PASSTOORS, Willem Caspar Joseph

Willem Caspar Joseph Passtoors

voorman Nederlandsche R.K. Volksbond en lid Tweede Kamer, is geboren te Zundert op 17 november 1856 en overleden te Ginneken op 6 mei 1916. Hij was de zoon van Willem Fredrik George Lodewijk Passtoors, landbouwer, en Adriana Cornelia Henrietta van Mens. Op 11 augustus 1887 trad hij in het huwelijk met Everdina Sophia Henrietta van Luijnen, met wie hij twee dochters en drie zoons kreeg.

Passtoors groeide op als een gegoede Westbrabantse boerenzoon. Na de lagere school kreeg hij zijn verdere opleiding aan het instituut St. Louis te Oudenbosch en op een pensionaat in Chapelle-au-Bois (België). Na zijn schooltijd diende hij korte tijd als aspirant-officier. Daarna vestigde hij zich in Amsterdam, waar hij eerst in het behangersvak terecht kwam en vervolgens via een volontairschap op een sigarenfabriek grossier werd in sigaren en tabak. In 1888 richtte Passtoors de Nederlandsche R.K. Volksbond te Amsterdam op. De aanleiding daartoe was de uitsluiting van de katholieke kleine man van de viering van het tienjarig pontificaat van paus Leo XIII. Met zijn initiatief reageerde hij op een oproep van drie arbeiders in de Volkscourant, een bijblad van het katholieke democratische dagblad Het Centrum. Zijn voorbeeld vond al snel navolging in Den Haag, Rotterdam en andere plaatsen in het bisdom Haarlem. Er kwam een Centrale Raad waarvan Passtoors voorzitter werd en bleef tot 1909. Hij beschikte over de 'gave des woords', maar, schreef De Tijd, zijn 'boeiende welsprekendheid' [was] aantrekkelijk minder door de diepte van hetgeen hij te zeggen had, dan door de levendige opgewektheid en de bezielende wijze van uitdrukking'. Dit gebrek aan diepgang vond zijn weerslag in de ontwikkeling van de Volksbond. De geschiedschrijver van de katholieke arbeidersbeweging C.J. Kuiper noemde de aanzienlijke groei van het aantal afdelingen en leden in de jaren negentig niet meer dan 'een façade waarachter een organisatorische en strategische zwakte schuilging'. De Volksbond was geen arbeidersorganisatie. De (kleine) burgerij waartoe Passtoors zelf hoorde, maakte er onder leiding van de geestelijkheid aanvankelijk de dienst uit. De afweer tegen het socialisme stond hoog in het vaandel geschreven. De sociale aangelegenheden van de katholieke middenstand en ambachtslieden werden besproken op door de Volksbond belegde congressen. Volgens Gerard Brom kon het 'interklasse-model' in het Haarlemse werken, omdat hier 'genoeg ambachten [waren], waarin de werkman en zijn baasje bijna even dicht bij de kleine burger stonden'. Als gevolg van de verslechterende positie van de ambachtslieden in een tijd van toenemende industrialisatie ontstond binnen de Volksbond geleidelijk de drang tot (materiële) belangenbehartiging vanuit de vakgilden, die als onderafdelingen de arbeiders per beroepsgroep bijeen brachten. De Volksbondbestuurders beschouwden de geringste vorm van vakactie in het begin als 'contrabande', maar 'omdat de grote steden en de industrie daar vanzelf toe drongen' en de aantrekkingskracht van de Volksbond op de katholieke arbeiders erdoor versterkt werd, was de ontwikkeling naar vakorganisaties niet tegen te houden. De Centrale Raad belegde congressen ter bevordering van katholieke vakorganisatie in 1893, 1895 en 1897. Omdat de andere bisdommen niet gediend waren van het expansionisme van de zich als 'Nederlands' afficherende Volksbond, beperkte de deelname zich hoofdzakelijk tot vakgilden uit het diocees Haarlem. In het eerste decennium van de twintigste eeuw was Passtoors nauw betrokken bij pogingen de katholieke vakbeweging te centraliseren via de oprichting van landelijke vakbonden en vaksecretariaten alsmede de totstandkoming van een Bureau voor de R.K. Vakorganisatie. Dit streven stuitte evenwel op het diocesaan particularisme van vooral de Zuidelijke geestelijkheid en op de tegenwerking van de kant van de standsorganisaties. Passtoors zat in het bestuur van het eerste nationale R.K. vakcongres dat in 1903 in Utrecht werd gehouden. In 1908 zat hij in het erecomité van het oprichtingscongres van het Bureau voor R.K. Vakorganisatie. De katholieke standsorganisaties hadden zich in 1906 al verenigd in de Federatie van Diocesane R.K. Volks- en Werkliedenbonden in Nederland. Passtoors werd gekozen tot eerste voorzitter van de Federatie.

