OSSEDORP, Frans Lodewijk

Frans Lodewijk Ossedorp (Ossendorp)

(bekend als Frans Lodewijk Ossendorp), voorman van de onderwijzersbeweging en Kamerlid voor de SDAP, is geboren te Amsterdam op 15 maart 1863 en aldaar overleden op 15 april 1941. Hij was de zoon van Frans Ossedorp, schoenmaker, en Johanna Elisabeth Geelinck. Op 3l juli 1890 trad hij in het huwelijk met Cornelia Geverding, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg. Bij machtiging van de Arrondissementsrechtbank in Amsterdam d.d. 17 december 1883 wijzigde Ossedorp de familienaam in Ossendorp.

Ossendorp was een typische vertegenwoordiger van de rode onderwijzers die een belangrijke rol hebben gespeeld in de onderwijsvakbeweging en arbeidersbeweging. Hij was zoals de meeste onderwijzers uit zijn tijd afkomstig uit een ambachtelijk milieu, dit in tegenstelling tot onderwijzeressen die over het algemeen uit iets 'betere' standen kwamen. Het enige uitzonderlijke van zijn achtergrond was dat hij katholieke ouders had en dientengevolge enige jaren in Amsterdam een katholieke lagere school bezocht. Maar snel viel hij van zijn ouderlijk geloof af en werd een uitgesproken voorstander van het neutrale openbare onderwijs. Met zijn latere medestrijders E.J. van Det, A. Stokvis en J.W. Gerhard bezocht hij in zijn geboortestad vanaf 1878 de gemeentelijke kweekschool waar op dat moment links-liberale opvattingen veel weerklank vonden. In 1884 werd hij onderwijzer bij het openbaar lager onderwijs in de hoofdstad, hetgeen hij bleef tot hij in 1918 politiek vertegenwoordiger van de arbeidersbeweging werd. Op de Amsterdamse kweekschool viel hij nog weinig op. Zijn vriend Van Det schreef later over hem: 'Zijn signalement uit die dagen zou geluid hebben, gestalte gewoon, niet bijzonder slank, niet bijzonder gezet, iets onder de middelmaat, overigens gewoon, gezicht gewoon, regelmatig van bouw, ogen grijs-blauw wat diep liggend, voorhoofd breed, overigens gewoon'. Kortom, een gewone jongen, die keurig na de kweekschool in militaire dienst ging. Hij werd bij de zeemilitie ingedeeld en in Den Helder geplaatst. Hier had hij een leventje dat hem best beviel. Regelmaat, punctualiteit, het waren allemaal eigenschappen die in zijn natuur lagen en die werden hier juist vereist. De frisse zeelucht, de lichaamsoefeningen, het roeien en zwemmen, hij vond alles prachtig. Van principiële bezwaren tegen de dienst had hij geen last, zover ging zijn politieke ontwikkeling nog niet. De grondslagen van zijn karakter waren, volgens Van Det, een diepe ernst en een verborgen, haast beschamende tederheid. Dat laatste zou flink op de proef gesteld worden in het volksonderwijs waarin hij werkzaam werd. Na zijn dienstplicht was hij onderwijzer aan een kosteloze school geworden en daar was zijn politieke ontwikkeling verder gegaan. Zoals veel van zijn Amsterdamse studiegenoten in de jaren tachtig maakte Ossendorp het hele proces mee van radicale kwekeling tot rechtgeaard sociaal-democratische onderwijzer die van mening was dat onderwijzers aansluiting moesten zoeken bij de arbeidersbeweging. Dit proces is grotendeels verklaarbaar uit de nogal ambivalente positie van volksonderwijzers temidden van de sociale woelingen aan het einde van de negentiende eeuw. Zij waren als 'opvoeders van het volk' trots op hun ontwikkeling en culturele belangstelling maar leden er tegelijk onder dat sociaal-bewogen 'Heren' hen niet voor vol aanzagen. Daarom maakte een groot aantal links-liberale onderwijzers in het laatste decennium van de eeuw de overstap naar het socialisme, hetgeen vanwege hun ambtelijke positie niet gemakkelijk was. Ook Ossendorp zette deze stap. In de oude beweging waarin hij al vroeg participeerde, stond hij eerst aan de links-liberale kant. Hij behoorde tot degenen die in december 1880 de vrij gematigde vereniging De Unie oprichtten. Deze bestond voornamelijk uit ambtenaren, winkeliers, kantoorbedienden en onderwijzers en had bekende figuren als Joan Nieuwenhuis en J.A. Fortuijn in haar midden. In de jaren tachtig werkte Ossendorp mee aan het Radicaal Weekblad en was aanwezig bij de met geweld ontbonden vergadering in Café Zincken en bij de Volkspark-vergadering in 1885, toen J.H. Geel op de politie-commissaris J. Stork schoot. In 1895 trad hij tot de SDAP toe. Hij werd bestuurslid van zijn afdeling en voorzitter van de Arbeiders-Kiesvereeniging in district IX. Aan verkiezingscampagnes nam hij als spreker en debater actief deel. Op het eerste congres van het Landelijk Onderwijs Comité over de leerplicht in juni 1899 in Amsterdam, waar vier van de zes inleiders socialistische onderwijzers waren, was Ossendorp één van de sprekers. Met P. Verdorst zette hij zich in voor het Comité inzake de Ongevallenwet. Later was hij nog secretaris van het Comité van Actie inzake het Arbeidscontract.

