POELS, Henricus

Henricus Poels

(roepnaam: Henri; thuis in Venray: Driekus), hoofdaalmoezenier van de arbeid in Limburg en pleitbezorger van de rooms-katholieke standsorganisatie, is geboren te Venray op 14 februari 1868 en overleden te Heerlen op 7 september 1948. Hij was de zoon van Martinus Poels, schapenfokker en -koopman en gros, en Maria Catharina Joosten. Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Roermond op 8 februari 1883 kreeg Poels, op verzoek van zijn vader, Andreas als tweede voornaam.

De twee jaren die Poels na de lagere school doorbracht op de Frans-Latijnse school (pro-gymnasium) van de paters Franciscanen te Venray, bevorderden zijn taalvaardigheid. In 1880 vertrok hij naar de rooms-katholieke elite-kostschool in Rolduc bij Kerkrade. Voorbestemd voor een toekomstig beroep in de handel begon hij op de driejarige Hoogere Burger School-Handelsschool, doch na een jaar maakte hij de overstap naar het gymnasium met de bedoeling priester te worden. Aansluitend volgde hij een tweejarige studie filosofie. In Roermond voltooide hij binnen drie jaar zijn theologie-opleiding aan het bisschoppelijk groot-seminarie. Op 9 september 1891, in het jaar van 'Rerum Novarum', werd hij op 23-jarige leeftijd te Maastricht tot priester gewijd. Zijn wens als missionaris te worden uitgezonden naar Oeganda moest hij laten varen. De Roermondse bisschop F.A.J. Boermans droeg hem op zich in Leuven verder in de bijbelwetenschap te bekwamen. In eerste instantie ging Poels' voorkeur (met het oog op een benoeming tot kapelaan in een arbeidersparochie mettertijd) uit naar de sociologie - een belangstelling die nimmer zou verflauwen - maar deze jonge wetenschap was nog onvoldoende ontwikkeld. In 1897 promoveerde hij tot doctor in de godgeleerdheid op het proefschrift Examen critique de l'histoire du sanctuaire de l'arche (Leuven 1897). Enkele jaren eerder had hij al van zich doen spreken door de publikatie Le sanctuaire de Kirjath-Jearim (Leuven 1894). Zijn geschriften lokten een discussie uit onder katholieke en niet-katholieke bijbelgeleerden. Poels, die de polemiek niet uit de weg ging, ontpopte zich als een strijdvaardig en scherpzinnig exegeet. Hersteld van een ziekbed vervulde hij van 1897 tot 1899 een tussentijds bijbelprofessoraat aan de opleiding van de missionarissen van het Heilig Hart te Antwerpen (Borgerhout). In die periode publiceerde hij enkele artikelen, onder meer over de oorsprong van de Pentateuch, in het tijdschrift De Katholiek, die de nodige weerstanden en verdachtmakingen opriepen in kringen van traditioneel denkende bijbelgeleerden. Door toedoen van de conservatieve Haarlemse bisschop C.J.M. Bottemanne, onder wiens jurisdictie De Katholiek viel, stelde het Heilig Officie in Rome een onderzoek in naar de rechtzinnigheid van Poels' opvattingen. Dit leidde ertoe dat hij één- en andermaal gepasseerd werd voor een docentschap, dat hem aan het Roermondse groot-seminarie in het vooruitzicht was gesteld. Zelfs een interventie van de priester-politicus H.J.A.M. Schaepman via diens Limburgse confrater W.H. Nolens kon hieraan niets veranderen. Een voor hem positieve beoordeling vanuit Rome, die hem van alle blaam zuiverde, bereikte Poels pas in 1901, ofschoon zijn kerkelijke superieuren hiervan reeds lang op de hoogte waren. Hij was toen al, sinds oktober 1899, werkzaam als zielzorger in de St. Martinusparochie te Venlo. Poels' rehabilitatie door Rome kreeg extra glans door zijn benoeming tot één van de twaalf adviseurs, onder wie zijn Leuvense promotor A. van Hoonacker, van de door paus Leo XIII ingestelde internationale commissie voor de bijbelstudie. Om zich als vakgeleerde geheel aan deze taak te kunnen wijden kreeg Poels begin 1902 ontslag als kapelaan. Vrijgesteld van directe parochiële zielzorg keerde hij, onbezoldigd, terug naar zijn ouderlijk huis in Venray.

