SCHALK, Henriette Goverdine Anna van der

Henriette Goverdine Anna van der Schalk (Henriette Roland Holst)

(bekend als Henriette Roland Holst), socialistisch dichteres en schrijfster op politiek, historisch, filosofisch en literair-kritisch terrein, is geboren te Noordwijk op 24 december 1869 en overleden te Amsterdam op 21 november 1952. Zij was de dochter van Anna Ida van der Hoeven en mr. Theodoor Willem van der Schalk, notaris. Op 16 januari 1896 trad zij in het huwelijk met Richard Nicolaüs Roland Holst, beeldend kunstenaar. Dit huwelijk bleef kinderloos. Zij schreef haar naam Henriette zonder trema.

Van der Schalk groeide op in een voornaam burgerlijk gezin met een liberaal-christelijke achtergrond, hoewel de kerk niet meer werd bezocht. Muziek en belletrie - Franse romans - namen een voorname plaats in. Het huispersoneel bestaande uit zes betaalde krachten nam alle arbeid uit handen. Gedurende haar kindertijd kreeg zij privéles. Daarna plaatsten de ouders haar op het Duitse meisjesinternaat Oosterwolde te Arnhem, waar zij in totaal vier jaar doorbracht. Het onderwijs was er slecht. De leerlingen werd in hoofdzaak vreemde talen en goede manieren bijgebracht. Van der Schalk was een wat eenzelvig, dromerig meisje dat moeite had zich aan te passen. Conflicten met medeleerlingen bleven niet uit. Een zenuwcrisis maakte dat zij tijdelijk terug ging naar het ouderlijk huis. Haar moeder liet haar enige weken opnemen in de Ziekenverpleging te Amsterdam waar de jonge directrice haar meenam op huisbezoek bij minder bevoorrechte medemensen. Terug op Oosterwolde kon zij het leven beter aan. Na haar achttiende jaar werd haar opvoeding voltooid in Luik. Vanaf 1889 woonde zij weer thuis en vulde haar tijd met muziek, literatuur en zelfstudie. Zij liet zich aannemen bij de Remonstrantse Broederschap te Leiden. Een zware slag was de dood van haar vader en jongste zuster die in juni 1892 met hun rijtuig te water raakten en verdronken in het Leidse Galgewater. Al vroeg dichtte zij en tot haar vreugde leerde zij Albert Verwey kennen via zijn vrouw Kitty van Vloten. Het echtpaar had zich begin 1890 in Noordwijk gevestigd. Tevens kwam zij in april 1892 in contact met de schilder Jan Toorop, voor wie zij haar eerste sonnettencyclus schreef. Verwey stimuleerde haar dichterschap en door zijn toedoen verschenen in april 1893 zes sonnetten in De Nieuwe Gids. Op een huldigingsavond van Paul Verlaine in Den Haag in november 1892 ontmoette zij voor het eerst de beeldend kunstenaar Richard Roland Holst met wie zij begin februari bij Verwey thuis nader kennismaakte. Eind januari 1893 leerde zij Herman Gorter kennen, die, op de schaats naar Noordwijk gekomen, bij het echtpaar Verwey logeerde. Hij spoorde haar aan Plato, Dante en vooral Spinoza te lezen. Haar leven lang zou zij hem er dankbaar voor blijven dat hij haar met Dante in aanraking bracht. Zijn enthousiasme voor de in haar ogen abstracte en bloedeloze gedachten van Spinoza deelde zij al snel niet. Van der Schalk werd opgenomen in een geanimeerd en politiek progressief milieu van kunstenaars en intellectuelen rond De Kroniek van P.L. Tak. Inmiddels was zij in januari 1896 getrouwd met Roland Holst, die de grafische verzorging op zich nam van haar eerste bundel Sonnetten en verzen in terzinen geschreven welke, gedateerd december 1895, in januari 1896 te Amsterdam verscheen. Het jonge paar vestigde zich in het Gooi en betrok in 1903 een huis dat H.P. Berlage ontworpen had. Toen Gorter het echtpaar Roland Holst tot het lezen van Das Kapital van Karl Marx bracht, sprak hun dit zeer aan. Maar naast Marx las Roland Holst tevens geschriften van Karl Kautsky en G.V. Plechanov. Ook jaargangen van Die Neue Zeit werkte zij door. Dit marxisme zou jarenlang eveneens het hare blijven. Tijdens het paascongres 1897 van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) traden Gorter, Roland Holst en haar man toe tot deze partij. Roland Holst maakte weldra deel uit van de redactie van het een jaar eerder door F. van der Goes persoonlijk gestichte sociaal-democratische maandblad De Nieuwe Tijd. Van dit theoretische periodiek werd zij in toenemende mate de drijvende kracht. Zij kwam in het partijbestuur en in 1900 was zij afgevaardigde voor de SDAP op het congres van de Socialistische Internationale in Parijs. Roland Holst en haar man ondergingen, evenals andere vooraanstaande Nederlandse socialisten, de diepgaande invloed van de originele Engelse socialistische denker, schrijver en kunstenaar William Morris. In zijn geest trachtte zij kunst en socialisme te verbinden. Na de dood van Morris in het najaar van 1896 stelde zij een bundel van diens opstellen samen onder de titel John Bali en andere vertalingen (Amsterdam 1898). In haar leven en werk bleven zowel de invloed van Marx, vooral gezien door de bril van Kautsky, als die van Morris merkbaar. De hooggestemde verwachtingen ten aanzien van een ophanden zijnde socialistische maatschappij klonken door in haar 1 Mei-gedichten en de bundels: De Nieuwe Geboort (Amsterdam 1903) en Opwaartsche Wegen (Rotterdam 1907). In deze poëzie gaf zij uiting aan haar vreugde over de komende 'triomf van het socialisme'. Haar liefdesverlangen uitte zich in een vergeestelijkte vorm die aanvankelijk van sociale aard was, maar die ook al vroeg een mystiek-religieuze inslag had. Haar eerste literaire studies golden de mystiek. Hierin gaf zij op basis van een historisch-materialistische analyse blijk van haar bewondering voor de middeleeuwse mystiek - Dante - en veroordeelde zij de moderne mystiek - M. Maeterlinck - als de gevoelswereld van de stervende burgerlijke beschaving. Na uitgebreide historische studies publiceerde zij haar baanbrekende werk Kapitaal en Arbeid in Nederland, Bijdrage tot de economische geschiedenis der 19e eeuw (Amsterdam 1902). Hierin gaf zij aan wat de gevolgen voor de werkende bevolking waren van het achterblijven der industriële kapitalistische produktie. In haar eerste socialistische jaren zette zij zich in de eerste plaats in voor de SDAP. In De Sociaaldemokraat, het blad van deze partij, publiceerde zij haar propagandaverzen. In de geest van het toenmalige socialisme zette zij zich evenzeer in voor de geheelonthouding en wijdde hieraan een brochure: Arbeiders en alcohol (Amsterdam 1902).

