STORK, Dirk Willem

Dirk Willem Stork

sociaal voelend werkgever, is geboren te Oldenzaal op 4 april 1855 en overleden te Hengelo op 15 februari 1928. Hij was de zoon van Charles Theodorus Stork, fabrikant, en Alida Philippina Johanna Reincke de Sitter. Op 9 juli 1878 trad hij in het huwelijk met Fenna Zeper, met wie hij drie dochters en een zoon kreeg. Na haar overlijden (op 26 mei 1888) hertrouwde hij op 6 maart 1890 met Cornelia Sara Elisabeth Thomas, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg. Dit huwelijk werd ontbonden op 15 februari 1918, waarna hij op 15 februari 1918 hertrouwde met Catharina van Aken.

Stork bezocht gedurende drie jaren de Twentsche Industrie- en Handelschool te Enschede. Na een studiereis naar Groot Brittannië trad hij in 1872 in dienst bij de in 1868 mede door zijn vader opgerichte Machinefabriek Gebr. Stork & Co. Vanaf 1875 trad hij als directeur op en had hij de commerciële en administratieve leiding van het bedrijf. In 1893 werd hij als medefirmant in de firma opgenomen. Tot enkele maanden voor zijn overlijden bleef hij actief binnen het bedrijf.

Stork is te karakteriseren als een eind negentiende-eeuwse ondernemer met voor die tijd vooruitstrevende opvattingen. Stork benadrukte de noodzaak van samenwerking tussen kapitaal en arbeid. Hierin zag hij een oplossing voor de sociale kwestie. Bovendien was dit samenwerkingsideaal voor hem richtsnoer bij het instellen van sociale fondsen en overlegstructuren binnen zijn fabriek. In zijn visie was de weg van de op samenwerking gebaseerde coöperatie tegengesteld aan die van de op strijd gerichte sociaal-democratie. Stork schiep, in overleg met zijn vader tot diens dood in 1895, een groot aantal voorzieningen ten bate van het personeel van zijn fabriek. Een zeker paternalisme was hem daarbij niet vreemd. Als een goede vader had hij veel clementie met zijn werklieden maar dezen mochten zich niet te zelfstandig opstellen. Zijn initiatieven ten behoeve van het personeel werden vooral geïnspireerd door J.C. van Marken (1845-1906), directeur van de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek in Delft, die hij in 1879 leerde kennen. Daarnaast hadden de ideeën van de Parijse schilderspatroon Edmond Jean Leclair (1801-1872) grote invloed op zijn opvatting van het ondernemerschap. Belangrijke instellingen ten bate van het personeel waren het Zieken- en Pensioenfonds (1881) en het Weduwen- en Wezenfonds, waaruit ook invaliditeitspensioenen werden uitgekeerd (1895). Deze en andere fondsen ressorteerden als afdelingen onder de Vereeniging tot behartiging van de belangen van het personeel, verbonden aan de Machinefabriek van Gebr. Stork & Co. (1881). Personeelsvertegenwoordiging gaf hij vorm in de in 1883 opgerichte Kern. Dit was een door de directie ingesteld adviesorgaan, waarvan een aantal door de directie aangewezen chefs lid waren, terwijl daarnaast een aantal leden uit en door de werklieden gekozen werd. De vergaderingen werden voorgezeten door één van de directieleden. Vanaf de oprichting nam Stork deze taak gedurende vele decennia op zich. Hij had er grote moeite mee toen na 1900 vanuit de vakverenigingen en ook uit de Kern zelf geleidelijk kritischer geluiden klonken ten opzichte van deze vorm van interne personeelsvertegenwoordiging. In 1918 brak een conflict uit, toen een meerderheid van de Kernleden zich keerde tegen de bepaling in een ontwerp-collectieve arbeidsovereenkomst dat klachten van werklieden in eerste instantie naar de Kern moesten worden verwezen, ook al waren zij door betrokkenen bij één van de vakverenigingen aangebracht. Ten slotte aanvaardde Stork dat een deel van de taken van de Kern, zoals het voeren van loononderhandelingen, door de vakbeweging werd overgenomen.