In 1903, het jaar van de spoorwegstakingen, trad Poels meer op de voorgrond. Als hervormingsgezind adviseur leverde hij, op verzoek van de weinig vitale afdeling Venlo van de 'neutrale', anti-socialistische Bond van Spoorwegpersoneel 'Recht en Plicht', die vele katholieke leden telde, tijdens de april-staking een essentiële bijdrage aan de werkhervatting van de spoorwegarbeiders in Venlo-Blerick. Hij benadrukte de noodzaak tot oprichting te komen van een lokale, gezagsgetrouwe afdeling van de R.K. Bond van Spoorweg- en Trampersoneel 'St. Raphaël', waarvoor reeds vergevorderde plannen bestonden. Zijn getuigenis voor de staatscommissie, die tot taak had een onderzoek naar de werkomstandigheden van spoorwegarbeiders in te stellen, waarin ook A.M.A.J. Ariëns en A.S. Talma zaten, miste haar uitwerking niet. Ariëns raakte geïmponeerd door Poels' intuïtie op sociaal gebied. 'Wanneer ge u aan deze kwestie geven wilt, dan brengt ge de Christelijke Democratie per automobiel vooruit, wat toch zeker heel tijdig is'. Hij zinspeelde hierbij op Poels' opzienbarende rede 'Tijdig', die volgens hem 'rechts en links ingeslagen was'. In krachtige bewoordingen had Poels tijdens de vijfde Katholiekendag te Weert opgeroepen het roer om te gooien en de bakens te verzetten, omdat behoud en berusting geen antwoord boden op de snelle industriële veranderingen. Al in 1900 had hij in zijn rede 'Onze Roeping' het gevaar gezien dat de kerk het contact met het volk zou verliezen. De maatschappelijke ontwikkelingen vroegen om een kerk, die krachtens haar eigen wezen midden in de wereld diende te staan. 'Als het niet vlug genoeg gaat, is in de sociale keuken de pannekoek aangebrand en gaat niet meer uit de pan'. Ook op de Leidse jurist P.J.M. Aalberse maakte Poels indruk. Beiden behoorden tot de Klarenbeekse Club, een gezelschap van katholieke intellectuelen (merendeels jonge vooruitstrevende priesters en leken) dat informeel van gedachten wisselde over de rol van de kerk in de sociale kwestie. Poels was in 1901 betrokken bij de oprichting van het Katholiek Sociaal Weekblad en steunde Aalberse in 1903 bij het opzetten van het bureau van de Katholieke Sociale Actie (KSA) als antwoord op de werkstakingen die hadden plaatsgevonden. Het overlijden van Schaepman datzelfde jaar voorzag in een serieuze kandidatuur van Poels voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer, doch de Roermondse bisschop J.H. Drehmanns was hiervan niet gecharmeerd, waardoor Aalberse Kamerlid werd. De dood van paus Leo XIII blokkeerde een aangeboden professoraat aan het op te richten Bijbelinstituut te Rome. In 1904 accepteerde Poels een aanstelling als 'associate professor' in de exegese van het Oude Testament aan de Katholieke Universiteit van Washington. Zijn verblijf in Amerika (1904-1910), door Poels ervaren als een ballingschap en door hem beschreven in A vindication of my honour (Washington D.C. 1910), onderbrak hij regelmatig door bezoeken aan Rome 'om te weten te komen hoe thans "de pionnetjes" staan op het groote, maar vaak verborgen gehouden, schaakbord der Kerkelijke politiek' en om een netwerk op te bouwen met invloedrijke personen, 'die in eene positie zijn van waaruit men ook achter de coulissen kan kijken'. Tijdens zomervakanties in Nederland en door middel van briefwisselingen onderhield hij contacten met familie en geestverwanten. Wederom beticht van heterodoxie en door integralisten beschuldigd van modernistische opvattingen werd zijn wetenschappelijke reputatie opnieuw in discrediet gebracht. Mede omdat zijn leerstoel niet werd omgezet in een ordinariaat werd hij genoodzaakt ontslag te nemen. Teruggekeerd in Nederland (1910) werd hij, 42 jaar oud, op voorspraak van Nolens door bisschop Drehmanns benoemd tot aalmoezenier van sociale werken in de door socialisme en ontkerstening bedreigde katholieke mijnstreek. Via de sociale zielzorg (geen bedrijfspastoraat) waarmee hij werd belast, zette hij zich in voor economische en sociale verbeteringen. Tot oktober 1919 (hij was vier jaar eerder hoofdaalmoezenier geworden) was hij tevens rector van het kerkdorp Welten bij Heerlen. Geïnspireerd door de boodschap van de pauselijke encyclieken 'Rerum Novarum', de 'grondwet van de katholieke sociale actie', en 'Graves de communi re' (1901), waarin het sociale vraagstuk primair als een zedelijk en godsdienstig probleem werd gedefinieerd, pakte hij de draad van zijn redevoeringen uit 1900 en 1903 weer op. Hij verdiepte zich in de sociaal-economische problematiek van Zuid-Limburg en nam kennis van de leef- en werkomstandigheden in de nabijgelegen Belgische en Duitse mijnbouwgebieden. Gesteund door de leiders van de KSA in Limburg, de aristocraat Ch. Ruijs de Beerenbrouck en de arbeidersvoorman H. Hermans, wijdde hij zich aan de herstructurering van het katholieke organisatieleven. De federatieve Limburgsche R.K. Volksbond (met Hermans als secretaris en Poels als pas benoemd geestelijk adviseur) werd samen met de Centrale Bond van R.K. Mijnwerkersvereenigingen (hiervan was Poels reeds voorzitter) getransformeerd tot de Limburgsche R.K. Werkliedenbond, waarbinnen de lijn van de katholieke sociale actie zich begon af te tekenen. Met Poels als geestelijk adviseur zou deze standorganisatie opkomen voor de zedelijke verbetering, de godsdienstige ontwikkeling en de maatschappelijke verheffing van de arbeidersstand. De zorg voor het stoffelijk welzijn zou hierbij vooral tot uiting moeten komen in betere huisvesting, gezonde voeding en de oprichting van ziekenfondsen. Poels formeerde een 'sprekersbond' van zestien priesters, die over allerlei sociale thema's spreekbeurten vervulden. Daarnaast entameerde hij praatavonden en retraites die per stand werden georganiseerd. Dit initiatief vond bij de middenstand echter weinig weerklank. In die kringen nam men het Poels kwalijk dat hij, naar socialistisch voorbeeld, een aanzet had gegeven tot de oprichting van katholieke verbruikscoöperaties, zoals Ons Dagelijksch Brood (1911). Zijn praatsessies voor de hogere stand van leidinggevenden en intellectuelen (de 'Oberschicht') hadden vooralsnog weinig effect. Het zou tot 1935 duren voordat de St. Adelbertvereniging als representant officieel erkenning kreeg. Door de nogal excentrische ligging van de Mijnstreek ijverde Poels voor een betere voorziening van het openbaar vervoer ten behoeve van het woon- en werkverkeer. Ter voorkoming van grote stedelijke agglomeraties stond hem een planologisch beleid voor ogen, waarin een betere planning en meer woningbouw tevens een oplossing konden bewerkstelligen voor het grote tekort aan arbeidskrachten. Dit resulteerde in 1911 in de oprichting van Ons Limburg, bedoeld