TEMPEL, Jan van den

Jan van den Tempel

vakbondsleider en sociaal-democratisch politicus en econoom, is geboren te Willemstad (NB) op 1 augustus 1877 en overleden te Alkmaar op 27 juni 1955. Hij was de zoon van Bastiaan van den Tempel, schildersbaas, en Geertje Punt. Op 12 maart 1903 trad hij in het huwelijk met Arnolda Hendrika Jansen, met wie hij een dochter en twee zonen kreeg.

Van den Tempel kwam uit een groot gezin met zes kinderen, waarvan de moeder, naar haar zeggen, niet kon schrijven. Zijn broer Gerrit Christoffel, die een paar jaar ouder was, en hij leerden het schildersvak van hun vader. Het gezin verhuisde op 2 oktober 1895 van Willemstad naar Amsterdam. Daar behaalde Van den Tempel, ondanks de toenmalige lange werkdagen, de lagere akte tekenen. Korte tijd werkte hij in Parijs en in België, maar hij voegde zich daarna weer bij zijn familie in Amsterdam en woonde wisselend in de Pijp en de Kinkerbuurt. De beide broers sloten zich in 1899 aan bij de Schildersgezellenbond, die in 1893 uit een aantal plaatselijke schildersverenigingen ontstaan was. Deze bond was aangesloten bij het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS). Het was toen nog een zwakke bond, die verscheurd werd door de richtingenstrijd tussen de 'revolutionairen' en degenen die voor directe verbeteringen opkwamen. Jan van den Tempel leidde een staking van ruim duizend man, die op 21 maart 1900 uitbrak. De inzet was een eis voor loonsverhoging. Op de vergaderingen ging de discussie over onderhandelen of uitbreiden van de stakingen. Veel werd gedaan om de vrouwen van de stakers bij de actie te betrekken. Toen Van den Tempel door ziekte de beraadslagingen niet kon leiden, namen A. van der Vegt en G. van Erkel deze taak over. Na vijf weken eindigde de staking met een nederlaag. Van Erkel sprak de slotvergadering op 30 april toe. Slechte organisatie en het ontbreken van een weerstandskas waren hiervan mede de oorzaak. De broers trokken hieruit hun conclusies en zetten zich in voor een reorganisatie van de bond. Hiertoe werd in 1902 een commissie ingesteld. Deze sprak zich uit voor centralisatie, hogere contributies, een weerstandskas, vrijgestelde krachten en verbetering van het orgaan De Schilder. Daarbij was voor Jan van den Tempel niet de Britse of Franse, maar de Duitse vakorganisatie het grote voorbeeld, zoals hij in een doorwrochte historische studie uit 1903 betoogde. Op 1 januari 1905 ging de gereorganiseerde bond van start. De oude radicale leiders maakten geen deel meer uit van het nieuwe hoofdbestuur. Jan van den Tempel werd tweede voorzitter en redacteur van het blad, zijn broer tweede penningmeester. De bond trad uit het NAS en Jan van den Tempel was betrokken bij de oprichting van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV), de nieuwe vakcentrale die op 1 januari 1906 onder voorzitterschap van Henri Polak met haar werkzaamheden begon. Van den Tempel maakte als een der secretarissen deel uit van het hoofdbestuur. Vanaf 1907 was hij bezoldigde. Toen Polak zich in 1909 als voorzitter terugtrok, werd Jan Oudegeest tot voorzitter gekozen. Van den Tempel nam daarop diens plaats in als eerste secretaris. Ook na zijn verkiezing tot Kamerlid voor de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) in 1915 bleef hij dit nog tot 1918. Van den Tempel had een haast onverzadigbare drang naar kennis. Toen hij nog met schilderen zijn brood verdiende, werkte hij liever wat korter en leefde hij zo zuinig mogelijk om meer te kunnen studeren. Hij verwierf zich zo een stevige theoretische basis ten dienste van het vakbondswerk. In het najaar van 1910 wendde hij zich tot mr. J. Gerritsz om steun en raad bij zijn voorgenomen studie voor de middelbare akte. Gerritsz stond hem doorlopend bij. In 1911 haalde Van den Tempel de middelbare akte staathuishoudkunde en statistiek en in 1913 de middelbare akte staatsinrichting. Hij was verreweg de belangrijkste theoreticus van het NVV. Door zijn artikelen in het blad De Vakbeweging, waarin hij regelmatig publiceerde, was zijn invloed op het kader van het NVV groot. Daarnaast verschenen er ook boeken van zijn hand, onder meer in 1910 zijn drie maal herdrukte en omgewerkte boekje De Nederlandsche vakbeweging. De theoreticus van de Duitse sociaal-democratie Karl Kautsky was daarbij zijn leidsman. Van den Tempel doorweefde zijn geschiedschrijving met statistische gegevens. Vakbondsleiders noemde hij niet maar hij schreef wel bewogen passages over het lot van de arbeiders en hun gezinnen. De tekst is het tegendeel van een kroniek en groepeert zich rond een aantal principiële vraagstukken. Een aantal jaren was dit boek de enig beschikbare vakbondsgeschiedenis. In 1909 wijdde hij een aparte brochure aan de christelijke vakorganisatie, die hij een groter obstakel voor de emancipatie van de arbeidersklasse achtte dan het radicalisme van het NAS. In zijn ogen was 'de geschiedenis van Patrimonium en van den Roomsch Katholieken Volksbond goeddeels de geschiedenis der onderkruiperij in Nederland'. Het lot van de arbeiders ging hem zeer ter harte en aan de hand van een enquête in het najaar van 1907 onder de verschillende beroepsgroepen publiceerde hij samen met I.G. Keesing Arbeidersleven in Nederland (Amsterdam 1908).