Ook in de (katholieke) politiek vertegenwoordigde Passtoors de belangen van de katholieke kleine man. Binnen het katholieke kamp was zijn sociaal-politieke werkzaamheid niet onomstreden. Het streven naar uitbreiding van het werkterrein van de Volksbond tot buiten het bisdom Haarlem leverde hem de vijandschap op van Herman Schaepman, die behalve Tweede Kamerlid ook eerste adviseur in arbeidszaken van het aartsbisdom Utrecht was. Aanvankelijk gaf deze hoog van hem op: 'In de gehele Volksbond is alleen Passtoors goed', schreef hij in 1891 aan Alphons Ariëns. Een half jaar later echter sprak hij over 'een Roomsche B. Heldt' met de 'ijdelheid van een frazenmaker'. Passtoors was nu 'de man, die onze werklieden even ijdel zal maken als de socialisten'. Schaepman was niet bang dat de Volksbond te radicaal zou zijn, maar vond deze 'bluf en bestemd om de prooi te worden van de conservatief-demagogische partij'. In 1893 werkte hij het door de Volksbond georganiseerde vakcongres tegen, dat volgens hem slechts gehouden werd 'ad majorem Harlemmi en Passtoris gloriam' (tot grotere roem van Haarlem en Passtoors). Terwijl Ariëns openlijk pleitte voor een Kamerkandidatuur van Passtoors, noemde Schaepman hem een volledig ongeschikte, te veel op macht beluste streber: 'hij is te wankelbaar, hij is onbruikbaar, hij is volkomen Volksbond, dat is: kleine burger, geen werkman'. In 1901 werd Passtoors voor het kiesdistrict Beverwijk gekozen in de Tweede Kamer. Hij vestigde zich in Den Haag en hield zich als Kamerlid bezig met zaken als volkshuisvesting (de woningwet van 1901) en sociale wetgeving. Hij was lid van de Staatscommissie inzake de pensionering van invalide werklieden. Door zijn verkiezing werd Passtoors de eerste 'arbeiders'-vertegenwoordiger in de deftige Katholieke Kamerclub. Schaepman, voorzitter van de Kamerclub behandelde hem als paria. Hij betitelde hem als 'een onbetrouwbaar man, die in Haarlem de conservatief speelt en in Den Haag rood doet'. Na anderhalf jaar Kamerlidschap stapte Passtoors uit de katholieke kamerfractie. Samenwerking tussen de Kamerclub en hem was onmogelijk, liet hij weten: de club vergaderde te weinig, de opkomst van de katholieke Kamerleden was bedroevend en sommige wetsontwerpen werden niet eens besproken. Het kabinet onder leiding van Kuyper hield volgens Passtoors geen enkele voeling met de club, omdat het toch wel op de katholieke steun kon rekenen, terwijl hij zelf onmogelijk nog langer achter het beleid kon staan. Ten slotte zat het hem dwars dat zijn voorstellen in de Katholieke Kamerclub niet serieus werden genomen. Na enkele maanden keerde Passtoors met stille trom terug in de schoot van de moederpartij. Zijn positie bleef echter benard. In 1907 droeg de fractie hem met W.H. Nolens en P.J.M. Aalberse voor als lid van de Kamercommissie die de behandeling van diverse sociale verzekeringswetsontwerpen moest voorbereiden. Achter de rug van Passtoors en fractievoorzitter J.A. Kolkman om stapte fractiegenoot D.A.P.N. Koolen naar de voorzitter van de Kamer om hem erop te wijzen, dat hij als lid van de Centrale Raad van Beroep in de Sociale Rechtspraak de aangewezen persoon voor de commissie was. Passtoors werd aldus gepasseerd en hij voelde zich ernstig beledigd. In de fractie verklaarde hij dat vrienden hem hadden gewaarschuwd dat Aalberse hem uit de commissie wilde weren. 'Voor het oog zijner geestverwanten is hem daarmede een brevet van onbekwaamheid uitgereikt', liet hij in de notulen optekenen. De Kamerclub besloot aan de kwestie geen ruchtbaarheid te geven. De houding van Aalberse had wellicht van doen met het verzet van Passtoors tegen de oprichting van zijn Bureau voor de Katholieke Sociale Actie in 1904, ingegeven door de angst dat de Volksbond zijn zelfstandigheid kwijt zou raken. In 1913 verloor Passtoors zijn Kamerzetel omdat de confessionele arbeiders het vertrouwen opzegden in de confessionele Kamerfracties vanwege hun sabotage van de sociale verzekeringswetten van de christelijk-historische minister A.S. Talma. De christelijke coalitie verloor haar meerderheid. De enige Kamerzetel die de katholieken kwijtraakten, was die van Passtoors - uitgerekend degene die de katholieke arbeidersvoormannen als bondgenoot beschouwden.

