STELLINGWERF, Oebele

Oebele Stellingwerf

redacteur Friesch Volksblad en bestuurder Friesche Volkspartij, is geboren te Tsjum op 24 augustus 1847 en overleden te Leeuwarden op 29 januari 1897. Hij was de zoon van Otte Oebeles Stellingwerf, 'kooltjer' en gardenier, en Antje Jans Huizinga. Op 7 december 1882 trad hij in het huwelijk met Geertruida Christina Jentink. Dit huwelijk bleef kinderloos. Pseudoniemen: O.v.T., O.v. 't H., Pater Brom jr., Jan de Zaaier (?).

Na de openbare school te hebben doorlopen, waar hij ook de bijbel leerde kennen, kreeg Stellingwerf, wiens ouders sociaalvoelende kleine boeren waren, in 1861 een beurs voor de pas opgerichte Rijkskweekschool te Groningen (tot 1866). Hij werd hulponderwijzer te Oudshoorn (1866), waar hij zich voorbereidde voor de hoofdakte. Hier openbaarde zich een erfelijke oogkwaal (1869), die eerst later bekend raakte. Zo kwam hij, met tussenpozen, een paar jaar in het ziekenhuis te Leiden. In 1871 was hij weer te Tsjum. De rest van zijn leven bleef hij halfblind. Stellingwerf kende een ijzeren zelfdiscipline en grote wilskracht. Over zijn handicap klaagde hij nooit. 'De beste propaganda voor onze denkbeelden maken wij door er zelf naar te leven' (1894). Hij deed dit sober en gebruikte geen sterke drank. Men sprak van 'de eerlijke Stellingwerf', de 'evenredige', de beheerste.

Met steun van vrienden konden zijn oom Waling Dykstra en hij in 1876 het Friesch Volksblad beginnen, dat Stellingwerf vanaf 1883 alleen redigeerde, rond 1891 met mr. D.A. van Eck en na 1894 met zijn vrouw Trui Jentink, die hem sedert 1882 als secretaresse steunde. Hij vestigde zich in 1880 te Leeuwarden. Het Friesch Volksblad begon als onafhankelijk, kritisch, progressief-liberaal orgaan. Na grondig onderzoek gaf Stellingwerf verslag van allerlei bestaande misstanden. Het blad, dat ook tegenstanders het woord gaf, kreeg zo een steeds grotere plaats, vooral na de actie voor de door zijn baas Bieruma Oosting vals beschuldigde koetsier R. Agema (1881). De leus 'Gelijk recht voor heer en knecht!' werd in de strijd tegen de klassejustitie steeds weer aangeheven. Ook bij de verkiezing van Domela Nieuwenhuis in Schoterland (1888), bij de strijd van Broedertrouw op Het Bildt (rond 1891), de Honger-en-Schrik-beweging (1893), de actie tegen de Middernachtzendelingen te Leeuwarden (1895) en tenslotte bij de Hogerhuiszaak (1896) groeide het besef, dat men voor alle Friese kwesties bij Stellingwerf terecht kon. Het blad, dat nooit boven de duizend abonnees kwam, propageerde wel de ideeën van de Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht en van wat sedert 1886 de Friesche Volkspartij kwam te heten, maar is nooit een officieel partijblad geweest. Na de dood van Stellingwerf, die tyfus opliep, volgde zijn vrouw hem op. Het blad, dat ook in de propaganda voor het Fries als spreek-en schrijftaal een rol speelde, bestond tot eind 1899.