Naast het vakbondswerk nam Van den Tempel ook deel aan het politieke leven. In 1910 werd hij voor de SDAP in de gemeenteraad van Amsterdam gekozen. Daar Willem Vliegen vanwege zijn wethouderschap de functie van fractievoorzitter neerlegde, nam Van den Tempel van 1914 tot 1919 zijn plaats in. Bovendien was hij van 1916-1919 lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland. In 1919 verhuisde hij naar Den Haag. Hij beëindigde derhalve zijn lidmaatschap van de raad en de provinciale staten. Hij was betrokken bij de jarenlange discussie over de verhouding tussen de lonen in het bedrijfsleven en in overheidsdienst. De Bond van Werklieden in Openbare Diensten en Bedrijven vond dat de gemeentebestuurders ervoor moesten zorgen dat de arbeidsvoorwaarden eenvoorbeeld waren voor het particuliere bedrijfsleven. Over dit probleem werd op 10 november 1919 een besloten conferentie belegd op verzoek van de Kamerfractie. Van den Tempel had hiervoor stellingen gemaakt. Volgens hem moesten de lonen bij de overheid wat hoger liggen dan in het particuliere bedrijfsleven. Hiervoor gaf hij drie redenen: ten eerste, bij gelijke lonen kon de overheid zich niet zo snel aanpassen aan de stijging in het bedrijfsleven: 'gelijkheid van loon zal daardoor vaak omslaan in achterstand'. Ten tweede konden wat hogere lonen een gunstige uitwerking hebben op die in het bedrijfsleven. Tenslotte beoogde hij met hogere lonen bij de overheid 'het wekken van sympathie en verantwoordelijkheidsgevoel voor het overheidsbedrijf'. Deze richtlijn moest volgens hem gevolgd worden, 'ongeacht den financieelen toestand van het publieke lichaam'. Vooral over dit laatste was F.M. Wibaut furieus en deze keerde zich tegen deze opvatting van Van den Tempel. Na zijn terugverhuizing naar Amsterdam maakte hij van 1927-1932 opnieuw deel uit van de gemeenteraad. Het meningsverschil over de lonen van het gemeentepersoneel laaide in 1931 weer op en de SDAP-fractie stemde unaniem tegen de voorgestelde loonsverlaging. Door een wetswijziging konden de besluiten tegen loonsverlaging vernietigd worden. De SDAP-fractie raakte nu verdeeld. Van den Tempel was door ziekte niet bij het fractieberaad aanwezig. Drie raadsleden van de SDAP stemden voor de loonsverlaging. De SDAP-Federatie Amsterdam dwong de voorstemmers af te treden en deze dienden op 2 juni 1932 hun ontslag als raadslid in en op 6 juni deed Van den Tempel hetzelfde. Allen gaven 'conflict met de partij over "stemdwang" in verband met een salarisverlaging van gemeentewerklieden' als reden op. Van den Tempel schreef veel en ook geregeld voor De Nieuwe Tijd, het onafhankelijke sociaal-democratisch theoretisch tijdschrift. Zijn in totaal zeventien artikelen hierin geven blijk van een marxistische gedachtengang, maar wat de politieke strategie betreft maakte hij deel uit van de rechtervleugel. Zijn