De onderdrukking en achterstelling van vrouwen hield Roland Holst niet minder bezig. In de brochure Een woord aan de vrouwen der arbeidende klasse naar aanleiding der nationale tentoonstelling van vrouwenarbeid (Amsterdam 1898) kritiseerde zij niet alleen de aanvankelijk strikt burgerlijke opzet van de tentoonstelling maar wees zij erop dat arbeidersvrouwen meer belang hadden bij de klassenstrijd dan bij de strijd tussen de geslachten van het 'burgerlijk feminisme'. In een polemiek met haar partijgenote M.W.H. Rutgers-Hoitsema die hier niet van wilde weten, verdedigde zij de bijzondere bescherming van vrouwen werkzaam in de industrie: De vrouw, de arbeidswetgeving en de sociaaldemocratie (Amsterdam 1903). Op dit punt nam zij het gangbare sociaal-democratische standpunt in tegenover dat van het feminisme. Op grond van een historische analyse stelde zij in De maatschappelijke ontwikkeling en de bevrijding van de vrouw (Rotterdam 1914) dat gezien de tweespalt tussen beroepsarbeid en de plichten als huisvrouw 'slechts in en door het socialisme de bevrijding der vrouw zou komen'. In Het feest der gedachtenis (Rotterdam 1915) bezong Roland Holst grote voorgangsters van de vrouwenbeweging zoals Mary Wollstonecraft, Louise Michel en Catharina Bresjkovskaja. In De taak der hedendaagsche vrouw in de maatschappij (z.pl. 1930) keerde zij zich tegen de individualistische en rationalistische wijze waarop een oudere generatie feministen het vrouwen-vraagstuk benaderd had. De tijd van het nastreven van een abstracte gelijkheid tussen man en vrouw was gelukkig voorbij want deze hield een ontkenning in van de 'diepste aandriften en strevingen van het vrouwelijk geslacht'. Bij het 25-jarig bestaan der Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenclubs dramatiseerde zij de vrouwenonderdrukking in Der vrouwen weg (Rotterdam 1933).

In het leven van Roland Holst wisselden perioden van niet aflatende werkijver en diepe inzinkingen en ziekte elkaar af. Als zij zich geestelijk goed voelde publiceerde zij veel en reisde onvermoeibaar het land af om scholing te geven en op vergaderingen te spreken. W.H. Vliegen noemde haar een spreekster van groot talent: 'Hoewel ietwat zwak van stem, althans was haar stem wat men noemt, wat gevoileerd, verstond zij toch de kunst een vergadering aan haar lippen te doen hangen. Helder en klaar waren haar uiteenzettingen, pakkende beelden en een volmaakte zinsbouw stonden haar ten dienste ... Jonge intellektueelen vooral voelden zich onweerstaanbaar aangetrokken ... Zij is zeker de meest talentvolle vrouw die de Internationale Sociaaldemokratie ooit geteld heeft'. Al bij de spoorwegstakingen van 1903 volgde na aanvankelijke vreugde de ook voor haar bittere teleurstelling na het verloren gaan van de tweede staking in april: De groote spoorwegstaking, de vakbeweging en de SDAP (Den Haag 1903). Met haar boek: Algemeene werkstaking en sociaaldemocratie (Rotterdam 1906) mengde zij zich in de discussie over de betekenis van de massastaking die naar aanleiding van de Russische Revolutie van 1905 binnen het Europese socialisme ontstond. Dit geschrift verscheen oorspronkelijk in het Duits (Dresden 1905) met een voorwoord van Kautsky. Ook in haar poëtische werk vond deze eerste Russische Revolutie weerklank: De opstandelingen, Een lyrisch treurspel in drie bedrijven (Amsterdam 1910). Haar hele leven besteedde Roland Holst niet alleen aandacht aan de onderdrukking van arbeiders en vrouwen maar kwam zij eveneens op voor de mondigheid van de jeugd. Zij bepleitte samen met Gorter en anderen met succes de organisatorische zelfstandigheid van de sociaal-democratische jeugdorganisatie De Zaaier toen deze in 1901 opgericht werd. De op het congres van de Socialistische Internationale in 1907 te Stuttgart aangenomen jeugd-resolutie, lichtte zij toe in een rede waarin zij nogmaals de betekenis van de organisatorische zelfstandigheid der jeugdorganisatie onderstreepte: De socialistische opvoeding der jeugd (Rotterdam 1907). In Stuttgart had zij ook Hendrik de Man leren kennen. Zij schreef een voorwoord bij zijn brochure Het tijdvak der demokratie (Gent 1907). Voor de Amsterdamsche Studentenvereeniging voor Sociale Lezingen sprak zij in maart 1910 over De intellektueelen, het kapitalisme en de sociaaldemocratie (Amsterdam 1911).

Op internationale socialistische congressen kwam Roland Holst in contact met vooraanstaande leiders en theoretici als Rosa Luxemburg, Karl Liebknecht, Clara Zetkin, Alexandra Kollontaj, Leo Trotski en anderen. Met verschillenden van hen ontstond een hechte vriendschap op basis van gelijkwaardigheid. Zij nam mondeling en in geschrifte deel aan de grote discussies. Dit blijkt onder meer uit de briefwisseling met Luxemburg. In de discussie, die in deze jaren gevoerd werd over de marxistische theorie en strategie, wees zij het revisionisme van Eduard Bernstein af. Zij hield vast aan de orthodoxe uitleg die Kautsky aan de leer van Marx gaf. Vooral in haar conceptie van de maatschappelijke bepaaldheid van de kunst blijkt hoezeer zij het economisch determinisme aanhing. Binnen de SDAP richtte de kritiek van Roland Holst, Gorter, A. Pannekoek en Van der Goes zich vooral op P.J. Troelstra, maar door de bemiddelende rol van Tak bleef het zich toespitsende conflict aanvankelijk binnen de partij. Niet alleen op politiek terrein maar ook op dat van filosofie en ethiek was Roland Holst actief. Al in 1903 schreef zij in De Bode, het blad van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers 'Over burgerlijke en proletarische moraal' en lokte daarmee een uitvoerige reactie van S.R. Steinmetz uit die deze later in boekvorm publiceerde: Kritiek op de proletarische moraal van Mevrouw Roland Holst (Amsterdam 1905). Met Gorter en Pannekoek was zij van mening dat de maatschappijtheorie van Marx en Engels filosofisch verdiept en aangevuld was door Josef Dietzgen. Zij wijdde hieraan een aanvankelijk in het Duits verschenen en door Sam de Wolff in het Nederlands vertaald geschrift: De philosophie van Dietzgen en hare beteekenis voor het proletariaat (Rotterdam 1910). Zij meende dat deze filosofie in velerlei opzicht als een 'nieuwtijdsche voortzetting' van het spinozisme kon gelden.