als centraal dienstverleningsorgaan voor plaatselijke (katholieke) woningbouwverenigingen. Hieraan was een woningbeurs verbonden, die werkzoekenden behulpzaam kon zijn bij het vinden van geschikte huisvesting. Poels trok J. Stuyt, een Amsterdamse architect en lid van de Klarenbeekse Club, aan om de voorgenomen woningbouwprojecten ter hand te nemen. Om snel en tijdig bij de sterk oplopende grondprijzen geschikte en betaalbare bouwterreinen te kunnen kopen ten behoeve van de bij Ons Limburg aangesloten woningbouwverenigingen werd door zijn toedoen de N.V. Bouwgrondmaatschappij 'Tijdig' opgericht (1913). Deze in opzet filantropische instelling, waaraan Poels tot 1948 als commissaris verbonden zou blijven, werkte met een aandelenkapitaal om te voorkomen dat grond- en huizenspeculanten zich zouden verrijken door de aan- en verkoop van bouwgrond. Met de doorverkoop van reeds in eigendom verkregen bouwpercelen aan de Staatsmijnen (omwille van het algemeen belang) wist Tijdig een aanzienlijke winst te incasseren tot grote woede van de oorspronkelijke grondbezitters, in weerwil van Poels' argumentatie dat deze opbrengst via Ons Limburg zou worden aangewend voor sociale doeleinden, zoals de oplossing van het kostgangersprobleem. Gesteund door de R.K. Werkliedenbond werd een begin gemaakt met de bouw van een gezellenhuis in Heerlen dat geëxploiteerd zou worden door de vereniging Het Goede Kosthuis (1915). Ook werd Ons Limburg in de gelegenheid gesteld (bezoldigde) woninginspectrices aan te stellen ten behoeve van de sociaal-maatschappelijke hulpverlening, waartoe ook de huisvesting voor dakloze werkzoekende arbeiders en voorzieningen als volksgaarkeukens gerekend werden. Mijnwerkers die het socialisme waren toegedaan werden niet uitgesloten, mits zij zich behoorlijk gedroegen. Behalve woningbouwcorporaties konden kerkbesturen en onderwijsinstellingen, waaronder huishoudscholen, tegen vastgestelde kostprijzen bouwgrond verwerven. Op instigatie van Poels, die zich niet meer met grondtransacties bemoeide, werd daarvoor de R.K. Schoolvereeniging 'Onze Mijnstreek' in het leven geroepen. Dit ging met enig wantrouwen gepaard, aangezien hiermee indirect subsidies van de mijndirecties waren gemoeid. De toenemende behoefte aan bakstenen en dakpannen bracht Poels ertoe de produktie van bouwmaterialen, ook al uit het oogpunt van kostenbesparing, in eigen beheer te doen plaatsvinden. Om die reden werd in 1915 de N.V. Steenfabriek 'Onze Industrie' te Spaubeek opgezet. In de jaren twintig, toen ondanks de bevolkingsgroei de overheidssubsidiëring voor de sociale woningbouw begon terug te lopen, wist Poels de mijnondernemingen over te halen bij te dragen aan een nieuw te stichten woningexploiterend orgaan Thuis Best (1926). De oprichting van de textielfabriek Het Begin, een door Poels aangezwengeld werkgelegenhedsproject voor meisjes in de leeftijd van dertien tot zestien jaar, bleek niet haalbaar. Niet tevergeefs waren zijn eerdere pogingen om samen met de Leidse vrouwenarts Cl. Meuleman te zoeken naar preventieve mogelijkheden om de grote zuigelingensterfte in Limburg terug te dringen. In 1912 kon te Heerlen een opleiding voor vroedvrouwen van start gaan. In datzelfde jaar had hij met de totstandkoming van de R.K. Arbeidsbeurs, eveneens in Heerlen, een bemiddelingsorgaan gecreëerd tussen werkgevers en werknemers bij het zoeken naar personeel en werk. Hierbij gold een selectief beleid ten aanzien van (katholieke) arbeidskrachten, die van buiten Limburg kwamen. Ook werd getracht te voorkomen dat Limburgse arbeiders in Duitsland gingen werken, waar zij makkelijk onder socialistische invloed konden geraken. Volgens de leer was het ondenkbaar om tegelijk socialist én goed katholiek te zijn. Om het tekort aan gekwalificeerde arbeidskrachten op te vangen trok Poels in 1913 naar Brabant om rooms-katholieke arbeiders voor de mijnen te werven. De veranderingen die Poels sinds zijn komst in de Mijnstreek doorvoerde, waren keer op keer een doorn in het oog van de socialisten en riepen ook in liberale kringen wrevel op. De liberalen vreesden de invloed die van zijn sociale actie uitging en namen het hem kwalijk dat hij het economisch liberalisme voorstelde als exponent van het uitbuitingskapitalisme. Naast het primaat van de katholieke standsorganisatie (de werkliedenverenigingen) was Poels overtuigd van de noodzaak van een interconfessionele vakorganisatie (de vakverenigingen), temeer omdat bij de in Duitsland werkzame Limburgse mijnarbeiders de ideeën van de goed georganiseerde Christliche Gewerkschaften gretig ingang vonden. Daartoe was, ondanks clericale bezwaren tegen het materialistische Duitse organisatiemodel, in 1907 de Algemeene Bond van Christelijke Mijnwerkers opgericht. Deze was beter in staat de specifieke vakbelangen van de arbeiders in de Limburgse mijnindustrie te behartigen dan de R.K. Werkliedenbond, die als standsorganisatie was aangesloten bij de Federatie der Diocesane R.K. Volks- en Werkliedenbonden in Nederland. Om gezamenlijk te kunnen optrekken werden beide Limburgse bonden onder één dak gehuisvest in een eigen bondsgebouw te Heerlen (1911). Ondanks het feit dat 'Rerum Novarum' de keuze van een gemengde of niet-gemengde arbeidersorganisatie had opengelaten, was het episcopaat, dat onverkort vasthield aan de katholieke organisatievorm (in 1906 geformuleerd en in 1909 en 1911 herbevestigd), op aandringen van Poels uiteindelijk gezwicht om bij hoge uitzondering dispensatie te verlenen aan de christelijke mijnwerkersbond, die overigens voornamelijk uit katholieke leden bestond. Vakverenigingen, zo betoogde Poels, waren geen zijkapellen van de kerk. Dit betekende dat hij wel katholieke, maar geen kerkelijke vakorganisaties wilde. Dat binnen de interconfessionele vakorganisatie het instituut van geestelijke adviseur (de 'zetbaas' van de bisschop) ontbrak, nam niet weg dat Poels en Nolens als kerkelijke ambtsdragers hun stem in de Ereraad (van adviseurs) van de christelijke mijnwerkersbond konden laten horen. Hoe sterk die kerkelijke bevoogding was, bleek in 1915 toen Poels er aan te pas moest komen om de aanstelling tot bezoldigd propagandist van H. Stins, katholiek en voorstander van de interconfessionele vakbeweging, van een bisschoppelijke goedkeuring te voorzien. De volledige katholisering van de bond werd pas in 1926 een feit, nadat de protestants-christelijke leden de bond hadden verlaten en de betrekkingen met het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) waren verbroken. Toetreding, nu onder de naam Nederlandsche R.K. Mijnwerkersbond, tot het landelijk Bureau voor de R.K. Vakorganisatie (het R.K. Vakbureau) vormde geen beletsel meer.