medewerking aan De Nieuwe Tijd eindigde toen de SDAP in 1916 het theoretische orgaan De Socialistische Gids stichtte, waarin hij nu en dan schreef. In 1915 werd hij door het SDAP-district Amsterdam IX kandidaat gesteld en gekozen voor de vacature, die in de Tweede Kamer ontstond omdat Vliegen het Kamerlidmaatschap niet wilde combineren met zijn wethoudersfunctie. Over zijn optreden in de Kamer schrijft P.J. Oud in zijn parlementaire geschiedenis: 'Van den Tempel heeft niets van den volksmenner. Zijn redevoeringen zijn zakelijk op het droge af. De rustige studie der problemen in de studeerkamer en in den commissorialen arbeid ligt hem het meest'. Hij was een onafhankelijk denkend man met een brede culturele belangstelling. De fractie vertrouwde hem onderwerpen toe die diepgaande studie vereisten. Zijn specialiteiten lagen op het gebied van financiën, sociale wetgeving en vooral op het gebied van het werkloosheidsvraagstuk. Over dit laatste hield hij interpellaties. Als lid van de daartoe ingestelde commissie had hij een groot aandeel in de totstandkoming van het werkloosheidsbesluit van 1917, dat de organisatie van de werkloosheidsverzekering regelde. De regering benoemde hem herhaaldelijk tot lid van staatscommissies, zoals de Commissie Stork voor de bezoldiging van rijksambtenaren, de Rijkscommissie van Advies voor de Werkloosheidsverzekering, de Staatscommissie voor de Herziening van de Financiële Verhouding tussen Rijk en Gemeenten en de Commissie van Advies voor de Arbeidsvoorwaarden der Rijkswerklieden. Als vertegenwoordiger van het NVV was hij lid van de op 4 oktober 1919 ingestelde Hooge Raad van Arbeid. Bovendien was hij voorzitter van het Scheidsgerecht voor Spoorwegpersoneel en hij maakte deel uit van het bestuur van het Werkfonds 1934. Toen in november 1918 de SDAP in beroering was door de revolutionaire redevoeringen van P.J. Troelstra, die meende dat de arbeidersklasse op het punt stond de macht te grijpen, keerde Van den Tempel zich, waar anderen aarzelden, tegen deze overspanning verwachting. Van de fractievergadering de dag na zijn revolutierede zei Troelstra: 'van de aanwezigen, die bezwaren konden hebben, had blijkbaar slechts Van den Tempel mijn rede van den vorigen avond gelezen. Hij waarschuwde ons voor avonturen maar zijn opmerking ging in het algemeen gesprek verloren en drong op dat oogenblik niet tot mij door'. Van den Tempel behoorde tot degenen die nadachten over een evolutionaire weg naar een socialistische maatschappij, die er volgens hem zou moeten komen. Van de Socialisatiecommissie van de SDAP maakte hij geen deel uit maar hij bundelde zijn opstellen, die in De Vakbeweging verschenen waren, onder de titel Problemen der socialisatie (Amsterdam 1923). Aan de overtuiging dat de overheid het beheer over de produktiemiddelen diende te hebben, zou hij levenslang vasthouden.

