PALAR, Lambertus Nicodemus

Lambertus Nicodemus Palar

(roepnaam Nico), Indonesisch Tweede-Kamerlid voor de SDAP en de PvdA en publicist, is geboren te Roeroekan, Minahassa op 5 juni 1900 en overleden te Jakarta op 13 februari 1981. Hij was de zoon van Gerrit Palar, schoolopziener, en Jacoba Lumanauw. Op 26 juni 1935 trad hij in het huwelijk met Johanna Petronella (Joke) Volmers, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg.

Een fatsoenlijke kerel is die Palar'. Zo werd de zachtzinnige, op harmonie gestelde, zeer loyale Palar, Indonesisch nationalist van Menadonese afkomst en sociaal-democraat, gedurende zijn bijna twintigjarig verblijf (1928-1947) in Nederland dikwijls getypeerd. Hij werd opgevoed in een protestants-christelijk milieu in de Minahassa en volgde, na het Meer Uitgebreid Lager Onderwijs in Tondano doorlopen te hebben, de Algemeene Middelbare School (AMS, een soort Hoogere Burger School) in Djokjakarta op Java. Op de AMS kwam hij voor het eerst in aanraking met politieke en nationalistische ideeën en werd hij lid van de nationalistische jongerenorganisatie Jong Minahassa. Vervolgens studeerde hij een jaar aan de Technische Hoogeschool van Bandoeng, waar hij kennis maakte met Soekarno en andere nationalistische studenten en actief werd bij het organiseren van nationalistische bijeenkomsten en spreekbeurten. Vanwege een slechte gezondheid moest Palar bijna een jaar het bed houden. Hij brak om die reden zijn studie te Bandoeng af. Na herstel werkte hij korte tijd voor de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM). In 1924 koos hij voor een andere studierichting en liet zich inschrijven aan de Rechtshoogeschool te Batavia. Daar leerde hij sociaal-democratische opvattingen kennen via Volksraadslid J.E. Stokvis, voorzitter van de Indische Sociaal-Democratische Partij (ISDP) en tevens redacteur van de spreekbuis van de ISDP Het Indische Volk. Na de mislukte communistische opstanden op Java en Sumatra in 1926 en 1927 nam het Nederlands-Indische gouvernement zware repressieve maatregelen, waaronder deportaties naar het beruchte Boven-Digoel op Nieuw-Guinea. De familie van Palar vond het daarom verstandiger als hij met zijn nationalistische sympathie en sociaal-democratische contacten zijn heil elders zou zoeken. In 1928 vertrok hij naar Nederland.

Palar werd begin 1930 lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), kort na de aanvaarding van een door Stokvis samen met J. van Gelderen ontworpen koloniaal beginselprogramma, waarin gepleit werd voor opheffing van de koloniale verhouding en onvoorwaardelijke erkenning van de nationale onafhankelijkheid van Indonesië. Eind 1930 mengde de coöperatieve Palar zich met een aantal artikelen in een polemiek in Het Volk tussen Daan van der Zee en Mohammad Hatta over Indonesische non-coöperatie, die hij om praktische redenen weliswaar afwees, maar niet veroordeelde. In 1933 werd Palar vast medewerker van het partijbureau van de SDAP. Vanaf oktober 1933 was hij secretaris van de Koloniale Commissie van SDAP en NVV, die tot taak had het onderhouden van regelmatig contact met organen van de Indonesische politieke beweging en vakorganisaties en het verzamelen van actuele informatie op politiek en sociaal-economisch gebied in Indonesië voor partij en vakverbond. Vooral het inlichten van de Indonesische pers over de sociaal-democratische koloniale standpunten achtte Palar van groot belang om de contacten tussen de SDAP en de - ten aanzien van de sociaal-democraten sceptische - Indonesische nationalistische beweging te verbeteren. Hij wees op het voortdurend wederzijds gebrek aan kennis van elkaars opvattingen en op de communistische propaganda vanuit Nederland in de Maleise bladen. Onvermoeibaar bleef hij daarom de SDAP voorstellen een persdienst voor Indonesië op te zetten. Dankzij Palar werd aan de Koloniale Commissie een Persbureau Indonesia (Persindo) verbonden. Palar werd redacteur van Persindo met als voornaamste taak het geven van voorlichting aan en over de Indonesische vakbeweging. Hij leverde een bijzondere prestatie door de geschiedenis te schrijven van de Indonesische vakbeweging, die in elf delen werd gepubliceerd in De Vakbeweging (juli 1933 - augustus 1934). Palar assisteerde Van Gelderen bij het ontwerp van het hoofdstuk Indonesië van het Plan van de Arbeid van de SDAP van 1935. Bij de Eerste Kamerverkiezingen van 1937 stond Palar hoog op de lijst van kandidaten, maar werd niet gekozen. Zijn journalistieke werkzaamheden namen enigszins af, hoewel hij nog wel regelmatig publiceerde in Het Volk. In 1938 besloot de Koloniale Commissie van SDAP en NVV Palar in de gelegenheid te stellen zijn vaderland te bezoeken om als vertrouwensman contact te leggen met leidende figuren uit Indonesische politieke partijen en vakbeweging. Hij kreeg ook de taak documentatie te verzamelen over actuele ontwikkelingen. Eind 1938 vertrok Palar met zijn vrouw naar Indonesië en reisde vervolgens een half jaar door de hele archipel, waar hij vaststelde dat de idee van onafhankelijkheid sterk leefde. Enthousiast kwam hij terug uit Indonesië en publiceerde artikelen naar aanleiding van zijn reis en over de Indonesische nationalistische beweging. Hij constateerde dat deze een in Nederland onderschatte 'neiging tot Japan' had.

