TAK, Pieter Lodewijk

Pieter Lodewijk Tak

liberaal, later sociaal-democratisch journalist en politicus, is geboren te Middelburg op 24 september 1848 en overleden te Domburg op 26 augustus 1907. Hij was de zoon van Pieter Dumon Tak, rentmeester, en Maria Catharina Sara Benteijn.
Pseudoniem: Van de Klei.

Tak was een van tien kinderen. Vier overleden jong, waardoor hij uiteindelijk de jongste van de zes overgeblevenen was. Zijn twee zusters en de oudste broer trouwden, Tak en de twee andere broers bleven ongehuwd. De familie Tak was een gezeten en deftige Middelburgse familie en de opvoeding van de jongste zoon was dienovereenkomstig. Hij ging naar het gymnasium en daarna (1867) naar de universiteit in Leiden om rechten te studeren. Tak had een goed verstand en kon uitstekend schrijven. Dit bevorderde zijn verkiezing tot abactis van de gymnasium-club en van de club van verenigde Zeeuwen van het Leids studentencorps. In 1870 werd hij ook abactis en lid van de almanakredactie van de sociëteit Minerva en in 1871 secretaris van het Leids studentencorps. Voor deze laatste functie bedankte hij al na acht maanden, omdat hij het studeren voorrang wilde geven. Desondanks zette hij de studie na zijn kandidaatsexamen (1872) niet voort. Hij verhuisde vier jaar later naar Gorinchem, waar hij zijn afkomst door het opgeven van een onjuiste plaats van herkomst en geboortedatum niet prijsgaf, wellicht om zich te vrijwaren van onwelkom bezoek dat het vroegere uitbundige Leidse studentenleven wilde voortzetten. In 1877 ging hij terug naar Middelburg, waar hij een jaar later in dienst kwam van de Middelburgsche Courant, die door de verandering van familiebedrijf naar vennootschap, de afschaffing van het dagbladzegel in 1869 en de aansluiting van Zeeland aan het bestaande spoorwegnet een bloeiperiode doormaakte. Tak schreef de internationale overzichten. Nadat hij E. Douwes Dekker op Walcheren had horen spreken werd hij in 1878 lid van de Multatuli ondersteunende club Tandem. In 1883 leerde hij in de Middelburgse sociëteit St. Joris de houthandelaar F.M. Wibaut beter kennen, waarna er tussen beiden een hechte vriendschap ontstond. Eind 1882 vertrok Tak naar Amsterdam, om een 'ruimer omgeving' (J. Veth) te zoeken dan Middelburg en vooral om te gaan werken voor het nieuwe blad De Amsterdammer. Dagblad voor Nederland van de gewezen dominee J. de Koo, die sinds 1877 al De Amsterdammer. Weekblad voor Nederland uitgaf in progressief liberale geest. Voor het weekblad schreef Tak in 1881-1882 enkele 'Middelburgsche brieven', bij het dagblad was zijn functie redacteur binnen- en buitenland. Later deed hij alleen buitenland naast E.D. Pijzel. Toen het met het dagblad De Amsterdammer niet naar wens ging (het zou nog tot 1895 verschijnen) werd Pijzel redacteur van de reeks Mannen van beteekenis in onze dagen, waarvoor Tak enkele korte biografieën schreef: 'Henry George' (1888) en 'Liebknecht en Bebel' (1890). Overigens schreef Tak nu 'Amsterdamsche Brieven' in de Middelburgsche Courant (1890-1894), vooral over gemeentelijke kwesties.

