POESIAT, Bart

Bart Poesiat

medeoprichter en secretaris Nederlandsch Werkliedenverbond Patrimonium, is geboren te Amsterdam op 17 januari 1831 en aldaar overleden op 31 oktober 1898. Hij was de zoon van Leendert Poesiat, metselaar, en Harmina Weegewijs. Op 21 mei 1856 trad hij in het huwelijk met Johanna Henderika Horst, dienstbode, met wie hij zes dochters en drie zoons kreeg.

Reeds jong werkte Poesiat als timmerman in Amsterdam. In 1853 woonde hij enige tijd in Muiden. Jaren later, van september 1868 tot april 1870, woonde hij met zijn gezin in Oudkarspel. Terug in Amsterdam werd hij betrokken bij de kerkelijke gebeurtenissen die uiteindelijk tot de Doleantie leidden. Als lidmaat van de Hervormde Kerk diende hij in oktober 1870 met anderen bezwaren bij de kerkeraad in tegen de opvatting omtrent de doopbediening. In 1871 zond hij protesten aan de kerkeraad tegen preken van de moderne predikanten dr F.W.B. van Belt en dominee P.H. Hugenholtz Jr. en in 1882 - ditmaal als ouderling - tegen een preek van dr. H.P. Berlage. Hij behoorde eind december 1885 tot de ouderlingen, die geschorst werden door het classicaal bestuur Amsterdam van de Nederlands-Hervormde Kerk. Poesiat werkte als timmermansbaas bij de door W. Hovy geleide bierbrouwerij De Gekroonde Valk en nam op 6 januari 1886 op diens verzoek met andere werknemers, onder wie K. Kater, deel aan het zich toegang verschaffen tot de kerkeraadskamer van de Nieuwe Kerk en het bewaken daarvan (bekend geworden als de 'paneelzagerij').

Poesiat werd door Kater uitgenodigd voor een bijeenkomst op 3 januari 1876 met de bedoeling de mogelijkheden te bespreken om tot oprichting van een christelijke werknemersvereniging te komen, het latere Patrimonium. Door de initiatiefnemers Kater, W.C. Beeremans en J. Witmond werd hij gevraagd hen te helpen bij het ontwerpen van de statuten. Aanvankelijk voelde hij niet voor daadwerkelijke medewerking, doch Kater haalde hem over. Voor Patrimonium werd hij nu een zeer actief meewerkend lid. In het voorlopig bestuur werd hij tweede president. In 1880 werd hij eerste secretaris van het landelijk bestuur. Op het eerste christelijke werkliedencongres, op 22 augustus 1879 gehouden te Utrecht, was Poesiat inleider over het vraagstuk van het ouderdomspensioen. Een jaar later diende hij op een verbondsvergadering van Patrimonium een ontwerpregeling voor een pensioenfonds in. De regeling hield in dat werknemers bij het bereiken van de zestigjarige leeftijd of later de helft van hun loon als pensioen zouden ontvangen. Tevens bevatte de regeling een voorziening ter ondersteuning van weduwen en invalide geworden werknemers. Na het aanbrengen van enige wijzigingen door financieel-deskundigen, ging medio 1881 de regeling van start. Nieuwe bezwaren ontstonden, waardoor het Pensioen- en Onderstandsverbond eerst op 30 november 1887 in werking kon treden. Een administrateur werd benoemd. Spoedig echter moest ook Poesiat tot de conclusie komen, dat ondanks zijn grote inspanning het Pensioenverbond geen levensvatbaarheid had. Er kwamen geen deelnemers. Twee jaar later werd tot opheffing besloten. Door het verminderen van zijn gezondheid moest Poesiat zijn werkzaamheden voor het secretariaat van Patrimonium beëindigen. Op de jaarvergadering van november 1890 nam hij afscheid. Bij die gelegenheid werd hij tot erelid benoemd. Eveneens om gezondheidsredenen was hij in 1889 door De Gekroonde Valk gepensioneerd. Na het vertrek van Kater naar Utrecht, in 1888, was hij in zijn plaats eerste voorzitter geworden van de afdeling Amsterdam. Ook daarvoor bedankte hij in 1890. De anti-revolutionaire kiesvereniging Nederland en Oranje te Amsterdam stelde hem in november 1890 kandidaat voor de gemeenteraad, maar hij werd niet gekozen.

Poesiat trad in zijn werk voor Patrimonium niet op de voorgrond. Hij was meer de denker, naast de vurige spreker Kater. Op publicistisch terrein was hij eveneens diens mindere. Het lijkt daarom dat zijn invloed op het werk van Patrimonium van minder betekenis geweest is. Poesiat en Kater, die elkaar van kind af aan kenden, hebben elkaar zeer beïnvloed. Zij waren één van geest ten opzichte van de houding, die de christen-werkman tegenover de sociale vragen diende in te nemen. In 1891 schreef Poesiat aan Abraham Kuyper over zijn 'mogelijk wel wat sterke afkeer van de zucht om de ongelijkheid in de door den Heere gestelde rangen en standen weg te nemen en alles te nivelleeren'. Evenals Kater wees hij werkstakingen af: 'Het recht mag niet worden gezocht, indien het wordt verkort in het organiseeren van werkstakingen.' In november 1891 was Poesiat als deelnemer aanwezig op het Eerste Christelijk Sociaal Congres te Amsterdam. Gedurende zijn laatste levensjaren nam hij niet meer aan het verenigingsleven deel.

Literatuur: 

Bymholt, Geschiedenis; Patrimonium, 4.11.1898; J.A. Wormser, Een man uit en voor het volk. Het leven van Klaas Kater (Nijkerk 1908); R. Hagoort, Patrimonium (Kampen 1927); R. Hagoort, De christelijk-sociale beweging (Hoorn 1933); R. Hagoort, Het beginsel behouden (Kampen 1934); W. Volger, Om de vrijheid van de kerk (Kampen 1954); P.J. Meertens, 'Poesiat (Bart)' in: Mededelingenblad, nr. 20, november 1961, 7-8.

Portret: 

B. Poesiat, uit: R. Hagoort, Patrimonium (Vaderlijk erfdeel) (z.pl. z. jr.) t.o. 168

Auteur: 
P.J. Meertens, J. van der Molen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 167-169
Laatst gewijzigd: 

00-00-1988