Ofschoon Poels geen bescheiden man op de achtergrond was, zag hij in het clericalisme een belemmering voor de ontplooiing van een eigentijds lekenapostolaat. In de strijd voor materiële lotsverbetering liet de sterker wordende paternalistische bemoeizucht van de veelal sociaal-conservatieve parochiegeestelijkheid weinig of geen ruimte over voor meer lekenzelfstandigheid, vooral in het sociale netwerk van de arbeidersverenigingen. Voor Poels stond vast dat de katholieke standsorganisatie het middel bij uitstek was om de lekenwereld te mobiliseren. De kwestie van de interconfessionele vakbeweging bleef de gemoederen in katholieke kring bezighouden. Al in september 1911, tijdens de door de KSA georganiseerde Zesde Sociale Week te Maastricht, weerlegde Poels de aanhoudende kritiek op de interconfessionele organisatievorm met praktische argumenten. Het R.K. Vakbureau duldde de uitzonderingspositie van de christelijke mijnwerkersbond, die nauw betrokken was geweest bij de oprichting van het CNV, met tegenzin. Aalberse, met wie Poels na zijn terugkeer uit Amerika steeds meer van mening verschilde over de gewenste koers van de arbeiderbeweging, wakkerde kort daarop de tweespalt aan, door in het Katholiek Sociaal Weekblad onomwonden te verklaren dat 'wie de christelijke vakorganisatie verdedigt, een schijnheilige is, een hypocriet, om geen scherper(e) woorden te gebruiken'. In zijn verdediging nam Poels het tevens op voor bisschop Drehmanns, die zich hoe langer hoe meer sociaal-actief opstelde en die evenals hij onder vuur was komen te liggen, opgestookt door het ultra-katholieke dagblad De Maasbode, de spreekbuis van het integralisme, dat een ware kruistocht voerde tegen alles wat met het interconfessionalisme van doen had. Poels' sociale denkbeelden, die als modernistische uitwassen werden bestempeld, waren bij voorbaat al verdacht en vormden een gevaar om het katholieke geloof 'integraal' te bewaren. Hij, die zelfs gebrandmerkt werd als een verkapt socialist, bleef het mikpunt van laster en provocatie, ook nadat de kwade genius, rector M.A. Thompson, als hoofdredacteur was afgetreden (1912) en vervolgens onverminderd doorging met zijn hetze jegens Poels in het door hem opgerichte integrale tijdschrift Rome, dat uiteindelijk, na een veroordeling van het integralisme door paus Benedictus XV, in 1915 ophield te bestaan. In de Nieuwe Kerkraadsche Courant diende Poels, als tijdelijke hoofdredacteur (1911-voorjaar 1913), zijn tegenstanders van repliek. Hij gebruikte dit medium, ontstaan uit een door hem bewerkstelligde fusie van twee lokale nieuwsbladen, ook om zijn controverses uit te vechten met het R.K. Vakbureau. Het Vakbureau maakte zich met de Leidse coryfeeën van de KSA, Aalberse en de Warmondse socioloog J.D.J. Aengenent, sterk voor één ongedeelde rooms-katholieke arbeidersbeweging, waarvan de vakorganisatie (de nationale vakbonden) de grondslag zou moeten vormen. Deze conceptie werd bekend als die van de Leidse of Hollandse school. De rol van de afzonderlijke standsorganisaties (verenigd in de Federatie) zou daardoor sterk gereduceerd worden, hetgeen onverteerbaar was voor de representanten van de Limburgse standsideologie. Met Poels en Hermans voorop benadrukten zij de brede maatschappelijke en culturele functie en daarmee het primaat van de standsorganisatie als 'opvoedingsschool' voor de hele rooms-katholieke arbeidersbeweging. Hun visie, ook wel aangeduid als die van de Heerlense of Limburgse school, heeft Poels naderhand nog eens expliciet uiteengezet in de Analecta voor het bisdom Roermond (opgericht in 1916) en tijdens het Nationaal R.K. Arbeiderscongres te Nijmegen (1921). De inrichting van de samenleving was gebaat bij, wat Poels steeds noemde, een 'moderne', zich steeds aanpassende rooms-katholieke standsorganisatie, die zich baseerde op sociaal-ethische beginselen en waarvan een mobiliserende werking diende uit te gaan als correctief op de dominerende materialistische belangenbehartiging van de vakorganisatie. Voor hem gold de standsorganisatie niet alleen als 'de schutsmuur voor het katholieke karakter der vakorganisatie' maar ook als 'de oefenschool voor de vakorganisatie', waarin de persoonlijke ontplooiing van de arbeider tot zijn recht kon komen. Nadat er voortdurend was geredetwist over de wijze waarop de werkende klasse georganiseerd moest worden (nationaal of diocesaan, katholiek dan wel interconfessioneel) maakte het Nederlands episcopaat in het najaar van 1916 (voorlopig) een einde aan deze richtingenstrijd door de kwestie van de hiërarchische verhouding tussen de stands- en vakorganisatie te doorbreken met een arbitrale beslissing ('Salomonsoordeel'), nadat de interdiocesane verzoenigscommissie onder voorzitterschap van Aengenent een verdeeld rapport had uitgebracht. Hoewel de meerderheid voorstander van het Leidse standpunt was, namen de bisschoppen in een officieel communiqué het Limburgse model (minderheidsadvies) over, waarin de inbreng van Poels zich duidelijk manifesteerde. Dit hield in dat de dubbele organisatiestructuur gehandhaafd bleef, met een ondergeschikte rol voor de vakorganisatie (in 1893 al door Schaepman gepropageerd). Als bewaker van het katholieke geestelijk erfgoed moest de standsorganisatie daarbij ook voor het stoffelijk welzijn zorg dragen. Omdat leden van vakverenigingen verplicht werden tot een individueel lidmaatschap van de plaatselijke standsorganisatie, bleef de controle door het eigen bisdom bestaan. Ogenschijnlijk leek dit bisschoppelijk handvest, dat tot de jaren zestig als richtingbepalend werd aanvaard, een overwinning voor Poels en de zijnen. Een werkbare bestuurlijke verhouding bleek echter vrijwel onmogelijk door een onduidelijke taakverdeling tussen de diocesane standsorganisaties en de nationale vakbonden. Structureel verzwakt door de strijd om de hegemonie zou het nog een aantal jaren duren voordat de overkoepelende organisaties het eens werden over de afbakening van elkaars werkterreinen. Een samengaan werd bereikt in 1925 met de totstandkoming van het R.K. Werklieden-Verbond (RKWV).