Met de Duitse bezetting van Nederland brak voor Palar een moeilijke tijd aan. De linkse politieke partijen werden onder toezicht gesteld en het apparaat van de SDAP werd ontbonden. Persindo en de Koloniale Commissie werden opgeheven. Palar kwam zonder werk en inkomsten tezitten. Geruime tijd werd hij tewerkgesteld op een Amsterdams laboratorium in het kader van werkverschaffing voor hoofdarbeiders. Tegelijkertijd probeerde hij wat geld te verdienen met het geven van Maleise taallessen en het optreden als gitarist in verschillende Indonesische orkesten. In de laatste maanden van de oorlog kreeg hij nog een uitkering uit het Van de Kieft-fonds, de illegale kas van de SDAP. Tijdens de oorlog sprak Palar vaak voor illegale groepen over het perspectief van het Indonesisch nationalisme. Samen met zijn vrouw was hij op het laatst betrokken bij het verspreiden van illegale bladen en boden zij zo nu en dan onderdak aan onderduikers. Na de bevrijding meldde Palar zich direct bij het secretariaat van de SDAP, dat voorlopig was gehuisvest in het gebouw van Het Vrije Volk aan het Amsterdamse Hekelveld. Hij trad weer in dienst van de SDAP. Korte tijd later werd hij ook benoemd tot redacteur voor Indonesische zaken bij Het Vrije Volk. Palar werd weer lid van de Koloniale Commissie van de SDAP, die per 15 juni 1945 werd omgedoopt in Commissie Indonesië, aanvankelijk, heel typerend, genoemd Commissie Verhouding Nederland-Indonesië. Het partijbestuur van de SDAP besloot in oktober 1945 ter bespreking van de kwestie Indonesië een vertegenwoordiging te sturen naar de Britse Labour Party, die vanaf juli 1945 regeringsmacht had en ten aanzien van de dekolonisatie van Brits-Indië in een vergelijkbare positie verkeerde. De delegatie die eind oktober naar Londen vertrok bestond uit M. van der Goes van Naters, K. Vorrink, Palar en Stokvis. Palar sprak voornamelijk met de anti-kolonialistische 'backbenchers' in de Labour Party. De leden van de delegatie kregen van hun Britse geestverwanten ondubbelzinnig te horen dat zij er bij de Nederlandse regering op moesten aandringen om snel met Soekarno en zijn medestanders te onderhandelen. Palar en Stokvis waren zeer te spreken over de realiteitszin van de Britse sociaal-democraten, Van der Goes van Naters en Vorrink waren sceptisch.