Toen in 1909 de strijd tussen de politieke leider van de SDAP Troelstra en de orthodoxe marxisten onder aanvoering van D. Wijnkoop rond het oppositieblad De Tribune tot het royement en uittreden van deze groep marxisten leidde, sloot Roland Holst zich niet bij de door hen opgerichte Sociaal-Democratische Partij (SDP) aan. Zij steunde de poging van het Internationaal Socialistisch Bureau de organisatorische eenheid te herstellen en was zeer gelukkig met het verzoeningsvoorstel van C. Huysmans en diep teleurgesteld toen Wijnkoop dit afwees. Het bestuur van de SDAP trachtte de overgebleven marxisten te binden door het uitgeven van het Weekblad. Wibaut en Roland Holst waren bereid de redactie op zich te nemen. Roland Holst spaarde Troelstra haar kritiek niet en bracht deze onder andere onder woorden in: Revisionistische en Marxistische tactiek in de kiesrecht-beweging (Rotterdam 1910). Op het SDAP-congres in 1910 voerde zij een felle oppositie en in het conflict rond de haven- en zeeliedenstaking van 1911 koos zij de zijde van H. Sneevliet. Beiden verlieten in dat jaar de SDAP en Roland Holst schreef een voorwoord bij Sneevliets brochure Internationale klassenstrijd (De stakingen in het transportbedrijf) (Utrecht 1911). Sneevliet werd lid van de SDP, Roland Holst vooreerst nog niet, hoewel Luxemburg haar een partijloos bestaan afried. Het gevoel van teleurstelling en vereenzaming dat Roland Holst beving, drukte zij uit in het dichtwerk met de danteske titel De vrouw in het woud (Rotterdam 1912). Bij deze stemming sloten aan het treurspel Thomas More, Een treurspel in verzen (Rotterdam 1912) en de biografie Jean Jacques Rousseau, Een beeld van zijn leven en werken (Amsterdam 1912). Beide hoofdpersonen werden vanwege hun opvatting vervolgd of verstoten. Bij het uitbreken van de Wereldoorlog in 1914 schokte het haar diep toen bleek dat de vaderlandsliefde het won van het internationalisme en de proletarische klasse-solidariteit. In verschillende brochures keerde zij zich tegen het militarisme. Tegen het officiële SDAP-standpunt in, sprak zij zich uit voor individuele dienstweigering: Waarom ook Sociaal Demokraten het 'Manifest van sympathie met eventueele dienstweigeraars' geteekend hebben (1915). In juni 1917 stond zij evenals andere ondertekenaars hiervoor terecht en verklaarde: 'Zoolang ik mijn levensidealen uit in ook door burgerlijke letterkundigen dikwijls overmatig bewonderde poëzie, kan ik bij de bourgeoisie geen kwaad doen, maar zoodra ik de idealen inderdaad propageer, word ik van alle kanten aangeblaft en voor de rechtbank gesleept'. Roland Holst verwierp de landsverdediging maar was geen pacifiste. Zij pleitte voor een 'volksleger'. In dat jaar richtte zij samen met Johan Visscher en andere leden uit SDAP en SDP de Revolutionair Socialistische Vereeniging (RSV) op met als orgaan De Internationale. In tegenstelling tot Wijnkoop en zijn SDP was zij wel in september 1915 aanwezig op de conferentie in het Zwitserse Zimmerwald. Deze conferentie was georganiseerd door socialisten uit verschillende landen die het internationalisme en de strijd tegen de oorlog trouw gebleven waren. Hier ontmoette zij behalve Trotski ook Lenin maar zij betrok hem niet bij de redactie van Der Vorbote, internationale marxistische Rundschau die zij samen met Pannekoek uitgaf (en financierde) en waarvan in Zwitserland twee nummers verschenen. Lenin, Karl Radek, G.J. Zinovjev en anderen leverden bijdragen. In 1916 sloot zij zich ten slotte bij de SDP aan die vervolgens met de RSV fuseerde. In De Tribune verschenen nu tal van bijdragen van haar hand over acties, demonstraties, stakingen en partijaangelegenheden. Samen met Marie Mensing werkte zij mee aan De Voorbode, het orgaan van de Revolutionair Socialistische Vrouwenbond, en riep vrouwen op zich tegen het oorlogsgeweld te keren en deel te nemen aan de revolutionaire strijd.

Met de Russische Revoluties van februari en oktober 1917 en de Duitse van november 1918 brak ook voor Roland Holst een periode van nieuwe hoop en geestdrift aan. In Nederland roerde de arbeidersbevolking zich eveneens. Na afloop van een grote vergadering in Amsterdam belegd naar aanleiding van de vrijlating van Liebknecht en Luxemburg in november 1918, ging Roland Holst met Wijnkoop en anderen aan het hoofd van een demonstratie langs de kazerne in de Sarphatistraat. Militairen openden het vuur en er vielen doden en gewonden. Roland Holst sprak de soldaten toe. De pers noemde haar een 'pétroleuse'. De SDP, in 1918 omgedoopt in Communistische Partij in Nederland (CPN), sloot zich aan bij de Communistische Internationale (Komintern). Roland Holst besteedde veel aandacht aan de gebeurtenissen in Duitsland en Rusland. Tal van publikaties getuigen hiervan. In Duitsland nam het revolutionaire gebeuren een dramatische wending. De moord op Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht schokte haar heftig. Zij uitte haar gevoelens in: De gevallen helden ter eere (Amsterdam 1919). Later zal zij hierop nog terug komen in: Rosa Luxemburg, Haar leven en werk (Rotterdam 1935). Ethische vraagstukken die haar al eerder bezighielden vroegen rond de gang van zaken in de Sovjet-Unie opnieuw haar aandacht. In de brochure De strijdmiddelen der sociale revolutie (Amsterdam 1918) betoogde zij, dat het proletariaat opgevoed diende te worden tot het geestelijke 'geweld' van massale betogingen. Dit louterde en hield af van geloof in wapengeweld. Zij werkte deze gedachte nader uit in een omvangrijk historisch werk De revolutionaire massa-aktie, Een studie (Rotterdam 1918) dat reikt van middeleeuwse boerenopstanden en burgerlijke revoluties via de Chartistenbeweging en Parijse Commune tot de Russische Revoluties. Zij trad met De daden der Bolschewiki (Amsterdam 1919) op als vurig verdedigster van de Sovjet-Unie. Zij beschouwde het socialistische experiment als geslaagd en had daarbij niet zozeer de economische maar veel meer de geestelijke veranderingen op het oog. Zij schrok er in 1921 niet voor terug als afgevaardigde op weg naar het derde Komintern-congres te Moskou, samen met Peter Alma en Louis de Visser, te voet illegaal de Duitse grens te passeren. Zij berichtte hierover in Verslag van het Derde Internationale Communistische Congres (1921). Zij ontmoette daar Sebald Rutgers en sprak voor het laatst met Trotski, die haar overtuigde van het politieke gevaar dat de linkse oppositie van bij voorbeeld Gorter en Pannekoek, vormde voor het voortbestaan van de jonge sovjet-staat. Ook bracht zij een bezoek aan Maxim Gorki, die haar confronteerde met de hongersnood in het Wolgagebied. Terug in Nederland zette zij zich in voor de voedselactie ten behoeve van hongerend Rusland. Haar reisindrukken gaf zij weer in Uit Sovjet-Rusland, Beelden en beschouwingen (Rotterdam 1921). Zij toonde zich verrukt over haar bezoek aan de aparte vrouwenconferentie waar zij Kollontaj, Nadjezjda Kroepskaja en Lenin ontmoette maar ook boerinnen uit het verre Siberië.