Een belangrijke brug van het links-liberalisme naar het socialisme vormde de Sociaal-Democratische Onderwijzers Vereeniging (SDOV), die Ossendorp heeft helpen oprichten. Deze werd in 1890 door onderwijzers uit de twee Noordelijke provincies en Amsterdam opgericht na een oproep in Recht voor Allen van 3 en 4 november 1889 met als doel de sociaal-democratische beginselen ingang te doen vinden bij onderwijzers. Het programma was voornamelijk gebaseerd op vakeisen, zoals kleinere klassen, een betere opleiding en salariëring. De SDOV verenigde socialisten van allerlei richtingen en maakte tot haar opheffing in 1908 ook elke strijd tussen die richtingen binnen haar gelederen mee. Zelfs P.J. Troelstra hechtte blijkbaar zo veel belang aan deze socialistische onderwijzers dat hij enige tijd lid werd van de SDOV om er een van de leiders van de antiparlementairen, Christiaan Cornelissen, te bestrijden. Ossendorp, zeer actief binnen de SDOV, was in de succesvolle jaren 1900 en 1901 voorzitter. In die jaren sloot de SDOV zich officiëel bij de SDAP aan en speelde een cruciale rol bij de Groninger motie inzake de gelijkstelling tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Toen de vereniging in 1902 onder leiding van C. Bijkerk en J.C. Ceton in meer links-marxistisch vaarwater raakte, bedankte Ossendorp met zijn vriend Van Det in een gezamenlijk briefje. Inmiddels had de vereniging al veel bereikt in de eveneens in 1890 opgerichte Bond van Nederlandsche Onderwijzers (BvNO). De rode onderwijzers hadden ervoor gezorgd dat deze Bond steeds meer van het programma van de SDOV overnam en langzaam evolueerde tot grootste vakorganisatie van onderwijzers voor de Tweede Wereldoorlog. Binnen de BvNO speelde Ossendorp een hoofdrol. In 1884 was hij al lid geworden van de voorloper van deze bond, de Nederlandsche Openbare Onderwijzers en Hoofdonderwijzers Vereeniging. In de jaren negentig kwam hij steeds meer op de voorgrond, niet alleen doordat de opvattingen van de SDOV meer weerklank vonden maar en misschien wel voornamelijk door zijn vele leiderskwaliteiten. Hij voerde actie tegen het ambulantisme (het werken zonder vaste klas) en bestreed de verdediger daarvan, de bekende onderwijsman en pedagoog Jan Ligthart. Hij was een begenadigd spreker en goed organisator. Reeds vroeg (1892) bestuurder van de Amsterdamse afdeling viel hij op door zijn scherpe analyses van en heldere betogen over kwesties als de onderwijzersopleiding, de houding tegenover schoolhoofden en de examens voor gewone onderwijzers. Binnen de BvNO bepleitte hij de strijd voor het algemeen kiesrecht. Hij was voorzitter van het Algemeen Kiesrecht-Comité. In 1900 werd hij voorzitter van de Amsterdamse afdeling, maar een jaar later niet herkozen. Ossendorp was al in 1896 tot landelijk hoofdbestuurder verkozen. Omdat juist toen de strijd tussen de radicale en de socialistische stroming binnen de BvNO ontbrandde, werd hij als overtuigd socialist niet herkozen. Het zou tot 1903 duren voordat de dominantie van de radicalen onder leiding van het latere vrijzinnig-democratische Kamerlid Th.M. Ketelaar binnen de BvNO werd gebroken. In dat jaar werden Ossendorp en zijn partijgenoot J.H.F. van Zadelhoff tot voorzitter respectievelijk vice-voorzitter verkozen. Zij zouden dit maar liefst 23 jaar blijven. Of de spoorwegstakingen van 1903 bij deze doorbraak van de sociaal-democraten een rol hebben gespeeld is niet duidelijk, maar in zijn eerste toespraak als voorzitter verdedigde Ossendorp de stakingen onmiddellijk, hoewel niet zonder veroordeling van de anarchisten die door wilden staken.