Op 20 november 1945 werd Palar lid van de Tweede Kamer. Hij behoorde met twee Indonesische vertegenwoordigers van de Perhimpoenan Indonesia tot een groep van veertig mensen die werden benoemd als lid van de Voorlopige Staten-Generaal in afwachting van nieuwe verkiezingen in mei 1946. Palar trad toe tot de Commissie voor Indische Zaken. In mei 1946 werd hij tot Kamerlid gekozen. Ondertussen hadden Soekarno en Hatta op 17 augustus 1945 de Republiek Indonesië uitgeroepen. Palar stond sympathiek tegenover de proclamatie en drong aan op contacten met de Indonesische nationalisten. Maar vooral de figuur van, zoals Palar hem noemde, 'coöperator' Soekarno, vormde voor veel leden van de SDAP en later de PvdA, die in Soekarno een onbetrouwbare collaborateur zagen, een te groot obstakel. Palar oordeelde dat Soekarno's samenwerken met de Japanners weliswaar fout was, 'maar niet onbegrijpelijk. Hij had zijn vaderland niet verraden, doch slechts het vooroorlogs koloniale bewind'. In het programma van de in februari 1946 opgerichte PvdA werd, onder protest van Palar, afstand genomen van de onvoorwaardelijke erkenning van het recht op onafhankelijkheid van Indonesië. Ondanks verzet van de Commissie Indonesië sprak de door het partijbestuur doorgedrukte Indonesiëparagraaf van 'zelfbeschikkingsrecht op grondslag van vrijwillige samenwerking, in gelijkwaardigheid en in gecoördineerd Rijksverband'. Palar verwachtte weinig goeds van dit laatste. Zijn positie als Indonesisch nationalist kwam in de PvdA onder druk te staan, hoewel hij er steeds van overtuigd bleef dat zijn inzichten als Indonesisch nationalist zijn sociaal-democratische overtuiging volkomen dekten. Telkens ook wees Palar op de internationale verhoudingen die beslissend zouden worden voor de toekomst van het Indonesische nationalisme. Naar zijn mening onderschatte Nederland de internationalisering van de kwestie Indonesië. Palar en Stokvis verzetten zich ook tegen het zenden van Nederlandse troepen naar Indonesië. Voor Palar was het teleurstellend dat de PvdA gebruik van geweld niet onder alle omstandigheden uitsloot. Enige weken voor de ondertekening op 25 maart 1947 van het Accoord van Linggadjati, dat Palar beschouwde als een 'Acte van Pacificatie', was hij in Indonesië aangekomen. Hij maakte van maart tot en met mei 1947 in opdracht van het partijbestuur van de PvdA een studiereis naar Indonesië. Hij was een week de gast van Soekarno en sprak voornamelijk met nationalistische leiders van het tweede plan. Men polste hem voor een ministersbaan in de Republiek. Deze reis overtuigde hem van de levensvatbaarheid van de Republiek Indonesië en de brede steun die zij in de archipel genoot. Tijdens Palars reis verspreidde de Nederlands-Indische geheime dienst het bericht dat Palar een Russische geheim agent was die in opdracht van de Sovjet-ambassade in Den Haag naar Indonesië was gereisd om verbindingen tot stand te brengen tussen de sociaal-democraat Soetan Sjahrir en Moskou. Op 10 en 11 juli 1947 werd er in de Tweede Kamer gedebatteerd over de stand van zaken in Indonesië. Tijdens het debat op 11 juli over de ultimatieve nota die de Nederlandse regering de Republiek had overhandigd, hield Palar zijn langste en tevens laatste Kamerrede. Palar stelde dat als de Repubiek Indonesië zich niet hield aan de bepalingen in het Accoord van Linggadjati dit nog niet automatisch betekende dat Nederland gerechtigd was militair geweld in te zetten. Palar hield een vurig pleidooi om de geschillen aan internationale arbitrage te onderwerpen. Terwijl de voorbereidingen voor een militaire actie al aan de gang waren, kwam de partijraad van de PvdA op 19 juli bijeen. Onder aanvoering van J. de Kadt bleef een meerderheid van de aanwezigen zich verzetten tegen geweld in Indonesië. Voorstellen van Palar om tot arbitrage te komen werden terzijde geschoven door minister W. Drees en partijvoorzitter Vorrink. Zij achtten een kabinetscrisis veroorzaakt door de PvdA, catastrofaal voor zowel de partij als Indonesië. Naar de mening van deze PvdA-kopstukken mocht de partij in de binnenlandse politiek, waar voor de PvdA doorbraak en nationale integratie prioriteit had, niet 'de nek breken over Indonesië'. Vorrink dreigde met aftreden van alle partijministers, het partijbestuur minus Palar en van vrijwel de volledige PvdA-fractie als de partijraad de visie van De Kadt en Palar zou overnemen. De Kadt gaf zijn verzet tenslotte op.Voor Palar was dit het begin van het einde van zijn loyaliteit ten opzichte van de PvdA. In een emotionele fractievergadering werd gestemd over het regeringsbesluit om tot militaire actie over te gaan. De PvdA-ministers namen hiervoor verantwoordelijkheid. Palar moest vaststellen dat hij met zijn verzet tegen de actie alleen stond. Op 21 juli 1947, een dag nadat de Nederlandse troepen hun militaire actie waren begonnen, voegde de zwaar teleurgestelde Palar de daad bij het woord, trad uit de PvdA en legde zijn Kamerlidmaatschap neer. Hij schreef aan het partijbestuur een brief met het verzoek als lid van de PvdA te worden geschrapt en deelde mee, 'dat ik dit verzoek niet uitsluitend als Indonesisch nationalist, doch ook als socialist doe. Het is u bekend hoe zwaar deze stap mij valt'. Na interventie van de Veiligheidsraad, op initiatief van Australië en India, werd op 5 augustus 1947 de 'politionele actie' beëindigd. Op 8 augustus 1947 schreef Palar in het artikel 'Gezakt' in Criterium: 'Ook de Partij van de Arbeid, als deel van politiek Nederland en samenwerkend met de Katholieke Volkspartij, heeft politiek op korte termijn gevoerd'.