Ondertussen vroeg ook De Nieuwe Tijd veel aandacht van Roland Holst. Hieraan werkten tot 1916 zowel leden van de SDP als van de SDAP mee. Toen de SDAP in dat jaar met een eigen theoretisch orgaan De Socialistische Gids kwam, waren het alleen nog de leden van de SDP die bijdragen leverden. In 1920 verlieten Gorter en Pannekoek, de twee belangrijkste medewerkers aan De Nieuwe Tijd, het blad. Zij gingen een eigen weg en wezen de koers van Lenin en de andere Russische leiders af. Dit maakte een politieke breuk met Roland Holst onvermijdelijk, want onder invloed van Trotski bleef zij eerst nog solidair met de bolsjewiki. Gorter noemde zij echter ook later nog haar beste vriend. Zij getuigde van zijn betekenis voor haar in: Herman Gorter (Amsterdam 1933). Het einde van De Nieuwe Tijd kwam in 1921 toen het CPN-bestuur het recht opeiste twee redactieleden te mogen benoemen. Roland Holst zei te 'weten' niet te mogen vasthouden aan oude 'individuele onafhankelijkheid'. De Nieuwe Tijd was tot dat moment altijd een van SDAP en SDP onafhankelijk blad geweest. In 1922 verscheen De Communistische Gids, Wetenschappelijk Maandschrift van de Communistische Internationale in Nederland als theoretisch orgaan van de CPN onder redactie van Roland Holst, W. van Ravesteyn en K.A. van Langeraad. Roland Holst besteedde niet alleen veel tijd aan eigen publikaties maar stak ook veel energie in het redactionele werk en zou dit haar hele leven blijven doen. Met grote hardnekkigheid achtervolgde zij potentiële auteurs met haar briefkaartjes waarin zij aan gedane beloften herinnerde. Organiseren kon zij tot in de puntjes. Geen detail liet zij aan het toeval over. Werken tot zij erbij neerviel zag zij als typerend voor haar leven. Behalve voor De Nieuwe Tijd was zij actief in de in 1919 opgerichte Bond van Revolutionair-Socialistische Intellectueelen (BRSI) en in 1921 en 1922 in het Komité tot propaganda onder intellectueelen voor hulpverschaffing aan Rusland (KOMPINRUS). In de BRSI werkte zij samen met Heleen Ankersmit en Daniël de Lange die een vriend voor het leven werd. Talrijke conflicten teisterden de CPN in de jaren twintig. Roland Holst koos overwegend, maar allerminst kritiekloos, de zijde van het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) en van Sneevliet voorzover deze in Nederland politiek actief was. Verder zag zij veel in de jonge generatie communisten onder wie Dirk Struik, Jacq Engels en Jacques de Kadt. Van meet af aan stond zij met Wijnkoop en zijn kring niet op goede voet. Het grote belang dat zij hechtte aan de socialistische eenheid in de revolutionaire actie botste in toenemende mate met de sectarische politiek die de CPN-leiding voerde. Toen in 1924 Wijnkoop steeds duidelijker in conflict kwam met de Executieve van de Komintern, verliet Roland Holst de CPN en sloot zich aan bij de door de oppositie net opgerichte Bond van Kommunistische Strijd- en Propagandaclubs (BKSP). In het eerste nummer van De Kommunist, het orgaan van de BKSP, schreef zij: 'In het teken der waarachtigheid. Tegen leugen en bedrog als specifiek communistisch strijdmiddel'. Haar opvattingen over ethiek werkte zij nader uit in Communisme en moraal (Arnhem 1925). Hierin zette zij zich scherp af tegen de in haar ogen dubbele moraal van de heersende klasse. Het 'geweten' bepaalde voor haar de waarde van onze handelingen. Het ging erom te 'luisteren naar de innerlijke stem', waarbij 'waarachtigheid en meegevoel de twee voornaamste psychische krachten' zijn. De wereld wordt niet in haar geheel gekend door het verstand, ook de intuïtie, het gevoel, de waarneming en hun synthese in de verbeelding zijn zulke wegen, alsmede 'het besef van de algehele kosmische samenhang'. 'In het onderbewuste wordt de daad voorbereid'. In de vrijere opvattingen van Jacq Engels over seksualiteit vond zij blijkbaar veel van de hare terug. Zij schreef een voorwoord bij diens boek De communist en zijn sexueele moraal (Den Haag 1926). Later stemde zij echter in met de Rein Leven-opvatting zoals D.L. Daalder die vertolkte in Het Brandende Braambosch (1931).

Toen Wijnkoop, Van Ravesteyn en Jan Ceton in 1925 ten val gebracht waren, keerde zij nog weer voor korte tijd in de CPN terug. Zelfs nam zij zitting in de redactie van Klassenstrijd, het theoretisch orgaan van CPN en NAS, dat de plaats innam van de door de Wijnkoop-oppositie meegenomen Communistische Gids. In Heldensage, Een gedicht (Amsterdam 1928), een breed opgezet dichtwerk, bezong zij voor het laatst in positieve zin de Russische Revolutie en haar leider Lenin. Maar toen in 1927 Trotski door Stalin buiten spel gezet werd en in China Tsjang Kai Sjek de kans kreeg de communisten op grote schaal uit te moorden door foutieve richtlijnen van de Komintern, braken Sneevliet en zij definitief met de Komintern en de CPN. Bij een politieke partij heeft zij zich daarna niet meer aangesloten, maar wel bleef zij politiek stellingnemen en zich bij de zaak van het socialisme betrokken voelen. Nauwe banden onderhield zij haar hele leven met de vrijheidsstrijd in Indonesië. Zij sprong na de opstanden in 1926 en 1927 die eindigden met bloedige onderdrukking in de bres voor de leiders die gedeporteerd werden naar concentratiekampen onder meer in Nieuw-Guinea. In september 1927 woonde zij het oprichtingscongres van de Liga tegen Imperialisme en Koloniale Onderdrukking in Brussel bij. Zij kwam in de Algemeene Raad en schreef in het orgaan Recht en Vrijheid dat de Liga in Nederland uitgaf (1927 - 1928). In de zomer van 1927 sprak zij samen met Mohammed Hatta op een conferentie van de Internationale Vrouwenbond voor Vrijheid en Vrede in Zwitserland over koloniale politiek. Aan deze conferentie namen ook Pandit Nehroe, Gilbert Murray en Albert Schweitzer deel. Zij was tot het inzicht gekomen dat het 'voor de zekerheid van een vernieuwend socialisme' nodig was 'het socialisme niet enkel als vrucht der ontwikkeling van de klassentegenstellingen en van onze eigen strijd om de macht' te zien maar meende dat het socialisme ook vooronderstelde 'de groei in onszelven van zuiverder gezindheid, dieper kameraadschap, meer liefde voor allen die onze liefde behoeven'.