In zijn jaren als voorzitter en het 'gezicht' van de BvNO deed Ossendorp menigmaal van zich spreken. Bekend was zijn 'Leidse rede' voor de algemene vergadering van de bond in december 1909 over de openbare school. In dat jaar was er als gevolg van de verkiezingen in de Tweede Kamer een numerieke meerderheid voor rechts ontstaan en bestond de vrees dat zij haar invloed zou doen gelden ten bate van het bijzonder onderwijs. Tijdens zijn pleidooi voor een werkelijk neutraal openbaar onderwijs ging Ossendorp ook in op de feesten ter gelegenheid van de geboorte van prinses Juliana. Geruchtmakend waren zijn woorden: 'Wij kunnen de kinderen niet leren, wat boven hun bevattingsvermogen ligt. ... Wij kunnen hen niet doen gevoelen, waarom zij moeten juichen en jubelen bij de geboorte van een koningskind en niet bij de geboorte van een ander kind. Wij kunnen hun niet doen inzien, dat het Koningschap de voorkeur verdient boven de Republikeinse staatsvorm.' Vrijwel de hele burgerlijke pers viel vooral over deze passage. De rede van Ossendorp was zelfs aanleiding voor een directeur van de Hoogere Burger School te Sappemeer om een nieuwe bond van Nederlandse onderwijzers op te richten onder de naam Vaderlandsche School. Dit mislukte, maar serieuzer dan deze splitsingspoging waren de dreigementen van een aantal gemeentebesturen een onderzoek in te stellen naar het gedrag van de openbare onderwijzers. Minder controversieel maar daarom niet minder uitgesproken manifesteerde Ossendorp zich in woord en geschrift over menig ander onderwijsvraagstuk. Belangrijk was, ook in ruimer maatschappelijk verband, de kwestie van de kinderarbeid. Ossendorp had de leiding van het breed opgezette congres over kinderbescherming in december 1913. Met uitzondering van de christelijke onderwijzers deed vrijwel iedereen van liberalen tot sociaal-democraten mee. Op het congres spraken verschillende Kamerleden zoals Troelstra, M.W.F. Treub, Ketelaar en D. Bos. Hiermee liet de BvNO onder leiding van Ossendorp zien dat zij tot brede samenwerking over belangrijke sociale vraagstukken in staat was. Bovendien leidde het congres rechtstreeks tot de stichting van het Bureau voor de Kinderbescherming. De aansluiting van de BvNO bij het NVV op 1 mei 1924 kan voor een belangrijk deel op het conto van Ossendorp en zijn rechterhand Van Zadelhoff geschreven worden. Een langgekoesterde wens van de rode onderwijzers ging daarmee in vervulling. Zij waren er immers altijd van overtuigd geweest dat het bondsprogramma pas echt verwezenlijkt kon worden door aansluiting bij de arbeidersbeweging. De groeiende band met de arbeidersbeweging en de betekenis van de rode onderwijzers in de sociaal-democratie kwamen onder meer tot uitdrukking in het grote aantal Kamerleden van de SDAP dat onderwijzer was of was geweest. Voor 1940 was bijna een kwart van de Tweede Kamerfractie uit het onderwijs afkomstig, onder wie Ossendorp. In 1918 werd Ossendorp die ook in het bestuur van de SDAP kwam, tot Kamerlid gekozen, van welke plaats hij in 1922 moest afzien. In 1924 echter volgde hij H.H. van Kol op in de Eerste Kamer. Hiervan bleef hij tot de Kamerontbinding van 1937 lid. Inmiddels was hij in 1921 ook lid geworden van de Amsterdamse gemeenteraad, waarvan hij lid bleef tot juni 1932. Toen werd hij met drie andere SDAP-gemeenteraadsleden door het Amsterdamse Federatiebestuur tot aftreden gedwongen omdat zij tegen de partijlijn in voor de verlaging van de salarissen van gemeenteambtenaren stemden. In de Tweede en Eerste Kamer maakte Ossendorp zich vooral verdienstelijk voor het openbaar onderwijs en de onderwijzers en hun arbeidsvoorwaarden. Het neutrale onderwijs had Ossendorps belangstelling zelfs zo sterk, dat hij in het begin van de jaren dertig samen met J. Oudegeest bestuurslid werd van de Stichting Neutraal Volksonderwijs, die probeerde in Limburg neutrale, dat wil zeggen niet-godsdienstige scholen op te richten.