In 1885 werd Tak gevraagd als secretaris van de Liberale Unie, die in het leven was geroepen als overkoepeling van alle liberale kiesverenigingen. E. Fokker, ook uit Middelburg afkomstig, had hem aanbevolen. Het bleek al gauw dat Tak zich niet thuis voelde in dit conservatief-liberale gezelschap, dat alleen in verband met de schoolkwestie op één - antiklerikalistische - lijn zat. In 1886 bedankte hij als secretaris. Zelf stond hij verruiming van kiesrecht, aanpassing van de inkomstenbelasting en een echt liberale schoolwet voor. Op deze punten stemde hij overeen met de radicalen die in 1888 de Kiesvereeniging Amsterdam oprichtten. Toen in 1889 een van de radicale Amsterdamse voormannen, M.W.F. Treub, gemeenteraadslid werd, steunde Tak hem in zijn artikelen bij de gewenste hervormingen: naasting van de nutsbedrijven - gas, water, telefoon, tram - en het in erfpacht brengen van gemeentegronden. In 1892 ging Tak aan Treubs Sociaal Weekblad meewerken. In Amsterdam werd Tak ook, net als vele bekenden uit het politieke, literaire en kunstlievende leven, lid van de Breêroclub, in 1885 opgezet om de driehonderdste geboortedag van de dichter te herdenken. Samen dronk men bier in een van de vele Amsterdamse cafés, in Mast op het Rembrandtplein, de Poort van Cleve aan de Nieuwezijds Voorburgwal of Americain op het Leidseplein. Daar werd het plan geboren een tijdschrift De Nieuwe Gids op te zetten, dat zowel literair als politiek van inhoud moest zijn en bedoeld was om het op te nemen tegen het in 1837 opgerichte maandblad De Gids. F. van der Goes werd politiek redacteur, W. Kloos ging over de literatuur. Onder de schuilnaam Van de Klei werkte Tak mee aan de jaargangen 1886 en 1887. Hij saneerde ook de financiën toen er grote schulden ontstonden omdat Van der Goes te vrijgevig was geweest voor zijn armere vrienden. In 1890 werd Tak als opvolger van A. Verwey redacteur van De Nieuwe Gids. Hij schreef als zodanig veel over de heersende recessie in Nederland. Aan deze tweede periode van Tak bij De Nieuwe Gids kwam in 1893 een eind toen Kloos zich meester maakte van het blad. Tak onthield zich nu van bijdragen uit solidariteit met de andere redacteuren en trad uit de redactie. Hij kreeg een scheldsonnet te verduren van het duo Kloos en P. Tideman. In het jaar van zijn intrede in de redactie van De Nieuwe Gids was Tak naar Bussum verhuisd, waarheen vele kunstenaars en intellectuelen hem al waren voorgegaan of nog zouden volgen. Het einde van De Amsterdammer en de ruzie bij de redactie van De Nieuwe Gids maakten een plek vrij voor een nieuw weekblad, De Kroniek, dat vanaf 1 januari 1895 verscheen. Tak, die in 1894 weer terug naar Amsterdam verhuisde, werd hoofdredacteur. In het blad werd opbouwend en kritisch geschreven over kunst, literatuur, muziek en cultuur en vooral over politiek in binnen- en buitenland. Vele vroegere medewerkers van het dag- en weekblad De Amsterdammer en van De Nieuwe Gids werkten vast of los mee aan De Kroniek, sommigen onder pseudoniem. De Kroniek kon blijven bestaan dankzij het talent van Tak in het verkrijgen van kopij en ondanks financiële moeilijkheden. Achthonderd abonnees en tachtig nummers voor de losse verkoop dekten de uitgaven niet helemaal. Vandaar dat het blad verscheidene uitgevers versleet en ook Tak zelf af en toe de exploitatie op zich nam. De opbrengsten van de raadsoverzichten die Tak tussen 1893 en 1903 wekelijks schreef in het nieuwe dagblad De Telegraaf hielpen ook mee bij het overleven van De Kroniek.