Kort voor de viering van zijn zilveren priesterjubileum in 1916 werd Poels voor al zijn verdiensten benoemd tot geheim kamerheer van de paus. Op grond hiervan mocht hij zich voortaan laten aanspreken met 'monseigneur'. Dit eerbetoon kreeg naderhand nog meer glans met zijn benoeming tot huisprelaat van de paus ter gelegenheid van zijn veertigjarig priesterfeest (1931), in 1935 (hij was toen 25 jaar aalmoezenier) gevolgd door de pauselijke onderscheiding 'protonotarius apostolicus'. Voor de ontwikkeling van het katholieke jeugdwerk had Poels in 1916 De Jonge Werkman opgericht, een diocesane jeugdorganisatie die als schakel zou fungeren tussen patronaat (parochiële jeugdzorg voor schoolverlaters) en werkliedenbond. De oorlogsomstandigheden van 1914 waren in het Limburgse grensgebied duidelijk voelbaar. De gestegen kosten van levensonderhoud en de daarmee gepaard gaande daling van de koopkracht noopten de christelijke mijnwerkersbond en de Algemeene Nederlandsche Mijnwerkersbond (ANMB) hun onderlinge strijd op te schorten. Hun aandacht richtte zich op de toenemende werkloosheid en het nijpende tekort aan levensmiddelen en brandstof. In maart 1917 hield Poels tijdens een propagandabijeenkomst in Maastricht zijn bekende Noodkist-rede waarin hij de lage lonen-politiek en de erbarmelijke woningnood aan de kaak stelde. De invoering van het algemeen kiesrecht voor mannen in 1917 zou de bundeling van katholieke kiesverenigingen, die in 1926 definitief zou gaan opereren onder de naam van Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP), in het verkiezingsjaar 1918 immers veel stemmen (kunnen) opleveren. Al meer dan eens had Poels blijk gegeven dat hij de partijpolitiek niet schuwde, ondanks de terughoudendheid die het episcopaat betrachtte. Voor hem gold de moderne standsorganisatie niet per definitie voor arbeiders alleen maar voor alle katholieken als organisatiepatroon, dat 'menschen moest vormen, die ook bij de stembus en in de vakorganisatie toonen dat zij katholieke menschen zijn'. De vorming van een katholieke partij zou in zijn optiek de meeste kans van slagen hebben indien vertrouwenspersonen van maatschappelijke groeperingen gekandideerd zouden worden voor openbare bestuurslichamen. Zij waren beter toegerust om politieke compromissen te sluiten dan de bestuurders van ad hoc opererende rooms-katholieke kiesverenigingen. De verpersoonlijking van deze opvatting en de meest prominente volgeling van Poels was de Limburgse bondsbestuurder J. Maenen. Uit historisch onderzoek in de mijnarchieven is gebleken dat Poels' interveniërende rol bij de vele stakingsacties wel eens wat al te rooskleurig is voorgesteld. Zelf beschouwde hij zich als 'loopjongen' van de arbeiders. In feite fungeerde hij als regelaar van compromissen, zij het niet altijd even succesvol en met minder invloed op de werkgevers dan aanvankelijk werd aangenomen. Dit was onder meer het geval bij de actie tot loonsverbetering in oktober 1915, die slechts een geringe verhoging van de kinderbijslag opleverde in plaats van de beoogde loonstijging van tien procent. Ook in 1917, nadat de onderhandelingen met de mijndirecties om tot een oplossing te komen voor het minimumloon-conflict op niets waren uitgelopen, blokkeerde hij een stakingsoproep van de ANMB. Geïrriteerd door de socialistische strijdmethode en gedwarsboomd door de militaire autoriteiten met een voorwaardelijk openbaar spreekverbod, gebruikte hij zijn morele gezag om de confessionele achterban te overtuigen van zijn afweerstrategie. Van actiebereidheid kon dan ook geen sprake zijn en de mijnwerkersstaking mislukte. De socialisten waren er volgens Poels op uit om het vertrouwen te ondermijnen dat katholieke en protestantse arbeiders stelden in hun geestelijke leiders. Dit bracht hem, in de pers uitgemaakt voor 'socialistenvreter', tot de uitspraak: 'neutrale vakvereenigingen zijn gelijk aan kreeften; wanneer het water te warm wordt, worden ze rood'. Later zou hij in genuanceerdere bewoordingen verklaren dat 'de socialisten hier in de streek wel iets goed gedaan hebben en de oogen van sommige menschen hebben doen open gaan'. Na de stakingsactie werd het voorstel van Poels weer opgepakt om te komen tot de instelling van een permanente commissie, die tot taak had oplossingen aan te dragen inzake arbeids- en loongeschillen. Op beperkte schaal werd samenwerking met de ANMB mogelijk in de zogenoemde Contactcommissie, een overlegorgaan met werkgevers zonder bindende besluitvorming. Beducht voor het ANMB-streven naar een eenheidsvakbond werden er, op uitdrukkelijk verzoek van Poels en met instemming