Publicaties: 

(met E.J. van Det) Arbeid van schoolgaande kinderen. Enquête ingesteld door de afdeling Amsterdam van de BvNO (Amsterdam z.j.); De SDAP en het onderwijs (Amsterdam z.j.); Waakt voor uw onderwijs (Amsterdam 1922); Het onderwijs en de gemeenten (z.pl. z.j.).

Literatuur: 

Vliegen, Kracht I, 379, 380, 396, II, 282, 348, 349, 557-558, III, 339; Gedenkboek van de afdeling Amsterdam van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers (Amsterdam 1915); P. Hoogland, Vijf en Twintig Jaren Sociaal-Democratie in de Hoofdstad (Amsterdam 1928); Vooruit, 28.5.1937; P.J. Oud, Het jongste verleden (Assen 1948-1951); E.J. van Det, De Bond van Nederlandse Onderwijzers. Nieuwe uitgave van Zestig Jaren Bondsleven, deel I en II (Amsterdam 1983, bewerkt door S. Karsten en H. van Setten); S. Karsten, Op het breukvlak van opvoeding en politiek. Een studie naar socialistische onderwijzers rond de eeuwwisseling (Amsterdam 1986); J. Bosmans, Romme. Biografie 1896-1946 (Utrecht 1991); P. Hofland, Leden van de Raad. De Amsterdamse gemeenteraad 1814-1941 (Amsterdam 1998).

Portret: 

F.L. Ossedorp, SDAP-congres 1919, staand vijfde van rechts, IISG

Auteur: 
Sjoerd Karsten
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 213-217
Laatst gewijzigd: 

25-09-2002