In 1919 verhuisde Van den Tempel naar Den Haag om van daaruit de Handelshoogeschool in Rotterdam te kunnen bezoeken. Daar verwierf hij in 1922 het diploma handelseconomie. In 1927 promoveerde hij cum laude op het proefschrift Macht en economische wet, Een onderzoek naar de beteekenis van economische macht voor de inkomensvorming, in het bijzonder ten aanzien van het arbeidsloon (Haarlem 1927). Het stelde de vraag in hoeverre de stijging van het welvaartspeil van de arbeiders een zaak was van (vakverenigings)macht of van een economische wet. Naast zijn interesse op het gebied van de werkloosheidsverzekering heeft Van den Tempel zich ook gericht op steunverlening, werkverschaffing en -verruiming. In 1930 bepleitte hij in een pre-advies voor de Nederlandse Werkloosheids-Raad de instelling van een industriebank teneinde met steun van de overheid nieuwe bedrijven te kunnen vestigen, die nodig waren om de door de crisis getroffen en door de techniek weggerationaliseerde arbeiders weer aan werk te helpen. Hij was de eerste en lange tijd de enige pleitbezorger van een doelgericht industrialisatiebeleid. Hij zag als grootste probleem dat het bankwezen bij gebrek aan deskundigheid niet in staat was de industrie te helpen ontwikkelen en verdedigde dit standpunt ook in de Tweede Kamer. In 1936 is inderdaad de Maatschappij voor Industrie-Financiering gesticht. Van den Tempel was beslist niet de makkelijkste man om mee samen te werken, maar niet daarom weerde men hem in 1934 uit de commissie, die het schrijven van het Plan van de Arbeid moest begeleiden. De SDAP-leiding identificeerde zich met het Plan en het was geen geheim dat Van den Tempel met zijn actief industrialisatiebeleid minder geporteerd was voor een openbare-werken-politiek en er weinig heil in zag. Hij kwam in 1938 met een eigen analyse van de economische wereldcrisis in zijn grote boek De wereld in stormtij, Onderzoek naar oorzaken, zin en verloop van de economische en maatschappelijke spanningen (Haarlem 1938). Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in de zomer van 1939, formeerde jonkheer mr. D.J. de Geer van de Christelijk Historische Unie een nieuw kabinet, waarvan voor het eerst SDAP'ers deel uitmaakten. Als man van ervaring en met een bezonnen oordeel kwam Van den Tempel zeker in aanmerking. Voor de SDAP-top lag het meer voor de hand om ir. J.W. Albarda voor een ministerspost naar voren te schuiven. Bovendien vond ook Koos Vorrink dat hij voor een dergelijke post in aanmerking kwam. De Geer achtte Van den Tempel een geschikte kandidaat voor Sociale Zaken in het nieuw te vormen kabinet en polste hem rechtstreeks. Vorrink vond in het partijbestuur, dat zich gepasseerd voelde, het afwijkende oordeel van Van den Tempel over de economische politiek van de SDAP een onoverkomelijk bezwaar. Van den Tempel nam dit hoog op: 'Ik beschouw mijzelf als een volwaardig partijgenoot'. Maar als de partijvoorzitter hem niet geschikt achtte, zou hij zich terugtrekken. Albarda greep in de discussie in en Vorrink retireerde, zeggende geen doorslaggevend bezwaar tegen Van den Tempel te hebben. Deze stelde aan De Geer als voorwaarde voor zijn toetreden om ook Albarda in het kabinet op te nemen. In het nieuwe kabinet werd Albarda minister van Waterstaat en Van den Tempel minister van Sociale Zaken. In de herfst van 1939 bepaalde Van den Tempel dat werklozen, die in Duitsland weigerden te werken, hun uitkering zouden behouden. Hij publiceerde dit besluit echter niet, omdat hij vreesde dat Duitsland hierover problemen zou maken, waardoor de Nederlandse neutraliteit in gevaar zou kunnen komen. Verder had Van den Tempel het voornemen om de sociale wetgeving te unificeren. De Duitse legers, die op 10 mei 1940 Nederland binnentrokken, staken daar echter een stokje voor. Op 13 mei gingen de ministers met schaarse bagage en met achterlating van hun gezin en vol zorgen - de twee zoons van Van den Tempel maakten deel uit van de krijgsmacht - aan boord van een Engelse torpedobootjager.

