigingen.

Literatuur: 

Vliegen, Kracht II, 34-37; J. van de Merwe, Gij zijt kanalje, heeft men ons verweten! (Utrecht 1974).

Portret: 

O.W. de Nobel, uit: Zondagsblad van Het Volk, 20.9.1903, 92

Auteur: 
Jaap van de Merwe
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 102-103
Laatst gewijzigd: 

00-00-1987