Taks antipathie tegen het socialisme, dat was ontstaan door het volgens hem woeste agitatorische optreden, verdween langzaam, naar eigen zeggen sinds het optreden van de politie onder leiding van commissaris J. Stork in de dagen van de roerige vergadering in café Zincken bij het Centraal Station, waar J.A. Fortuijn in 1885 zijn lezing 'Wie zijn de moordenaars?' hield. Af en toe hield Tak nu een voordracht voor Amsterdamse socialisten. Hij bedankte voor de Kiesvereeniging Amsterdam en werd secretaris-penningmeester van het Comité Honger en Schrik, dat in 1893 was opgericht na een artikel van Wibaut in het Sociaal Weekblad, waarin deze protesteerde tegen harde vonnissen tegen arbeiders in Friesland die hadden deelgenomen aan hongerrellen. In dit artikel vroeg Wibaut ook financiële steun voor de gezinnen van de veroordeelden. In 1896 was Tak samen met Wibaut als gast en als journalist aanwezig op het Internationaal Socialistisch Congres in Londen. Hij sloot zich nog niet aan bij de SDAP, waarschijnlijk omdat het hem moeite kostte zich aan één partij te binden en zijn vrijheid van oordeel op het spel te zetten. Toch raadpleegden sociaal-democraten hem regelmatig. Bijvoorbeeld in 1898 bij het opstellen van een sociaal-democratisch gemeenteprogram, toen de SDAP vanwege de gekozen gemeenteraadsleden een algemene lijn wilde aanhouden. Op verzoek van H. Gorter schreef Tak met enige tegenzin in De Nieuwe Tijd over dit onderwerp. In de opvattingen van de Engelse Fabian Society vond hij steun voor zijn ideeën over gemeentelijke politiek. In 1899 sloot Tak zich aan bij de SDAP. Hij werd vast medewerker van De Nieuwe Tijd en lid van de Commissie van Beheer van Het Volk, het partijdagblad dat in 1900 begon te verschijnen. Hij maakte deel uit van de delegatie van de SDAP naar het Internationaal Socialistisch Congres in Parijs (1900), waar het gemeenteprogram behandeld en vervolgens aangenomen werd. Ook werd Tak in 1901 voorzitter van de Agrarische Commissie en van de Commissie tot bestudeering en vaststelling van het Koloniaal program van de SDAP. Hij ging zich interesseren voor gebruikscoöperaties en richtte met anderen in 1901 de Algemeene Arbeiders Coöperatie 'De Dageraad' op, waarvan hij commissaris werd. Na de spoorwegstakingen van 1903 schreef hij de brochure Diagnose (Amsterdam 1903), waarin hij zich tegen een algemene politieke werkstaking verklaarde. Op het SDAP-partijcongres na deze stakingen brak de kritiek op de artikelen van P.J. Troelstra in Het Volk los: hij had geen vaste lijn gevolgd en geen overleg gepleegd met partijgenoten of partijbestuur. Het was vooral een botsing van Troelstra met de medewerkers van De Nieuwe Tijd, die verklaarden vanuit een marxistisch standpunt te handelen. In het najaar van 1903 werd Troelstra als hoofdredacteur van Het Volk vervangen door Tak. Tak werd ook in het SDAP-bestuur gekozen en vanaf april 1905 was hij partijvoorzitter als opvolger van H. Polak. Van al deze functies was zijn werk voor Het Volk het meest arbeidsintensief. Naast de vele voorpagina-artikelen die Tak van november 1903 tot mei 1906 schreef, waren er ook verscheidene kwesties die om een oplossing vroegen. Zoals het conflict tussen D.J. Wijnkoop en F.W.N. Hugenholtz in verband met een aanstelling door de socialistische verzekeringsmaatschappij De Centrale in 1905 en de zogenoemde Pijpelijntjes-affaire: Jacob Israël de Haan, medewerker aan de jeugdrubriek van het Zondagsblad van Het Volk, publiceerde een boek met homoseksuele strekking, waarna Tak hem op staande voet ontsloeg, wellicht omdat er verkiezingen in aantocht waren en een schandaal niet van pas kwam. De Haan schreef als reactie een Open brief aan P.L. Tak.

In 1904 werd Tak in het Amsterdamse district III gekozen als gemeenteraadslid en tegelijkertijd - als eerste socialist - als lid van de Provinciale Staten van Noord Holland. Na zijn verkiezing in 1905 tot lid van de Tweede Kamer voor het district Franeker legde hij het voorzitterschap van de SDAP neer. Naast deze politieke functies en het redigeren van De Kroniek waren er nog andere zaken waar Tak zich voor inzette. Hij was een van de weinige SDAP'ers die zich om de positie van de vrouw bekommerden. Hij sprak op een bijeenkomst ter gelegenheid van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in Amsterdam over De vrouwenbeweging en het arbeidersvraagstuk (Amsterdam 1898). Ook schreef Tak een voorwoord bij de brochure Verpleegstersbelangen. Een drietal beschouwingen over verdichtsel en werkelijkheid in 't leven der verpleegsters (Amsterdam 1901) van H. Speyer, een van de stuwende krachten achter de Nederlandsche Vereeniging tot Bevordering der Belangen van Verpleegsters en Verplegers 'Nosókomos' en de latere echtgenote van de socialist J. Loopuit. Ook Wibaut deed wel eens een beroep op Tak, bijvoorbeeld bij het organiseren van geldelijke steun voor de stakende diamantbewerkers in 1901-1902 en 1904. Ten slotte organiseerde Tak na 1901 de Vereeniging van Sociaal-Democratische Raadsleden, waarvan hij zelf het Informatiebureau vormde, dat in moeilijke kwesties adviseerde. Vanaf 1907 publiceerde deze vereniging een eigen maandblad, De Gemeente, waarvoor Tak tot zijn dood bijna iedere maand een artikel schreef. Naast deze bezigheden die verband hielden met zijn vooraanstaande plaats in de SDAP stond Tak op meer algemeen vlak in 1903 ook aan de basis van de Vereeniging Kunst aan het Volk, die jarenlang tentoonstellingen en muziekuitvoeringen voor de Amsterdamse bevolking organiseerde. De politieke loopbaan van de evenwichtig levende, alleen door aanvallen van jicht in zijn bewegingsvrijheid gehinderde Tak, die bij voorkeur 's nachts werkte na een of meer glazen bier, eindigde met een wanklank. Troelstra, des duivels over de degradatie van 1903, ging Tak als een vijand beschouwen, die hem van de eerste plaats had verdrongen. Bij de behandeling van een wetsontwerp over het arbeidscontract in 1906 kwamen Troelstra en Tak tegenover elkaar te staan. Tak steunde in de Kamer het comité dat in 1904 speciaal voor de agitatie tegen het arbeidscontract was opgericht, terwijl Troelstra zich na een plotselinge ommezwaai vóór het wetsontwerp verklaarde en Tak zo een nederlaag bezorgde.