Zijn werk als minister van Sociale Zaken zette Van den Tempel in Londen voort. Vooral voor de Nederlandse zeelieden zette hij zich in. Hij opende en bezocht Nederlandse zeemansclubs: 'Geleidelijk nam het aantal mannen toe, van elken rang, die door zwakke gezondheid, geschokt zenuwgestel of te gevorderde leeftijd in verband met de zware eischen, welke aan het uithoudingsvermogen werden gesteld, niet langer dienst konden doen op de schepen'. Van den Tempel bracht een wachtgeldregeling tot stand. Zijn medewerkers en anderen prezen hem in zijn Londense periode om zijn hartelijkheid en hulpvaardigheid. Voorts besteedde Van den Tempel veel aandacht aan de Internationale Arbeids Organisatie (IAO), die in verband met de oorlog naar Canada was uitgeweken. Hij bezette een vaste zetel in de Raad van Beheer. De organisatie kon weinig uitrichten en haar middelen waren beperkt. President F.D. Roosevelt nodigde de IAO uit tot het houden van een internationale conferentie van 27 oktober tot 6 november 1941 in New York. Als regeringsgedelegeerde maakte Van den Tempel de lange reis, die door de oorlogsomstandigheden bijzonder gecompliceerd en voor een 'huismus' zoals hij een hele belevenis was. Samen met Paul van Zeeland, de Belgische oud-minister en vermaard econoom, had hij een ontwerp-resolutie opgesteld over de toekomstige taken van de IAO, waarbij de werkgelegenheid centraal stond. De Britse Labour-minister C.R. Attlee nodigde hem uit voor een gedachtenwisseling hierover. Roosevelt ontving hem informeel in een klein gezelschap en sneed tot Van den Tempels verbazing zelf de kalkoen. Op de IAO-conferentie in Philadelphia in 1944 sprak Van den Tempel zich uit voor nauwe internationale samenwerking als voorwaarde voor het scheppen van voldoende arbeidsplaatsen. De daarmee gepaard gaande economische expansie zou een oplossing zijn voor alle sociale problemen. Hij bepleitte conjunctuurbeheersing door internationale samenwerking van het bedrijfsleven. Bij het ontwerpen van een allesomvattend sociaal zekerheidsstelsel, waarmee hij A.A. van Rhijn belastte, werden zij geïnspireerd door het rapport van William Beveridge Social Insurance and Allied Services, dat eind 1942 in een massaoplage verschenen was. Zelf publiceerde Van den Tempel in het Engels Keep the lamps burning (Londen 1943), waarin hij voor de laatste keer zijn visie neerlegde. Hij deelde de mening dat de chaotische kapitalistische economie alleen door een staatsplanning overwonnen kon worden. Door de regeringscrisis in januari 1944 kon Van den Tempel dit zelf niet verder uitwerken. De anti-revolutionair P.S. Gerbrandy en Van den Tempel verschilden in het Londense kabinet sterk van mening over het handhaven van de parlementaire democratie na de oorlog. Van den Tempel verzette zich tegen hen, die Nederland wilden regeren zonder parlement en met een 'benoemde' vertegenwoordiging. Hij vond Gerbrandy weinig democratisch gezind. Ook achtte hij de persoonlijke invloed van koningin Wilhelmina op het Nederlandse regeringsbeleid te groot. Bovendien was hij het niet eens met die ministers die, toen de zittingsduur van het parlement in 1943 eindigde, dit wilden opheffen. In de verantwoording aan het parlement zag Van den Tempel de legitimatie van het ministerieel handelen. Anders dreigden ministers tot topambtenaren te degraderen. Van den Tempel voorzag hierdoor grote problemen in de bestuursvoorzieningen direct na de bevrijding. De Parlementaire Enquêtecommissie naar het regeringsbeleid tussen 1940 en 1945 heeft hem later gecomplimenteerd, omdat er, dankzij zijn geduldig maar vastberaden optreden, een enigermate draaglijk compromis uit de bus was gekomen. Een van de zaken die Van den Tempel vanuit Londen voor het reeds bevrijde deel van