TILANUS, Liede

Liede Tilanus

actief in de Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenclubs en gemeenteraadslid voor de SDAP in Amsterdam, is geboren te Amsterdam op 30 maart 1871 en overleden te Zeist op 31 maart 1953. Zij was de dochter van Jan Willem Reinier Tilanus, hoogleraar heelkunde in Amsterdam, en Johanna Victoire Liotard. Op 9 augustus 1899 trad zij in het huwelijk met Michel Duco Crop, leraar Middelbaar Onderwijs tekenen en kunstschilder. Dit huwelijk bleef kinderloos. Na zijn overlijden (op 6 juli 1901) hertrouwde zij op 11 mei 1905 met Johannes Wigbold Eisenloeffel, edelsmid. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Tilanus groeide op als jongste dochter in het grote gezin van professor J.W.R. Tilanus in het statige grachtenpand Herengracht 406. Zij scheelde vijftien jaar met haar oudste broer. Vaak wordt zij verward met haar oudere zuster Elizabeth Josephine (Liesbeth) (1864), inspectrice van de arbeid, die samen met haar toenmalige echtgenoot Rudolf Kuyper, het Nederlandse sanatorium voor longlijders in Davos oprichtte en met haar zuster Catharina Johanna (1866), die verpleegster werd en in de wijkverpleging ging. Liede zelf volgde particulier lager en middelbaar onderwijs en maakte daarna reizen. Deze bekostigde zij uit haar bruidsschat, die zij overbodig vond: 'een man, die echt van mij houdt, stoort zich niet aan een bruidsschat'. Zo bezocht zij Parijs, waar zij weeshuizen bekeek, wilde toen L.N. Tolstoj daarover raadplegen en toerde rond in Toela - zonder succes - en volgde in Zweden een slöjdcursus, onderwijs in huisvlijt en handenarbied volgens een streng methodisch systeem. Zij was sociaal geïnteresseerd. Kortstondig was zij getrouwd met Crop, die al in 1901 overleed tijdens een verblijf in het krankzinnigengesticht Oud-Rosenburg in Loosduinen. Daarna werd zij lid van de SDAP en behoorde in 1905 tot de oprichters van de Amsterdamsche Sociaal-Democratische Vrouwenpropagandaclub (SDVC) samen met Mathilde Wibaut-Berdenis van Berlekom, die evenals zij afkomstig was uit een vooraanstaand artsengezin met acht kinderen. Met haar zou zij haar hele leven bevriend blijven. In datzelfde jaar trouwde zij met Jan Eisenloeffel, een bekend sierkunstenaar en edelsmid, die ook van de vakbeweging opdrachten kreeg, zoals de grote achthoekige lantaarn in het ANDB-gebouw aan de Henri Polaklaan in Amsterdam (bekend als De Burcht). Verder ontwierp hij de ambtsketen van de Amsterdamse burgemeester. Zij bewoonden een dubbel bovenhuis in de Johannes Verhulststraat, hoek Obrechtstraat, dat volgens W.H. Meijer - wiens vrouw daar dienstbode was - 'een centrum van socialistische activiteit en cultuur, een soort politieke en culturele bijenkorf' was. Na een kort verblijf in 't Gooi vertrok het echtpaar in 1908 naar het buitenland, waar Eisenloeffel in Duitsland en Rusland werkte. Terug in Nederland was zij nauw betrokken bij de Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenclubs (BSDVC). Op het SDAP-congres van 1913 verdedigde zij als afgevaardigde van de afdeling Laren-Blaricum tevergeefs het belang van een uitgebreide vrouwenrubriek in Het Volk. Een van de bezwaren van politiek redacteur W.H. Vliegen was dat een rubriek voor de vrouwen niet door de mannen gelezen werd. 'En dat is de massa'. Tilanus volgde in 1914 Heleen Ankersmit op als secretaresse van de Amsterdamse SDVC. Zij ging nu de straat op om te demonstreren voor algemeen vrouwenkiesrecht en liep voorop in de demonstratie 'Vrouwen voor vrede' in 1915 in Amsterdam. Met Mathilde Wibaut was Tilanus redacteur van Ons Kinderblaadje (1909-1940) dat ingesloten bij De Proletarische Vrouw werd verspreid en dat te oordelen naar het eerste nummer meer gericht was op opvoeden en verspreiden van kennis dan op amusement voor kinderen. De samenwerking gaf Tilanus een diepe vreugde. Zij brachten ook twee boeken uit: Het gezellige huisgezin (Amsterdam 1927, 19282) en Een zonnig thuis (Amsterdam 1930). Deze boeken bevatten (gedeeltelijk) bewerkte verhalen uit Ons Kinderblaadje, die een progressief arbeidersgezin uitbeeldden. Korte tijd - nog geen jaar - was zij in 1919 de eerste betaalde secretaresse en administratrice van Nosokómos, Nederlandse Vereeniging tot Bevordering der Belangen van Verpleegsters en Verplegers. Zij was gekozen uit 27 sollicitanten na goede referenties van Berdenis van Berlekom en Carry Pothuis-Smit. Zij werkte eerst full-time, later part-time, maar kwam spoedig tot de conclusie dat zij dit werk toch niet kon combineren met het gemeenteraadslidmaatschap van Amsterdam, waarvoor zij op 29 mei 1919 werd gekozen. In 1920 volgde Ankersmit haar op als full-time betaalde administratrice bij Nosokómos. In 'Bij het scheiden' schreef Tilanus januari 1920 in Nosokómos: 'Gaarne zal ik mij op mijn politieke loopbaan u behulpzaam zijn, want al willen de zusters zich misschien wel gaarne rillend afwenden van alle politiek, ze kunnen er niet buiten, ook ons hebt ge nodig en wij u om op den bodem der werkelijkheid te blijven'.