Op verzoek van Sjahrir werd Palar lid van de Indonesische delegatie naar de Veiligheidsraad in Lake Success, waar de Verenigde Naties (VN) vergaderden. Voor Palar was dat het begin van een prachtige diplomatieke carrière in dienst van Indonesië. In 1948 werd hij benoemd tot gevolmachtigd minister van de Republiek Indonesië en hoofd van de Indonesische delegatie bij de VN. Gedurende vijf jaar bekleedde hij deze positie, een periode waarin hij een belangrijke factor in het Indonesisch-Nederlandse conflict werd en de soevereiniteitsoverdracht van Nederland aan Indonesië en de officiële toetreding van Indonesië tot de VN meemaakte. Vanaf 1953 was Palar achtereenvolgens Indonesisch ambassadeur in India (1953-1956), de Bondsrepubliek Duitsland, de Sovjet-Unie (1957), en Canada (1957-1962). In 1962 keerde hij terug bij de VN. In opdracht van Soekarno leidde Palar de terugtrekking van Indonesië uit de VN, vanwege de internationale kritiek op Soekarno's confrontatiepolitiek met Maleisië. In 1967 voerde Palar Indonesië, nu in opdracht van Soeharto, terug naar de VN. Enige tijd later beëindigde Palar zijn diplomatieke activiteiten en vestigde zich met zijn familie in de rustige, lommerrijke wijk Menteng van Jakarta.

Archief: 

Archief L.N. Palar in Arsip Nasional Republik Indonesia (ANRI) (Jakarta).

Publicaties: 

Artikelen en commentaren in De Strijd, De Sociaal-Democraat, De Socialistische Gids, Socialisme en Democratie, Leven en Werken, Vrije Gedachte en in De Brug-Djambatan.

Literatuur: 

W. Drees, Zestig jaar levenservaring (Amsterdam 1962) 198; L. Giebels, 'Een oud-SDAP'er in Jakarta' in: Socialisme en Democratie, 1979, 470-471; L.J. Giebels, 'De Indonesiër L.N. Palar' in: Orion, 1985, nrs. 4-6; L.J. Giebels, Beel, van vazal tot onderkoning: biografie 1902-1977 (Den Haag 1995) 203, 255-258, 281, 287-288, 296-297, 309, 589-590; M. van der Goes van Naters, Met en tegen de tijd: een tocht door de twintigste eeuw (Amsterdam 1980); P. van Tuyl, Mijn positie is helaas niet erg benijdenswaardig; Nico Palar en de koloniale politiek van de Nederlandse sociaal-democratie 1930-1947 (doctoraalscriptie Universiteit van Amsterdam 1985); 'L.N. Palar: Socialist and Diplomat (Born 1902 [1900])' in: G.O. Wilson (red.), Regents, reformers, and revolutionaries: Indonesian voices of colonial days (Hawaii 1978) 174-177; G. McTurnan Kahin, 'In Memoriam: L.N. Palar' in: Indonesia, 1981, nr. 32, 169-170.

Portret: 

Lambertus Nicodemus Palar (foto Ben van Meerendonk, 1947), IISG

Auteur: 
Emile Schwidder
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 168-172
Laatst gewijzigd: 

00-00-1998