Na de breuk met de CPN kwam Roland Holst in De Weg tot Eenheid (Amsterdam 1928) tot een analyse van de gehele socialistische arbeidersbeweging, die zich naar haar mening in een diepgaande crisis bevond. De invloed van De Man op haar geestelijke ontwikkeling was daarbij onmiskenbaar al zou zij zich nooit zo radicaal tegen het marxisme keren als hij. De sociaal-democratie was in haar ogen uit op electorale successen en het communisme zat gevangen in een versteende dogmatiek en ging zich te buiten aan demagogie. In beide kampen zag een minderheid dat in. Er was een nieuwe socialistische denkwijze aan het ontstaan, die verband legde tussen de 'beweging' en de uiteindelijke doeleinden en idealen. Dit maakte een synthese mogelijk tussen het utopisme en het wetenschappelijke socialisme. Hoewel zij de betekenis van de sociaal-economische factoren niet negeerde, kreeg zij in toenemende mate oog voor het gewicht van de geestelijke krachten. Naast de politiek bleef de maatschappelijke betekenis van de kunst haar bezig houden. Reeds in de aanvang van haar politieke loopbaan rekende zij af met de beweging van tachtig in Socialisme en literatuur (Amsterdam 1899). In De Communistische Gids verscheen reeds in 1924 een studie 'Historisch materialisme en de kunst' die zij nader uitwerkte in De voorwaarden tot hernieuwing der dramatische kunst, Een studie (Rotterdam 1924). In dit werk ging het om de waardigheid van de mens als scheppend en zedelijk wezen. De verhouding tussen historisch materialisme en kunst komt aan de orde in haar bundel Over leven en schoonheid, Opstellen over aesthetische en ethische onderwerpen (Arnhem 1925). Vanaf 1928 verbreedde zich deze thematiek tot de gehele geestelijke crisis. Met pinksteren 1928 sprak zij op een conferentie in Heppenheim. De Man had haar uitgenodigd. Deze conferentie ging uit van De Man, Carl Mennicke en Hugo Sinzheimer en beoogde zich kritisch te bezinnen op de socialistische beginselen en op het marxisme zonder dit laatste integraal te verwerpen. Op deze conferentie leerde zij de Zwitserse socialistische theoloog Leonhard Ragaz kennen. In oktober 1929 woonde zij op uitnodiging van Ragaz een bijeenkomst bij van Zwitserse religieuze socialisten te Casoja bij Lenzerheide en sprak over Der Umschwung in der geistigen Lage und die neuen Aufgaben des Sozialismus (Zürich 1930) - Ragaz voorzag de uitgave van de rede van een voorwoord - in het Nederlands vertaald als De geestelijke ommekeer en de nieuwe taak van het socialisme (Arnhem 1931). Zij raakte zeer onder de indruk van Ragaz die omgekeerd haar boek Communisme en Moraal bewonderde. Zij voorzag de Nederlandse vertaling van zijn boek Van Christus tot Marx van Marx tot Christus, een bijdrage (Utrecht 1929) van een voorwoord. Hierin bekende zij zich tot het christendom en gaf aan dat een geestelijke vernieuwing van het socialisme betekende het herstellen van de band tussen christendom en socialisme. In de 'Geestelijke ommekeer' betoogde zij hoe in het moderne denken een meer organische opvatting van de versnipperde afzonderlijke wetenschappen de plaats ging innemen van het strakke mechanische rationalisme. Een te rigide denken vanuit klassentegenstellingen, dat de eigen verantwoordelijkheid ontkende en het sociale schuldgevoel eenzijdig richtte, maakte dat er een soort 'verkalking van het geweten' optrad. Dit leidde tot een banaal gevoelsleven, waaruit tweedracht en broedertwisten voortkwamen. Zij pleitte voor een leven in een totaliteit waarbij redelijkheid, verstand en intuïtie samenvloeiden. Dezelfde geest ademde haar oproep aan de jongeren: De strijd om de jeugd (Amsterdam 1931). De geestelijke nood bleef haar bezig houden zoals in De krisis der westersche kultuur (Arnhem 1933). Het redactiesecretariaat van Klassenstrijd - vanaf 1929 voortgezet onder de naam De Nieuwe Weg - dat na de breuk met de CPN steunde op de politieke aanhang van Sneevliet en het NAS, gaf zij vooreerst niet op. Pas toen de meerderheid van de redactie op 25 mei 1930 eiste dat aan de medewerking van Engels een einde moest komen, trad zij in januari 1930 uit de redactie maar zei nadrukkelijk wel aan het blad te willen blijven meewerken. In de verklaring over haar uittreden sprak zij ook over de grote veranderingen die zich al jaren in haar opvattingen voltrokken. Daardoor kostte het haar grote moeite het tweede deel van Kapitaal en Arbeid waar zij al vijf jaar aan werkte, te voltooien. Met hulp van Engels kreeg zij dit ten slotte toch af: Kapitaal en Arbeid in Nederland (Rotterdam 1932). Van haar gewijzigde inzichten legde zij in een slotbeschouwing verantwoording af en wees op de mogelijke komst van een vernieuwd socialisme waarin een meer praktisch-constructieve en een meer religieus-beschouwende stroming zouden samenkomen. Een universele leer van het socialisme achtte zij niet meer mogelijk, maar uit een in volle vrijheid gevoerde ideeënstrijd kon een socialistische denkwijze voortvloeien.

Politiek stond Roland Holst in de jaren dertig dicht bij de Bond van Religieuze Anarcho-Communisten (BRAC), de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging (IAMV) en de syndicalisten. Wat haar echter van hen scheidde was haar nog steeds betrekkelijk positieve beoordeling van de parlementaire democratie, de rol van de sociaal-democratie, de vakorganisatie en de coöperatie vooral zoals deze in België functioneerde. Tevens was haar afkeer van het Stalin-regime wel groot maar toch verklaarde zij zich bereid direct een actie 'handen af van de Sovjet-Unie' te voeren wanneer dit nodig mocht zijn. Zij bleef de socialistische beweging als een totaliteit zien. Alle stromingen vertegenwoordigden voor haar bepaalde aspecten van het geheel. Dit verhinderde haar niet fel afzonderlijke daden van sociaal-democraten en communisten te veroordelen. Zij keerde zich in Vlag en Lading (Oldebroek 1932) tegen de wijze waarop de communisten achter de schermen het wereldvredescongres dirigeerden, manipuleerden en monopoliseerden. Voor Bevrijding, het orgaan van de BRAC, schreef zij tussen 1928 en 1940 een aantal bijdragen. Zij publiceerde vele artikelen tussen 1932 en 1940 in het religieus-socialistische weekblad Tijd en Taak onder redactie van W. Banning. Bij de Woodbrookers in Bentveld was zij een graag geziene inleidster. In de jaren dertig breidde haar invloed zich vooral uit onder christen-socialisten, jongeren en in het bijzonder studenten. In deze kringen werden ook haar talrijke lekespelen opgevoerd zoals Kinderen van deze tijd (Rotterdam 1931) en Wij willen niet, Een anti-oorlogsspel (Rotterdam 1931). Zij had zich naast de lyriek reeds in haar sociaal-democratische en communistische periode aangetrokken gevoeld tot het dramatische genre. Pas de ontplooiing van de jeugdbewegingscultuur, vooral in de Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale, en de plaats van spreekkoren en lekespelen daarin, boden haar de kans haar stukken opgevoerd te krijgen. Bij het voorbereiden van de opvoeringen en het repeteren en regisseren van de tekst speelde zij zelf een actieve rol en stak daar veel tijd in. Haar lekespelen verwierven een grote populariteit. Haar opvattingen over geweld wijzigden zich in de loop van haar leven ingrijpend. In De Vrije Communist, het toenmalige orgaan van de BRAC, bestreed zij in 1921 nog het pacifisme van Clara Wichmann. Door het effect dat Gandhi's burgerlijke ongehoorzaamheid als anti-koloniale strijdmethode had, sprak geweldloze weerbaarheid - aansluitend bij een groeiende pacifistische overtuiging - haar steeds meer aan. In 1930 debatteerde zij met J. Valkhoff op een conferentie van de Jongeren Vredes Actie over Geweld, geweldloosheid in den strijd voor het socialisme (Den Haag 1930). Zij onderkende dat geweld in de praktijk van de bevrijding der arbeidersklasse niet altijd te vermijden viel, maar wilde dit zoveel mogelijk beperken door het principieel volledig te verwerpen. Samen met Carolus Verhulst redigeerde zij het tweemaandelijks bulletin van de vereniging Vrienden van India (1934 -1937). In de inleiding die zij schreef bij het Uit de praktijk van de geweldloosheid (1931) van Raghu Vira over Gandhi's strijd tegen de koloniale overheersing, achtte zij bij maatschappelijke veranderingen een zekere mate van dwang in de vorm van boycot en staking onontkoombaar. Zij bleef een socialistisch activiste die voer op een feilloos innerlijk kompas. In 1933 bepleitte zij amnestie voor de 'muitende' matrozen van De Zeven Provinciën en voor Sneevliet die in verband hiermee wegens opruiïng een gevangenisstraf uitzat. Na de bloedige nederlaag van de Oostenrijkse sociaal-democratische arbeiders in februari 1934, hen toegebracht door de militaire overmacht van de rooms-fascistische Dollfuss-regering, legde Roland Holst in het openingsartikel van Bevrijding 'Wat leeren ons de gebeurtenissen in Oostenrijk?' de oorzaken van de nederlaag bloot. Zij analyseerde de klassenverhoudingen en legde de vinger op het falende leiderschap van de sociaal-democratische partij. Zij prees echter de sociaal-democratische arbeiders: 'Allen voelden, dat hier iets grootsch geschiedde - dat mannen zich wierpen in een ongelijken strijd, vrijheid, bloed en leven waagden, liever dan zich zonder verzet te laten ontrechten. Een dergelijk kollektief heroïsme had de socialistische strijd in Europa in lang niet te zien gegeven. Als socialisten zijn wij allen de Oostenrijksche arbeiders dankbaar voor hun daad.' Na de Amsterdamse werklozenopstand in juli 1934 waarbij doden en vele gewonden vielen, schreef zij het gedicht 'Roode Juli': 'Omlaag de steun en omlaag; al grauwer wordt het leven, al grijzer... Een stem fluistert, diep in 't hart: "Is het niet schooner en wijzer, de vaan van den opstand te hijschen" en te sterven voor wat men gelooft?' In 1937 koos zij zonder aarzelen de zijde van het leger van de Spaanse republikeinse regering in de strijd tegen de fascistische putsch van generaal Franco: 'Ons hart klopt voor hen; onze vurige wensch is dat zij mogen zegepralen, en in hun zegepraal menschelijk zijn'.