Nederland wel kon regelen, was dat na de bevrijding 2400 kinderen naar Engeland konden komen om aan te sterken. Toen Gerbrandy Jaap Burger, de derde SDAP-minister (Binnenlandse Zaken) in het tweede kabinet Gerbrandy, ontsloeg, lieten Van den Tempel en Albarda op 26 januari 1945 weten zich terug te trekken indien Gerbrandy zijn autocratisch handelen door zou zetten. Dit gebeurde en op 8 februari 1945 eindigde de ministeriële loopbaan van Van den Tempel. Na de oorlog verdedigde Gerbrandy het Londense regeringsbeleid in het boek Eenige hoofdpunten van het regeeringsbeleid in Londen gedurende de oorlogsjaren 1940-1945 (Den Haag 1946). Hieruit sprak de suggestie dat de instelling van het Militair Gezag gedragen werd door de hele ministersploeg. Dit valt sterk te betwijfelen, aangezien Albarda en minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen G. Bolkestein van de Vrijzinnig-Democratische Bond na het verschijnen van het boek van Gerbrandy aan hem brieven schreven waarin zij daarover hun verbazing uitten. Als aanvulling en correctie op Gerbrandy's boek schreef Van den Tempel Nederland in Londen, Ervaringen en beschouwingen (Haarlem 1946, 19472). Hij vond dat het Nederlandse volk recht had op een waarheidsgetrouwe geschiedschrijving van de Londense periode. Van den Tempel zag de formering van het Militair Gezag in een breed verband. Volgens hem mochten de verregaande bevoegdheden van het Militair Gezag alleen strikt gericht zijn op het 'herstel der in- en uitwendige veiligheid van den staat'. Zoals Van den Tempel in zijn memoires schreef, hield het Militair Gezag zich niet aan de strekking van deze bepaling. Een ander punt van onenigheid tussen Van den Tempel en het Militair Gezag was de repatriëring van de Nederlanders, die door de bezetter over heel Europa verspreid waren. In 1943 ontwierp het ministerie van Sociale Zaken, als eerste van de Europese bezette landen, een plan voor hun repatriëring. Van den Tempel had daarvoor een aparte dienst in het leven geroepen, de Repatriëringsdienst onder leiding van G.F. Ferwerda. Generaal mr. H.J. Kruls, chef-staf van het Militair Gezag, was het niet eens met de opzet en bevoegdheden van deze Repatriëringsdienst. Hij vond dat een dergelijke civiele organisatie niet kon opereren in oorlogstijd. Kruls vond dat de repatriëring onder het Militair Gezag behoorde te vallen. Van den Tempel en Ferwerda vreesden dat er dan geen controle zou zijn en dat de macht van het Militair Gezag te groot zou worden. Binnen deze belangentegenstelling ontstonden onverkwikkelijke situaties, waarbij het Militair Gezag een dubieuze rol speelde. De houding van Kruls werd na de oorlog dan ook door de Parlementaire Enquêtecommissie sterk bekritiseerd. Van den Tempel ontkwam op dit punt evenmin aan kritiek en erkende dat hij mogelijk toch beter de gehele repatriëring binnen één dienst had kunnen onderbrengen. In zijn Londense herinneringen legde hij de oorzaak van de verwarring in de gezagsverhoudingen bij het Militair Gezag en dus bij Kruls. Van den Tempel sprak voor het laatst in het openbaar samen met Vorrink op een grote meeting in het Concertgebouw op 5 juni 1945. Na de oorlog keerde hij niet terug in de actieve politiek vanwege zijn slechte gezondheid, die hem al levenslang zorgen baarde. Van een in het najaar van 1944 opgelopen longontsteking was hij niet goed hersteld. Zijn krachten waren afgenomen. Bij de oprichting van de Partij van de Arbeid werd hij lid en hij bezocht ook bijeenkomsten. Na zijn Londense herinneringen is hij nog begonnen aan de herinneringen aan zijn jeugd maar verder dan twee hoofdstukken is hij niet gekomen. Tijdens een vakantie in Bergen in 1955 speelde een oude maagkwaal op en overleed hij in het ziekenhuis in Alkmaar.