Niet alleen de toenemende invloed van de vakbeweging baarde Stork zorgen. Ook het stuiten van de opmars van de SDAP hield Stork, die zich zelf rekende tot de hervormingsgezinde liberalen, rond 1900 bezig. Kort nadat de sociaal-democraat H.H. van Kol in 1897 als afgevaardigde van Enschede in de Tweede Kamer was gekozen, organiseerde Stork als voorzitter van de liberale kiesvereniging in Hengelo bijeenkomsten om de sociaal-democratische beginselen en opvattingen krachtig te bestrijden. Stork viel de SDAP en Van Kol in het bijzonder aan op hun standpunten inzake Indië en de Atjeh-oorlog. Een verklaring is dat Nederlands-Indië in de laatste twee decennia van de negentiende eeuw als afzetmarkt voor machines voor de suikerindustrie van grote betekenis was geworden voor Stork. Dezelfde Stork steunde echter een in zijn ogen gematigde socialist als R. van Zinderen Bakker financieel bij het opzetten van een coöperatief bedrijfje in Gorredijk. Stork was van 1893 tot 1903 lid van de Provinciale Staten van Overijssel en van 1903 tot 1910 en 1916 tot 1920 lid van de Eerste Kamer.

Stork speelde een vooraanstaande rol in het Hengelose verenigingsleven. In 1883 richtte hij de Coöperatieve Winkelvereeniging op, waarvan hij tot 1921 voorzitter was. Als voorzitter van de Vereeniging Het Ziekenhuis had hij een belangrijk aandeel in het totstandkomen van het nieuwe ziekenhuis in 1896. Stork was lid van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Hengelo van 1891 tot 1922 en voorzitter van 1913 tot 1916. Hij was tevens van grote betekenis voor het bedrijfsleven buiten Hengelo. Hij was commissaris van tal van bedrijven waaronder de Nederlandsche Gist- en Spiritusfabriek en de Twentsche Bank. In 1899 was hij, daartoe geprest door de indiening van de ontwerp-Ongevallenwet, die hij te ver vond gaan, initiatiefnemer tot de oprichting van de Vereeniging van Nederlandsche Werkgevers, waarvan hij voorzitter was van 1899 tot 1903 en 1909 tot 1916. Ook was hij een van de initiatiefnemers tot oprichting in 1902 van de Centrale Werkgevers-Risicobank. D.W. Stork is te beschouwen als een 'modelfabrikant', die zich vanuit zijn ideaal van de samenwerking tussen kapitaal en arbeid inzette zowel voor de belangen van de fabriek als voor die van het personeel. Het motto dat decennia lang de kop van de Hengelosche Fabrieksbode sierde, luidde, geheel in die geest: 'Allen voor elkaar, geen strijd maar samenwerking'.

Archief: 

Archief Machinefabriek Gebr. Stork & Co (bevat ook particuliere correspondentie) in Rijksarchief in Overijssel (Zwolle).

Literatuur: 

Verhoor van Dirk Willem Stork, oud 35 jaar, directeur der machinefabriek van Gebr. Stork & Co., te Hengelo' in: Enquête gehouden door de Staatscommissie benoemd krachtens de wet van 19 januari 1890 (Staatsblad nr. 1). (Tweede afdeeling) Twenthe, 519-526; Hengelosche Fabrieksbode, 10.8.1912, 3.8.1922 en 18.2.1928; C. Beets, Tachtig jaar Stork (Hengelo 1948); P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland I en II (Assen 1968); W. de Vries Wzn., De totstandkoming van de Ongevallenwet 1901 (Deventer 1970); P.A.Th. Dickmann, Sociaal beleid aan een machinefabriek (doctoraalscriptie geschiedenis Nijmegen 1983); A.L. van Schelven in: BWN II, 545-546; W. Wennekes, De aartsvaders. Grondleggers van het Nederlandse bedrijfsleven (Amsterdam/Antwerpen 1993).

Portret: 

D.W. Stork, met echtgenote Catherine van Aken februari 1923, Stork-Archief: collectie negatieven, diversen nr. 537, Rijksarchief Overijssel (Zwolle)

Auteur: 
Bouwe Hijma
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 3 (1988), p. 194-196
Laatst gewijzigd: 

28-08-2002