Roland Holst bleef produktief op alle literaire terreinen. Bij herhaling maakte zij gebruik van het biografische genre om haar idealen en principes tot uitdrukking te brengen via figuren met wie zij zich verwant voelde. In 1920 beschreef zij nog een grote figuur die het militaire geweld belichaamde: De held en de schare, Een verbeelding van Garibaldi en de Italiaansche vrijheidsbeweging (Amsterdam 1920). Het ging er haar om 'de toekomstige strijders voor het Heil der Menschheid een spiegel voor te houden, waaruit de geest van onverschrokken revolutionaire daadkracht onverbrekelijk verbonden aan dien van grootmoedige menschelijkheid, hun heerlijkvlammend tegenstraalt, - dat is de geest, die alleen het communisme tot de overwinning kan voeren'. Later beeldde zij juist figuren uit die de geweldloze actie predikten: Tolstoi, Zijn wezen en zijn werk (Rotterdam 1930) en Gandhi (Amsterdam 1947). Verder schreef zij nog: Guido Gezelle (Amsterdam 1931), Gustaaf Landauer, Zijn levensgang en levenswerk (Arnhem 1931), Clara Meijer-Wichmann herdacht (Rotterdam 1937), Romain Rolland (Amsterdam 1948). Het spreekt haast vanzelf dat een zo grote produktie de historische precisie niet ten goede kwam. Zij getuigde in de eerste plaats van haar visie op deze grote figuren. Door haar kwetsbare gezondheid trokken Roland Holst en haar man zich na de Eerste Wereldoorlog veel terug in hun buitenhuis op de Buissche Heide bij Zundert dat het eigendom van haar moeder was geweest. Na de dood van haar moeder op 24 april 1914 hadden haar broer en zij ieder voor de helft het landgoed geërfd. Haar broer liet zijn deel aan haar na. Zij bracht met haar man veel tijd door op de Angora Hoeve die zij samen op de Buissche Heide hadden laten bouwen. Er kwamen talrijke gasten, maar doordat huishoudelijk personeel het extra werk dat dit met zich meebracht, erbij deed en er aparte logeerverbljven waren, kon het echtpaar Roland Holst zich aan eigen arbeid wijdden. Tot de gasten behoorden A. Roland Holst, Johan Huizinga, Arthur van Schendel, Charley Toorop, Top Naeff, Dirk Coster, Garmt Stuiveling, Achille Mussche en Cyriel Verschaeve. Een van de vaste gasten was de zangeres Ina Santhagens-Waller. Zij gaf regelmatig zanguitvoeringen op de Angora Hoeve. Zij was de vaste vriendin van Richard. Henriette bezorgde dit veel verdriet maar tot een echtbreuk kwam het niet en na de dood van Richard bleef zij met Ina Santhagens bevriend aan wie zij ook het gastenboek van de Buissche Heide naliet. Al vanaf 1918 was Richard Roland Holst verbonden aan de Rijksacademie voor beeldende kunsten, eerst alleen als docent en later ook als directeur. Het echtpaar Roland Holst verliet toen het Gooi om zich in Bloemendaal te vestigen. Eind jaren dertig sukkelde Henriette Roland Holst zeer met haar gezondheid en liep onder meer een ernstige niervergiftiging op. In de zomer van 1937 voelde zij zich oud en futloos. Er kwam weinig werk uit haar handen. Na de dood van haar man in 1938, over wie Roland Holst het boek Kinderjaren en jeugd van R.N. Roland Holst (Zeist 1940) schreef, trok zij zich veel meer terug op De Buissche Heide. De winters bracht zij vaak door in het 'Nieuwe Huis' in Amsterdam. In de jaren van de Duitse bezetting schreef zij verzetsverzen: na de terechtstelling van Henk Sneevliet een uitvoerig 'In memoriam' in dichtvorm, verder 'Aan de Hollandsche joden en hun vrienden' en 'Kom hier, mijn kleine jodenjongen' (1941). Op De Buissche Heide huisvestte zij in de oorlogsjaren tijdelijk vrienden en onderduikers. Haar godsdienstig leven verdiepte zich, maar pogingen in deze jaren van priesterlijke zijde om haar 'zielegang' in een rooms-katholiek slot te doen uitmonden, mislukten.

Na de oorlog maakte Roland Holst deel uit van de redactie van De Vlam, voortzetting van het illegale blad De Vonk. In dit milieu van linkse socialisten met een ruime en open geest die sterk Europees dachten, voelde zij zich thuis. Haar visie op de toekomst gaf zij in: Een overgang tot het socialisme (Amsterdam 1945) en in Van de schaduw naar het licht, Kan Nederland de slag om het herstel winnen? (Amsterdam 1946). Zij was ervan overtuigd dat het kapitalisme de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog niet te boven zou komen en haar geloof in het socialisme bleef ondanks alles ongeschokt. Haar visie vatte zij samen in een rede 'De toekomst van het socialisme' die zij hield voor een duizendtal deelnemers aan een Vlamkamp, overwegend jongeren. Zij pleitte voor socialisatie van de voornaamste produktiemiddelen en het afbreken van de grote vermogens via het erfrecht. In 1944 mocht zij dan al gedicht hebben 'De loop is bijna volbracht', niettemin bleef zij tot haar dood politiek actief. Zij maakte deel uit van het op 17 september 1945 opgerichte Landelijk Comité van Actie tegen de doodstraf waarvan Piet Meertens de motor was en dat zich onvoorwaardelijk keerde tegen het terechtstellen van oorlogsmisdadigers. Dit comité ging daarmee dwars in tegen de opvattingen van de meerderheid van het Nederlandse volk. Roland Holst bleef zich inzetten voor de strijd voor nationale onafhankelijkheid van het Indonesische volk en keerde zich tegen de koloniale oorlog. Zij sprak op de massavergadering die de Vereniging Nederland-Indonesië op 18 juni 1947 in de oude Amsterdamse RAI belegde, en prees de militairen die weigerden zich naar Indonesië te laten verschepen: 'Ik wens hulde te brengen aan de jonge mensen, die in een wereld met zo weinig idealisme, een offer brengen, omdat zij het geweld niet willen dienen.' Zonder zich aan de politieke scheidingslijnen in de Koude Oorlog te storen gaf zij blijk van haar sympathie voor de Nederlandse Vredesraad en kort voor haar dood nam zij nog zitting in het Comité van Aanbeveling voor het Vredescongres der Volkeren. In 1947 eerde de Universiteit van Amsterdam haar met het verlenen van een ere-doctoraat waarbij Jan Romein als promotor optrad. In 1949 verschenen nog haar levensherinneringen Het vuur brandde voort (Amsterdam 1949; 19793, een uit de nalatenschap van de auteur verbeterde druk). Op 28 november 1952 overleed zij in een Amsterdams rusthuis. Overeenkomstig haar wens vond de crematie op Westerveld in stilte plaats.