Archief: 

Archief J. van den Tempel (waarin ook stukken van B. van den Tempel) in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens², 340).

Publicaties: 

De Duitsche vakbeweging' in: De Nieuwe Tijd, 1903, 250-9, 343-56; Een vraag van beginsel en taktiek (Amsterdam 1907, oorspronkelijk in De Nieuwe Tijd); De christelijke vakbeweging. Haar wezen, omvang en ontwikkeling (Rotterdam 1909); De Nederlandsche vakbeweging. Feiten en beschouwingen (Rotterdam 1910, met voorwoord H. Polak; Amsterdam 19192; Amsterdam z.j.3); Na vijf jaren. Gegevens nopens omvang, instellingen en geldmiddelen van de bij het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen aangesloten organisaties over het jaar 1910, benevens een overzicht van den groei van het Verbond in de eerste vijf jaren van zijn bestaan (Amsterdam 1911); Het NVV in 1912 (resp. 1914, 1920, 1922, 1923, 1935, 1936, 1937). Gegevens nopens omvang, instellingen en geldmiddelen van de bij het NVV aangesloten organisaties (Amsterdam 1913 en volgende jaren); 'Bescherming der huisindustrieele arbeiders' in: De Nieuwe Tijd, 1912, 872-90; 'De vakbeweging in Nederland' in: Vragen des Tijds, 1913, Eerste Deel, 292-320; Beschermt het kind! Een pleidooi voor verbetering van de wetgeving op den kinderarbeid (Amsterdam 1914); De werkloosheidsverzekering op nieuwe banen (Amsterdam 1917); Onze November-eischen en de verklaringen der regeering (Amsterdam 1919); Saboteurs van den acht-urendag. De Bolsjewieken en de achturen-dag in de Tweede Kamer (Amsterdam 1919); Kapitaal en volksinkomen (Haarlem 1920); Hoe de schatkist wordt beheerd! (Amsterdam 1920); (met A. van Gijn en J.A. Nederbracht) Praeadviezen over de vraag: Moet het tegenwoordig stelsel van bijdragen ongewijzigd worden voortgezet? Zoo neen, welke regeling moet daarvoor in de plaats treden? Te behandelen op een vergadering van het Ned. Instituut voor Volkshuisvesting op (...) 11 Juni 1921 (...) te Utrecht (Haarlem 1921); Democratie in het bedrijf. Hedendaagsche wijzigingen in de verhouding tusschen werkgevers en werknemers en haar beteekenis voor bedrijf en maatschappij (Amsterdam 1921); (met H.W.C. Bordewijk en J.A. Veraart) Prae-adviezen over de vraag: Is publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie wenschelijk? Zoo ja, in welke vorm? (Den Haag 1921); Crisisellende en socialisatie (z.pl. 1921); De nieuwe samenleving (Amsterdam 1922); (met E. Boekman) De sociale verzekering in Nederland. Beknopt overzicht (Amsterdam 1922); (met W.H. Vliegen, A.B. Kleerekoper e.a.) Verslag van den cursus over gemeentepolitiek (Amsterdam 1923); Rapport uitgebracht door de Kommissie Bedrijfsorganisatie en Medezeggenschap ingesteld door N.V.V. en S.D.A.P. (Amsterdam 1923; commissie onder voorzitterschap van Van den Tempel); Bedrijfsleven en verruiming der arbeidsmarkt in Nederland. Rapport, uitgebracht door een Commissie uit het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen en de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (Amsterdam 1930, 2 drukken; commissie onder voorzitterschap Van den Tempel); Jacqueline Mijlieff. De roman van een gebenedijde (Amsterdam 1931); (met A.W. IJzerman) Socialisme of chaos. Drie maanden van parlementairen strijd in dagen van crisis en nood (Amsterdam 1932); 'Mr. J. Gerritsz ' in: De Socialistische Gids, 1936, 73-8; 'Industrialisatie en industriefinanciering: een critiek op het regeeringsstandpunt' in: Haagsch Maandblad, 26, 1936, 121-32; voorwoord in: Gedenkboek ter herinnering aan het vijftig jarig bestaan der Arbeidsinspectie, 1890-1940 (Groningen 1940); De geesel van dezen tijd (Amsterdam z.j.); De collectieve arbeidsovereenkomsten (z.pl. z.j.); De ziektewet en de moderne vakbeweging (z.pl. z.j.); De invaliditeits- en ouderdomsverzekering (z.pl. z.j.); Het verslag van de Tweede Sub-commissie (Handel en Verkeer) (z.pl. z.j.); De herziening van het Werkloosheidsbesluit 1917 (z.pl. z.j.; overdruk uit Tijdschrift van den Nederl. Werkloosheids-Raad, 743-54); Dient het verstrekken van kapitaal door bankondernemingen aan industrieele ondernemingen, welke kapitaal behoeven, met het oog op vermeerdering der werkgelegenheid te worden bevorderd? (z.pl. z.j.; overdruk uit Tijdschrift van den Nederl. Werkloosheids-Raad, 172-98).