Taks plotselinge dood door een hartverlamming tijdens een vakantie op Duinvliet, het landgoed van zijn broer bij Domburg, werd algemeen toegeschreven aan de overstelpende hoeveelheid werk die de verschillende functies met elkaar veroorzaakten. Bij enkele daarvan was hij gezwicht voor het argument dat zijn aanblijven nuttig en nodig was voor de eenheid van de partij. Onder zeer grote belangstelling van familie, bekenden en partijgenoten werd Tak in Middelburg begraven. Op 2 september 1907 had een herdenkingsbijeenkomst plaats in het Concertgebouw in Amsterdam. Daar spraken voor ongeveer 2000 aanwezigen Van der Goes, W.H. Vliegen, Th. van der Waerden en Wibaut.

Archief: 

Archief P.L. Tak in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 339).

Publicaties: 

Bibliografie in: W. Thijs, De Kroniek van PL. Tak. Brandpunt van Nederlandse cultuur in de jaren negentig van de vorige eeuw (Gent 1955 en Amsterdam 1956) en G.W.B. Borrie, Pieter Lodewijk Tak (1848-1907). Journalist en politicus (Assen 1973) 286-306.

Literatuur: 

Necrologieën o.a. in: De Amsterdammer, 24.8.1907, De Beweging, 1907, nr. 4, De Nederlandsche Spectator, 1907, 309; De Kroniek, 19.10.1907 (herdenkingsnummer); G. Taal, Liberalen en radicalen in Nederland 1872-1901 (Den Haag 1910); Vliegen, Kracht II, 87-93; E. Zuidema, 'TAK (Pieter Lodewijk)' in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek IV (Leiden 1918) 1294-1295; F.M. Wibaut, Levensbouw. Memoires (Amsterdam 1936); W. Thijs, De Kroniek van P.L. Tak. Brandpunt van Nederlandse cultuur in de jaren negentig van de vorige eeuw (Gent 1955 en Amsterdam 1956); G.W.B. Borrie, Pieter Lodewijk Tak (1848-1907). Journalist en politicus (Assen 1973); G.W.B. Borrie, 'TAK, Pieter Lodewijk' in: BWN I, 571-572; R. Delvigne, L. Ross (red.), Jacob Israël de Haan. Open brief aan P.L. Tak. De geschiedenis van de Pijpelijntjes-affaire (Amsterdam 1982); P.F. Maas, Sociaal-democratische gemeentepolitiek, 1894-1929 (Den Haag 1985); K. Joosse, Arnold Aletrino, pessimist met perspectief (Amsterdam 1986); S. Bloemgarten, Henri Polak. Sociaal democraat 1868-1943 (Den Haag 1993); F. Ruiter, W. Smulders, Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990 (Amsterdam 1996); P. Hagen, Journalisten in Nederland 1850-2000 (Amsterdam 2002) 204-212; J. de Roos, Besturen als kunst. Lokale sociaal-democraten 100 jaar verenigd (Amsterdam 2002).

Portret: 

P.L. Tak, IISG

Auteur: 
Johanna M. Welcker
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 219-223
Laatst gewijzigd: 

13-02-2003