Archief: 

Archief H. Roland Holst in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 216).

Publicaties: 

Een volledige bibliografie van het werk van H. Roland Holst stelden de Documentatiedienst van het Nederlands Letterkundig Museum en het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven samen (Den Haag 1969 -1970, kaartsysteem).

Literatuur: 

W.G.C. Bijvanck, 'Henriëtte Roland Holst' in: De Gids, 1903, 532-549; A. Verwey, 'Dichteres en partijleidster' in: De Twintigste Eeuw, 1903, 228-237; A.C.S. de Koe, 'Over Henriëtte Roland Holst-Van der Schalk' in: Onze Eeuw, 1916, ; M.H. van Campen, Over literatuur. Critisch en didactisch (Amsterdam 1916) 99-199; Van den Eeckhout, 'Lenin -Trotzky. Vraaggesprek met Henriette Roland Holst' in: De Nieuwe Amsterdammer, 22.12.1917; Opmerker (= K. van Langeraad), 'Een 25-jarig jubileum' in: De Communistische Gids, 1922, 351-359 (n.a.v. toetreden van Roland Holst tot SDAP in 1897); K.C. Boxman-Winkler, 'Het latere werk van Henriëtte Roland Holst' in: De Gids, 1923, 341-369; Vliegen, Kracht II, 167-172; B. Verhoeven, De zielegang van Henriëtte Roland Holst (Maastricht 1925, tweede vermeerderde druk: Utrecht 1939); R. Rolland, 'Henriëtte Roland Holst' in: Europe, nr. 38, februari 1927, 189-196; S.A. Baelde, 'Inleiding' in Keur uit de gedichten van Henriëtte Roland Holst-Van der Schalk (Rotterdam 1928, tweede vermeerderde druk 1938); H. Polak, 'Nederlands grootste dichteres zestig jaar. Henriëtte Roland Holst' in: Het Volk, 19.12.1929; B. de Ligt, 'Henriëtte Roland Holst' in: Bevrijding, 1929-1930, 143; A.R. de Jong, 'Henriëtte Roland Holst zestig jaar. Een persoonlijke herinnering' in: Bevrijding, 1929-1930, 142; D. de Lange, 'De weg tot eenheid, door Henriette Roland Holst-van der Schalk' in: De Nieuwe Weg, 1929, 57-63, 84-87; D. de Lange, 'Henriëtte Roland Holst-van der Schalk (1869-1929)' in: De Nieuwe Weg, 1929, 351; C. Daenen, 'Dante en Henriëtte Roland Holst-Van der Schalk' in: Dietsche Warande en Belfort, 1930, ; S.M. Noach, 'Frederik van Eeden en Henriëtte Roland Holst' in: De Nieuwe Taalgids, 1931, 244-256; H. Quarles van Ufford, 'Mevrouw Roland Holst en het religieus socialisme' in: Barchem-bladen, 1931-1932, 85-89; D. de Lange, 'Enkele beschouwingen n.a.v. den vierden druk van "Kapitaal en arbeid in Nederland", door Henriette Roland Holst' in: De Nieuwe Weg, 1933, 26-30, 58-62, 122-126; 'Herman Gorter, door Henriette Roland Holst' in: De Nieuwe Weg, 1933, 282-284; M. Kaas-Albarda, Inleiding tot de poëzie van Henriëtte Roland Holst (Amsterdam 1935); 'Rosa Luxemburg. Haar leven en werken, door Henriette Roland Holst-van der Schalk' in: De Nieuwe Weg, 1935, 60-64; K.F. Proost, Henriëtte Roland Holst in haar strijd om gemeenschap (Arnhem 1937); G. Stuiveling, Korte karakterteekening bij: H. Roland Holst-tentoonstelling, april 1938 te Amsterdam; G. Stuiveling, 'Het ontstaan van Thomas More' in: Groot Nederland, 1938, 501-524; J.P. van Praag, D. de Jong jr., 'Henriëtte Roland Holst 1869-1939' in: Fundament, 1939, extra nummer; K.H. Miskotte, Messiaansch Verlangen. Het lyrisch werk van Henriëtte Roland Holst (1941); M.M. Ariëns, Het jeugdwerk van Henriëtte Roland Holst gezien in verband met de tijd van ontstaan (Wageningen 1943); J.W.L. Meyer, 'Henriëtte Roland Holst en het socialisme' in: De Baanbreker, 1/25, december 1945, 1-2; J.P. van Praag, Henriëtte Roland Holst, wezen en werk (Amsterdam 1946); R. Antonissen, Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst (Utrecht 1946); J. Romein, 'Wegens uitnemende verdiensten. De erepromotie van H. Roland Holst en K. Huysmans' in: Carillon der tijden (Amsterdam 1953), 314-325; J. Last, "Tante Jet", de socialiste' in: Socialisme en Democratie, 1949, 722-726; S. de Wolff, 'Henriëtte Roland Holst en het marxisme' in: De Vlam, 24.12.1949; H.J. Mispelblom Beyer, 'Henriëtte Roland Holst, haar betekenis voor het geestelijk leven' in: De Vlam, 24.12.1949; 'Wat betekent Henriëtte Roland Holst voor U? (meningen van een aantal Nederlanders)' in: De Vlam, 24.12.1949; G. van Praag, 'Geschiedenis van een dichteres zonder kompas. Levensherinneringen van Henriëtte Roland Holst' in: De Waarheid, 23.12.1949; B. Stroman, 'Neerlands grootste dichteres verjaart. Henriëtte Roland Holst tachtig jaar' in: Algemeen Handelsblad, - 12.1949; E. Tas-Callo, Henriëtte Roland Holst-Van der Schalk (Amsterdam 1950, uitgave AJC); Th. de Vries, 'Ter nagedachtenis aan Henriëtte Roland Holst' in: De Waarheid, 24.11.1952; W.L.M.E. van Leeuwen, 'Henriëtte Roland Holst overleden. Haar leven: Droom en Daad' in: Het Vrije Volk, 22.11.1952; W. Banning, 'H. Roland Holst en het socialisme' in: Het Vrije Volk, 22.11.1952; H.P.L. Wiessing, 'Henriëtte Roland Holst' in: De Groene Amsterdammer, 29.11.1952; G. Stuiveling, 'In memoriam Henriëtte Roland Holst-Van der Schalk' in: Socialisme en Democratie, 1952, 714-716; Fr. de Jong Edz, 'Henriette Roland Holst en het socialisme' in: Wending, 1952-1953, 690-697; A. Romein-Verschoor, 'Het "klassieke" in het dichterschap van Henriëtte Roland Holst' in De Nieuwe Stem, 1954, 616-626, 68 1-689, herdrukt in: Weerklank op het werk van Jan Romein. Liber amicorum (Amsterdam 1953) 157-167; J.P. van Praag, 'Henriëtte Goverdina Anna Roland Holst-Van der Schalk' in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1951-1953 (Leiden 1954) 43-52; A. Romein-Verschoor, 'Figuur en betekenis van Henriëtte Roland Holst-Van der Schalk' in: Spelen met de tijd (Amsterdam 1957) 141-163; W. Banning, 'Herdenking. Rede uitgesproken op 21 november 1957 ter herdenking