Literatuur: 

Vliegen, Kracht II, 369-72; J. Oudegeest, De geschiedenis der zelfstandige vakbeweging in Nederland. 2 delen (Amsterdam 1926, 1932); P.J. Troelstra, Gedenkschriften. 4 delen (Amsterdam 1927-1931); 'Dr. Jan van den Tempel zestig jaar. Een strijder en denker van ongemeen grote bekwaamheden' in: Vooruit, 31.7.1937; H.P. van den Aardweg, J.P.J.C. Hüllstrung (red.), Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (Amsterdam 1938); F. Bosman, Zijne excellentie de minister van sociale zaken. J. van den Tempel, voorheen en thans (Amsterdam 1940); Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek. Delen II, V en VI (Den Haag 1949); A. Leusink, Op hechte fundamenten. Geschiedenis van de Algemene Nederlandse Bouwarbeidersbond (Amsterdam 1950); C. Lammers, 'Ter nagedachtenis Dr. Jan van den Tempel' in: Socialisme en Democratie, 1955, 355-7; Fr. de Jong Edz., Om de plaats van de arbeid (Amsterdam 1956); P.J. Oud, Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis 1918-1940. Deel IV 1929-1933 (Assen 1959); H.J. Scheffer, November 1918. Journaal van een revolutie die niet doorging (Amsterdam 1968); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Delen I-XIV (Den Haag 1969-1991); G. Harmsen, B. Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid (Nijmegen 1975); H.J. Kruls, Generaal in Nederland (Bussum 1975); J.M. Welcker, Heren en arbeiders in de vroege Nederlandse arbeidersbeweging 1870-1914 (Amsterdam 1978); J. Laurier, F. Pot, 'Sociaal-demokratiese arbeidersbeweging en wetenschappelijke bedrijfsvoering 1920-1940' in: Te Elfder Ure, nr. 33 Annex, mei 1983, 71-154; H.P.H. Nusteling, 'Tempel, Jan van den' in: BWN II (Amsterdam 1985) 559-61; C.H. Wiedijk, Koos Vorrink (Groningen 1986); H. Buiting, Richtingen- en partijstrijd in de SDAP (Amsterdam 1989); P.J. Knegtmans, Socialisme en democratie. De SDAP tussen klasse en natie, 1929-1939 (Amsterdam 1989); B. van Dongen, Revolutie of integratie. De Sociaal Democratische Arbeiders Partij in Nederland (SDAP) tijdens de Eerste Wereldoorlog (Amsterdam 1992); J. S. Wijne, Tussen dogma en werkelijkheid (Amsterdam 1992); G.W.B. Borrie, Monne de Miranda. Een biografie (Den Haag 1993); P. Hofland, Leden van de raad. De Amsterdamse gemeenteraad 1814-1941 (Amsterdam 1998).

Portret: 

Jan van den Tempel, uit: W.H. Vliegen, De dageraad der volksbevrijding. Schetsen en tafereelen uit de socialistische beweging in Nederland. Deel II (Amsterdam 1905)

Auteur: 
Thea van der Linden, Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 8 (2001), p. 280-288
Laatst gewijzigd: 

00-00-2001