van de werkgevers, geen gezamenlijke ledenvergaderingen gehouden (alleen contacten op bestuursniveau). Alvorens de novembergebeurtenissen van 1918 abrupt een einde maakten aan de samenwerking, wist Poels de staking, die een maand eerder was uitgebroken bij de bruinkoolwinning in Graetheide bij Geleen, te breken. De import van veelal niet-katholieke en met het socialisme sympathiserende arbeidskrachten uit het Westen van het land waren voor hem een gruwel. Als reactie op de revolutiepoging van P.J. Troelstra organiseerde Poels, na consultatie van de katholieke Kamerclub in het parlement, een massale steunbetuiging aan de regering. Het werd een demonstratie van katholiek machtsvertoon. De wijze waarop 'de houwdegen in priestergewaad' de Limburgse arbeidersbeweging wist te mobiliseren om te assisteren bij de ordehandhaving in het Westen en bij de bewaking van spoorwegstations, openbare gebouwen en fabrieken in het Zuiden (het revolutiegevaar uit Duitsland was immers nog niet geweken) riep beelden op uit zijn seminarietijd te Rolduc, toen hij als commandant van de handboogschutterij furore maakte. In de periode van economische malaise begin jaren twintig worstelde Poels vooral met het probleem van dreigende loonsverlagingen, waardoor stakingsacties niet altijd konden worden afgewend. De elkaar beconcurrerende vakbonden waren nolens volens op elkaar aangewezen. De zesurige mijndienst, die sinds begin 1920 alleen voor de zaterdag van toepassing was om de vervulling van de kerkelijke zondagsplicht mogelijk te maken (de 'Poelsschicht'), kon, ondanks een tijdelijke afschaffing in 1925-1926, veilig gesteld worden tot oktober 1940. De druk die in 1921 van regeringswege (Ruijs de Beerenbrouck en Aalberse) op de directie van de Domaniale Mijn bij Kerkrade werd uitgeoefend, zorgde er mede voor dat de aangekondigde loonsverlaging van 35% kon worden teruggebracht tot 4%. Halverwege de jaren dertig kon door interventie van de overheid een reeks verslechterende loonmaatregelen, waartegen Poels het 'onaanvaardbaar' had uitgesproken, worden teruggedraaid zodat stakingsacties konden worden voorkomen. De meningsverschillen met de particuliere mijneigenaren, onder meer over de instelling van een bedrijfsraad, waren daarmee niet opgelost. Op 8 januari 1939, kort voordat hij terugtrad als hoofdaalmoezenier en bondsadviseur, uitte hij hierover nogmaals zijn ongenoegen tijdens een buitengewone algemene ledenvergadering van de R.K. Mijnwerkersbond. Poels liet daarbij duidelijk blijken dat de regering niet doortastend genoeg was geweest om de problemen uit de weg te ruimen. In 1939 leidde hij voor de laatste keer de Limburgse sociale studieweek te Rolduc, een initiatief naar voorbeeld van de Vlaamse studieweek te Leuven, waarmee hij in 1925 was gestart. Er werd in al die jaren druk gediscussieerd over vraagstukken als democratie, wereldorde, werkloosheid, lekenapostolaat en dergelijke. In 1933 protesteerde Poels fel tegen de wijze waarop in Hitler-Duitsland socialisten, communisten en joden werden behandeld. De inbeslagname van de Duitse vakbondskassen veroordeelde hij scherp. Geïnformeerd en gestimuleerd door zijn geestverwant, de uitgeweken Duitse jezuïet Fr. Muckermann, nam Poels krachtig stelling tegen totalitaire systemen als nationaal-socialisme en fascisme. Met bekende katholieke intellectuelen als A. van Duinkerken en T. Brandsma maakte hij korte tijd deel uit van het Comité van Waakzaamheid (1936). Hij verzette zich openlijk tegen de Nationaal-Socialistische Beweging en waarschuwde voor nazi-infiltratie in de Mijnstreek. Een lichte beroerte trof hem in 1935. Tijdens de meidagen van 1940 verbleef hij voor herstel in Antwerpen. Terugkeer naar Limburg bleek onmogelijk, niet alleen vanwege zijn houding tegen het nationaal-socialisme maar ook door zijn medewerking aan het door Muckermann geredigeerde illegale blad Der Deutsche Weg. Poels vluchtte via Frankrijk naar Zwitserland, waar hij een begin maakte met het schrijven van zijn memoires. In juli 1945 keerde hij terug naar Nederland, waar hij in 1947 een eredoctoraat van de Katholieke Economische Hogeschool in ontvangst mocht nemen. Twee maanden nadat Aalberse was overleden, bezweek hij aan de gevolgen van een herseninfarct in het klooster van de Medische Missiezusters te Imstenrade in Heerlen. Hij werd, in navolging van Ariëns, begraven in het bruine habijt der Franciscaner monniken in zijn geboorteplaats Venray. Zijn heengaan werd in het weekblad Katholieke Illustratie herdacht met de bekende woorden van Schaepman: 'Hij was een Geschenk Gods aan Christelijk Nederland'.