van het feit dat Henriëtte Roland Holst-Van der Schalk vijf jaar geleden stierf' in: Socialisme en Democratie, 1958, 124-128; M. Nijland-Verwey, Kunstenaarsleven (1959); J. Manassen, 'De oude Buissche Heide' in: Het Vrije Volk, 4.6.1960; 'Henriëtte Roland Holst' in: Baanbreeksters (Amsterdam 1960) 102-106; H. Riethof, 'De vrouw in het woud en de man in de storm. De briefwisseling Henriëtte Roland Holst - Henk Sneevliet (1902-1942)' in: De Gids, 1967, 334-343; G.W. Huygens, 'Henriëtte Roland Holst, een grote figuur die vervaagde' in: NRC, 24.12.1969; W. J. Simons, Henriëtte Roland Holst (z.pl. 1969); J.C. Brandt Corstius, 'Henriette Roland Holst' in: Rekenschap, 1969/4, 182-184; G. Schuurmans-Swillen, 'Ter nagedachtenis aan Henriëtte Roland Holst-Van der Schalk' in: Tijdschrift van de Vrije Universiteit Brussel, 1969-1970, 15-42; J. Rogier, 'Henriëtte Roland Holst. Zendelinge van het internationale socialisme' in: Vrij Nederland, 17.1.1970; G. Stuiveling, Henriëtte Roland Holst (Amsterdam 1970, Schrijvers Prentenboek, deel 16); P. Meertens, 'Henriette Roland Holst' in: Jaarboek Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1968-1969) (Leiden 1971) 46-54, eveneens in: P. Meertens, In het voetspoor van Henriette Roland Holst. Radicalen en religieuze socialisten in Nederland (Alphen aan den Rijn 1982) 205-216; G. Jochheim, 'Geweldloosheid in de proletarische revolutie. De bijdrage van Henriëtte Roland Holst tot de theorie van de klassenstrijd gedurende de Eerste Wereldoorlog' in: Transaktie, 3.3.1974, 2-8; D.J. Struik, Henriëtte Roland Holst (1869-1953) (1976, Engels); B. Reinalda, 'Uit de geschiedenis van een eenzaam gebleven boek. Bij de reprint van "Kapitaal en Arbeid in Nederland" van Henriëtte Roland Holst' in: Jaarboek arbeidersbeweging, 1976, 217-247; J. Engels, 'De weg die Henriëtte Roland Holst ons wees' in: Militia Christi, 1976, 31 maart, 10-11, 31 april, 6-7, 31 mei, 4-5, 31 juni, 4-5; T. Crijnen, 'Gevoelssocialiste van het eerste uur. Henriette Roland Holst' in: De Tijd, 4.11.1977, 28-37; J.C. Brandt Corstius, 'Herman Gorter en Henriette Roland Holst' in: G. Stuiveling (red.), Acht over Gorter. Een reeks beschouwingen over poëzie en politiek (Amsterdam 1978) 253-279; Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst in hun tijd (Amsterdam 1978; uitgave Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum); L. den Uyl, 'Henriëtte Roland Holst' in: Vrouwen rond de eeuwwisseling (Amsterdam 1979) 114-126; J. Rogier, 'Henriëtte Roland Holst' in: De Geschiedschrjver des Rijks en andere socialisten (Nijmegen 1979) 221-237; Th. Wiessing, 'Herinneringen aan Henriëtte Roland Holst. De weinige egards van een taktvolle dame' in: De Groene Amsterdammer, 17.10.1979, 14; L. Eijkelkamp, De geweldsdiskussie in de periode 1875-1925 en de bijzondere positie daarin van Henriëtte Roland Holst (Nijmegen 1980, Cahier 18 van Studiecentrum voor Vredesvraagstukken); J. Voeten, 'Zomers op de Buissche Heide. Het gastenboek van Henriëtte en Richard Roland Holst' in: NRC-Handelsblad, 10.6.1983; H. Schaap, 'Inleiding' in: Het leed der mensheid laat mij vaak niet slapen. Bloemlezing uit het proza van Henriëtte Roland Holst (Leiden 1984); E. Etty, '"Ik erken geen trouw in 't slechte" - Henriëtte Roland Holst als dissidente' in: Socialisme en Democratie, 1985, 189-195; M. Linders, L. Voermans, Tusschen twee werelden. Het boek van de Buissche Heide. Het leven en werk van Richard en Henriette Roland Holst-van der Schalk (Zundert 1991); N. Markus, '"Een derde tusschen twee menschen". Henriëtte Roland Holst en de sporen van een huwelijk' in: Biografie Bulletin, december 1991, 13-15; J. Huizinga, Briefwisseling I-III (Utrecht 1989-1991); M. Braun, De prijs van liefde. De eerste feministische golf, het huwelijksrecht en de vaderlandse geschiedenis (Amsterdam 1992); B. van Dongen, Revolutie of integratie (Amsterdam 1992); M. van der Linden (red.), Die Rezeption der Marxschen Theorie in den Niederlanden (Trier 1992); F. Kalshoven, Over marxistische economie in Nederland 1883-1939 (Amsterdam 1993); H. Schaap, Historie en verbeelding in De held en de schare van Henriette Roland Holst (Maarssen 1993); L. Heyting, De wereld in een dorp. Schilders, schrijvers en wereldverbeteraars in Laren en Blaricum 1880-1920 (Amsterdam 1994); N. Markus, 'Waarom schrijf je nooit meer?'. Briefwisseling Henriette Roland Holst-Henk Sneevliet (Amsterdam 1995); C. Hereijgers, Henriette Roland Holst, dichteres op een kentering van de tijd. Een onderzoek naar het belang van vrouwelijke aspecten in haar poëzie (Nijmegen 1996); E. Binnendijk, Tussen droom en werkelijkheid. De betekenis van 'het Russische communisme' voor het 'Utopia' van Henriette Roland Holst (Amsterdam 1996); E. Etty, Liefde is heel het leven niet. Henriette Roland Holst 1869-1952 (Amsterdam 1996); H. de Liagre Böhl, Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd. Herman Gorter 1864-1927 (Amsterdam 1996); M. Grever, B. Waaldijk, Feministische openbaarheid. De Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 (Amsterdam 1998); L. Tibbe, Vier kunstdebatten omstreeks 1900 (Nijmegen 2000); M. Kemperink, Het verloren paradijs. De literatuur en de cultuur van het Nederlandse fin de siècle (Amsterdam 2001); G. Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale (1919-1930) (Amsterdam 2001); P. Hagen, Journalisten in Nederland 1850-2000 (Amsterdam 2002).

Portret: 

H.G.A. van der Schalk, IISG

Auteur: 
Carolien Boon, Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 241-256
Laatst gewijzigd: 

25-09-2002