In 1908 was Passtoors benoemd tot burgemeester van het Brabantse Ginneken. Hij trad toen af als voorzitter van de Nederlandsche R.K. Volksbond maar bleef aan als hoofdredacteur van het Volksbondblad De Volksbanier. Bij zijn plotseling overlijden aan een hartaanval beschreef het blad hoe geliefd Passtoors zich had gemaakt bij het gewone volk in zijn gemeente: ' 't Was zoo ne goeie minsch. Helemaal niks groot. Hij praatte zoo gewoon met oe als je bij hem kwam: "Zeg nou mèr ne keer wat er is"'. Het Volk was minder lovend: Passtoors 'zou officier worden, hij werd grossier in sigaren en hij drukte op de R.K. Volksbond geheel het kleinburgerlijk karakter van zijn afkomst'. De sociaal-democratische partijkrant noemde het tragisch dat Passtoors ook door zijn volgelingen nooit anders dan als werktuig van het kapitalisme tegen de zelfstandige arbeidersbeweging werd beschouwd. Daar tegenover stond de waardering van het Bureau voor de R.K. Vakorganisatie dat ten tijde van Passtoors' dood in een heftige strijd gewikkeld was met de standsorganisaties. De secretaris van het Bureau, Piet Haazevoet die als pril lid van de Volksbond, afdeling Amsterdam de politieke kandidatuur van Passtoors steunde, schreef in het kaderblad De R.K. Vakbeweging, dat Passtoors steeds bereid was de Volksbond zoveel mogelijk aan te passen aan de eisen van de moderne R.K. vakbeweging, 'een van de gewichtigste redenen, waarom het R.K. Vakbureau uit het Bisdom Haarlem de meeste steun en medewerking mocht ondervinden'. De begrafenis op 9 mei 1916 werd bijgewoond door de katholieke Kamerleden Aalberse, A.N. Fleskens en Bogaardt, de Volksbondmannen J.W. Smit - zijn opvolger als 'centraal-president' -, B. Lammers en B. Grobben en de voorzitter van het Bureau J. van Rijzewijk.

Publicaties: 

De Nederlandsche R.K. Volksbond' in: J.A. Loeff e.a., Het Katholiek Nederland 1813-1913 (Nijmegen 1913) 287-294.

Literatuur: 

Gedenkboek 1888-1913 van de Nederlandsche R.K. Volksbond. Uitgegeven door het Centraal Bestuur ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van den Bond (Amsterdam 1913); C.J. Kuiper, Uit het rijk van den arbeid (Utrecht 1924-1927, 1951-1953); J. Roes, Bronnen van de katholieke arbeidersbeweging in Nederland. Toespraken, brieven en artikelen van Alphons Ariëns 1887-1901 (Baarn 1982); J. van Meeuwen, Lijden aan eenheid. Katholieke arbeiders op zoek naar hun politiek recht (1897-1929) (Hilversum 1998).

Portret: 

W.C.J. Passtoors, IISG

Auteur: 
Jos van Meeuwen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 218-221
Laatst gewijzigd: 

25-09-2002