Van huis uit liberaal en kerkelijk werd Stellingwerf zeer teleurgesteld door de houding van de liberalen en kerkelijken. In het besef dat de tegenstelling niet was liberaal-klerikaal, maar progressief-conservatief ontwikkelde hij zich langzaam tot socialist. Eenmaal gewonnen voor het algemeen kies- en stemrecht - hij was in 1884 voorzitter van de afdeling Leeuwarden van de Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht geworden - kwam hij consequent bij het socialisme terecht. Hij bewonderde Hendrik Gerhard. Stellingwerf is waarschijnlijk nooit lid van de Sociaal-Democratische Bond (SDB) geweest, noch van de SDAP. Hij werkte voor een volkspartij van boeren, burgers en arbeiders, van vrijzinnigen en orthodoxen. Na het aftreden van V. Bruinsma was hij (1896) even voorzitter van de Friesche Volkspartij en ook lid van de Nederlandsche Volkspartij. Als radicaal steunde hij C.V. Gerritsen. Zijn socialisme was sterk georiënteerd op de Friese plattelander, die hij als drager van zedelijke waarden zag. Hij vond buiten Friesland weinig respons voor zijn regionale aanpak en zijn simpele program: 'De grond aan allen, kennis en wetenschap voor allen, de drank voor niemand' (1895). Zo kwam hij na 1892-1893 in een zelf gekozen isolement en gaf zich aan het werk voor de landnationalisatie (vriendschap met D.R. Mansholt en J. Stoffel), voor geheelonthouding, bestrijding van de prostitutie en de armoe, voor vrouwenrechten en dierenbescherming. Hij moest tenslotte breken met vroegere vrienden (Domela Nieuwenhuis, Troelstra), maar raakte niet verbitterd.

Stellingwerf was een onkerkelijk vrijzinnig christen en een ondogmatisch ethisch socialist, die ook het vertrouwen van progressieve gereformeerden als P. van Vliet en L.H. Wagenaar had. Zowel bij christenen als socialisten legde hij alle nadruk op de levenshouding. Het zelfbesef moest leiden tot het dragen van verantwoordelijkheid. 'Wees die je zegt te zijn'. Hij stond naast alle 'have-nots', de arme land- en veenarbeiders, de alcoholisten en de prostituées. Zo lang de mensen niet te eten hadden, durfde hij niet al te luid voor leerplicht pleiten. De verbetering, de grote schoonmaak, moest van bovenaf beginnen. Wars van alle vroomheidsgehuichel en revolutieromantiek verzette hij zich tevens tegen de machtswellust in kerk en partij. Hij pleitte voor een geleidelijke weg naar het socialisme, voor opvoeding tot nieuwe mensen, die solidair waren en het christelijke en socialistische in eigen leven lieten zien. De invloed van de Friesche Volkspartij en dus ook van Stellingwerf is te bespeuren in de na 1900 in Friesland Vrij sterke Blijde Wereld-groep van vrijzinnige christen-socialisten en in de Christen-Democratische Unie. Ook het feit dat de acties voor geheelonthouding, coöperatie en landnationalisatie tot 1940 in Friesland sterk aansloegen, moet worden genoemd.

Archief: 

Mevrouw G.C. Stellingwerf-Jentink heeft het archief van haar man vernietigd. Een lezing van Stellingwerf uit circa 1867 te Alphen aan den Rijn 'Menschen en dieren' bevindt zich in de Provinciale Bibliotheek van Friesland (Leeuwarden), hs. 763.

Publicaties: 

Behalve honderden artikelen in het Friesch Volksblad schreef Stellingwerf enkele Friese toneelstukken; zie ook: J.J. Kalma, Bibliografie van en over O. Stellingwerf, aanwezig in Provinciale Bibliotheek van Friesland (Leeuwarden), A 4171.

Literatuur: 

J.J. Kalma, Oebele Stellingwerf (Sneek 1940); A.F. Mellink, 'Een poging tot democratische coalitie-vorming: de Nederlandse kiesrechtbeweging als volkspartij (1886-1891)' in: Tijdschrift voor Geschiedenis, 1968, 174-195; J.J. Kalma, 'Oebele Stellingwerf en de Friesche Volkspartij' in: Y. Kuiper, J. Rypkema (red.), Religie en socialisme. Friesland in de negentiende eeuw (Leeuwarden 1982) 93-112; H. Sleurink, J. Frieswijk, De zaak Hogerhuis. 'Eene gerechtelijke misdaad' (Leeuwarden 1984); J. Frieswijk, J.J. Kalma, Y. Kuiper (red.), Ferdinand Domela Nieuwenhuis. De apostel van de Friese arbeiders (Drachten 1988); P.Th. Kok, Burgers in de bijstand. Werklozen en de ontwikkeling van de sociale zekerheid in Leeuwarden van 1880 tot 1930 (Groningen 2000).

Portret: 

O. Stellingwerf, met echtgenote, uit: J.J. Kalma, Dit wienen ek Friezen IV (Leeuwarden 1971) t.o. 112

Auteur: 
J.J. Kalma
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 1 (1986), p. 120-122
Laatst gewijzigd: 

13-02-2003