Archief: 

Collectie H.A. Poels in Sociaal-Historisch Centrum voor Limburg (Maastricht).

Publicaties: 

Critiek en traditie of de bijbel voor de roomschen (Antwerpen 1899); 'History and inspiration' in: The Catholic University Bulletin, 11, 1905, 19-67, 132-94 en 12, 1906, 182-218; Leo XIII en de sociale quaestie. De godsdienst in het leven van een volk (Heerlen 1912); 'De taak der werklieden- en vakverenigingen' in: Analecta voor het bisdom Roermond, 2, 1917, 171-8, 212-24 en 3, 1918; Onze moderne katholieke standsorganisaties. Haar groote beteekenis voor kerk en maatschappij (Utrecht 1921); De moderne wereld. Blik op den huidigen socialen, meer speciaal sociaal-economischen, algemeenen toestand met aanduiding van de voornaamste factoren, waardoor die toestand is ontstaan (z.pl.1931); Een zestal redevoeringen (Kerkrade 1935); 'Een stuk leven. Beschouwingen van een oud-aalmoezenier van sociale werken' in: Jaarboek van het Sociaal-Historisch Centrum voor Limburg, 10, 1965, 1-136 (ingeleid en geannoteerd door R. Dieteren) en in: Studies over de sociaal-economische geschiedenis van Limburg. X (Assen 1965) 1-124.

Literatuur: 

J.P. van Kasteren, 'Dr. Poels en wijlen prof. Kuenen' in: Studiën, 51, 1898, 150; J. Jacobs, 'Moeilijkheden in het mijnbedrijf. Een onderhoud met mgr. Poels' in: De Tijd, 11.10.1926; J. Jacobs, 'Over godsdienstige toestanden in de Mijnstreek' in: Roeping, 5, 1926-1927, 410-20, 442-53; A.J.C. Rüter, De spoorwegstakingen van 1903 (Leiden 1935) 210, 217; G. Brom, Alfons Ariëns (Amsterdam 1941); J. Jacobs, A. Gerats, Gedachten, woorden en daden van mgr. dr. H.A. Poels (Heerlen 1947); Een wereldfiguur. In memoriam doctor Henricus Andreas Poels (Haarlem z.j.); W.G. Versluis, Beknopte geschiedenis van de katholieke arbeidersbeweging (Utrecht 1949); J. Jacobs, Het gouden boek der K.A.B. Limburg 1900-1950 (Heerlen 1951); R. Dieteren, Veertig jaren arbeiderswoningen in Limburg. 'Ons Limburg' 1911-1951 (Heerlen 1951); C.J. Kuiper, Uit het rijk van den arbeid. 3 delen (Utrecht 1924-1953); R. Dieteren, Mens en mijn. Een halve eeuw strijd, groei en bloei van de Nederlandse Katholiee Mijnwerkersbond (Heerlen 1953); W. van den Ende, 'De Mijnstreek' in: W. Banning (red.), Handboek pastorale sociologie I (Den Haag 1953) 277-8, 283-4, 286; L.J. Rogier, N. de Rooy, In vrijheid herboren. Katholiek Nederland 1853-1953 (Den Haag 1953); J. van Wely, Schaepman (Bussum 19542 ) 522, 525, 570; Ch. Thewissen, 'Poels' in: De Katholieke Encyclopaedie. Deel XX (Amsterdam 19542) 232-3; W. van de Pas, Inzicht en verdieping. Geschiedenis van het ontwikkelingswerk van de Katholieke Arbeidersbeweging in Nederland (Utrecht 1955); W. van de Pas, Henri Poels. De strijder voor het christendom en volksverheffing in onze Mijnstreek (Utrecht z.j.); J. Colsen, Poels (Roermond 1955); J. Colsen, Het centrale punt van Poels' sociologie (Heerlen z.j.); L.J. Rogier, Katholieke herleving. Geschiedenis van katholiek Nederland sinds 1853 (Den Haag 19562); R. Dieteren, W. de Leeuw, 50 jaar zielzorg rond de mijn (Heerlen 1960); J.P. Gribling, P.J.M. Aalberse 1871-1948 (Utrecht 1961); R. Dieteren, De migratie in de Mijnstreek 1900-1935 (Nijmegen 1962); R. Dieteren, Grondbeleid en volkshuisvesting in de Mijnstreek. N.V. Bouwgrondmaatschappij Tijdig 1913-1963 (Assen 1964); A.J. Cornelissen, 'Poels. De mens, christen en priester' in: Studies over de sociaal-economische geschiedenis van Limburg. XIII (Assen 1968) 99-110; J.P. Gribling, 'Poels en Aalberse. Vrienden en tegenstanders' in: Brabants Dagblad, 6.9.1973; S.Y.A. Vellenga, Katholiek Zuid-Limburg en het fascisme. Een onderzoek naar het kiesgedrag van de Limburger in de jaren dertig (Assen 1975); J. Perry, 'De katholieke arbeidersbeweging en haar geschiedschrijving' in: Jaarboek arbeidersbeweging (Nijmegen 1978) 282-317; M.G. Spiertz, 'Poels, Hendrikus Andreas' in: BWN I (Den Haag 1979) 460-2; Th.A.M. Salemink, Krisis en konfessie. Ideologie in katholiek Nederland 1917-1933 (Zeist 1980) 150-2, 171-2, 178-84, 186-8, 295-6, 343-5; G. Harmsen, J. Perry en F. van Gelder, Mens en werk. Industriële vakbonden op weg naar eenheid (Baarn 1980) 40-2, 44-5, 76-82, 110-1; Th. Kroon, Poels, AO-reeks, nr. 1852, 13.2.1981; J. Perry, Roomsche kinine tegen roode koorts. Arbeidersbeweging en katholieke kerk in Maastricht 1880-1920 (Amsterdam 1983); G.J.M. Wentholt, Een arbeidersbeweging en haar priesters (Nijmegen 1984) 37, 48-55; J. Roes, 'Katholieke arbeidersbeweging in historische banen. Inleidende beschouwingen over achtergronden, fasen en aspecten' in: J. Roes (red.), Katholieke arbeidersbeweging. Deel I (Baarn 1985) 35-46; J.A. Righart, De katholieke zuil in Europa (Meppel 1986) 224-30, 233-4, 237-41; L.H.M. Kreukels, Mijnarbeid. Volgzaamheid in strijdbaarheid. Geschiedenis van de arbeidsverhoudingen in de Nederlandse steenkolenmijnen, 1900-1940 (Assen 1986); L.H.M. Kreukels, Kolen en kompels. De geschiedenis van de Nederlandse mijnwerkers (Amsterdam 1986) 70-93; A.J.J. Thelen, Lambert Poell (1872-1937) en de katholieke sociale beweging (Tilburg 1990) 105-6, 248-51, 253, 368, 370-4; J.A. Righart, 'Rerum Novarum et antiquarum. Katholiek-sociaal denken en doen in Nederland, 1891-ca. 1918' in: G.J. Schutte (red.), Een arbeider is zijn loon waardig (Den Haag 1991) 33-42; A.J.J. Thelen, 'Godsdienstige vervolmaking als hoogste doel en lotsverbetering van het volk. Patronen en verhoudingen binnen de katholieke arbeidersbeweging in Nederland, 1888-1916' in: G.J. Schutte (red.), Een arbeider is zijn loon waardig (Den Haag 1991) 43-103; J. Roes (red.), Katholieke arbeidersbeweging. Deel II (Baarn 1993) 51-4; R. Rutjens, 'Tussen groepsbelang en solidarisme. De "ideologie" van de rooms-katholieke vakbeweging en haar verhouding tot de katholieke sociale leer, 1900-1920' in: Jaarboek van het Katholiek Documentatie Centrum, 23 (Nijmegen 1994) 22-54; H. Pijfers, J. Roes, Memoriale. Katholiek leven in Nederland in de twintigste eeuw (Zwolle 1996) 18, 80, 114-5; J. van Meeuwen, Lijden aan eenheid. Katholieke arbeiders op zoek naar hun politiek recht, 1897-1929 (Hilversum 1998.

Portret: 

Henricus Poels, uit: P. van der Meer e.a. (red.), De Katholieke Encyclopaedie. Deel XX (Amsterdam 19542

Auteur: 
Gerh. J. Hebben
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 8 (2001), p. 193-203
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003