Tilanus opereerde in de politiek, in de SDVC en de BSDVC onder haar meisjesnaam: Tilanus, soms L(iede) E. Tilanus, de E. staat dan voor Eisenloeffel. In het opkomen voor verplegend personeel (zij was lid van de Commissie van bijstand voor de openbare gezondheid en het ziekenhuiswezen van de gemeente) voor betere arbeidsvoorwaarden als een acht-urige werkdag in de gemeente-ziekenhuizen, betere opleiding van leerling-verpleegsters en voor het instellen van een diploma kraamverzorgster had zij veel aan haar contacten met Nosokómos. Verder streed zij voor de instelling van consultatiebureaus voor zuigelingen en voor vrouwelijke inspecteurs bij de zedenpolitie in verband met ontucht met kinderen. Het onderwijs ging haar ter harte, zowel in culturele als in esthetische zin. Het geschiedenisonderwijs moest minder gericht zijn op oorlogen, meer op cultuur en beschaving. Zij bepleitte Montessori-onderwijs. Door de intensieve bemoeiing van de gemeente Amsterdam met de volkswoningbouw na de Eerste Wereldoorlog, kwam zij op voor een praktischer indeling en inrichting van het huis. Als voorzitster van de commissie voor deze zaken bood zij een rapport hierover aan het stadsbestuur aan. De positie van de vrouw vroeg haar aandacht, temeer omdat men in slechte tijden geneigd was eerder mannen dan vrouwen aan te stellen. In februari 1935 wist zij door een motie te voorkomen dat in de gemeente bij vacatures van vrouwelijke ambtenaren bij gelijke geschiktheid mannen vóór zouden gaan. In 1935 nam zij afscheid als lid van de gemeenteraad.

Het meest ging Tilanus het wel en wee van de BSDVC ter harte. Gedurende enkele jaren bezorgde die betrokkenheid haar een moeilijke tijd. De relatie partij en BSDVC was van begin af aan ingewikkeld. Na het aftreden van Ankersmit als bondssecretaresse in 1918 hield de nieuwe secretaresse E. Caderius van Veen het maar een jaar vol. Het was moeilijk een opvolgster te vinden, maar ten slotte werd eind 1919 met goedkeuring van het partijbestuur Tilanus benoemd. Toen in 1920 C. Werkhoven partijsecretaris werd, ontstond tussen beiden een onenigheid waarbij zakelijke en persoonlijke zaken door elkaar liepen en die voor jaren de relatie tussen partij en bond verstoorde. Werkhoven was evenmin als Tilanus een soepele persoonlijkheid, stug, weinig hartelijk en geneigd Tilanus op de vingers te kijken en op de tenen te trappen. Waarschijnlijk was Tilanus geen begenadigd organisator. Er bestond tussen beiden geen duidelijke taakafbakening en Tilanus vreesde een aanslag op de BSDVC als zelfstandige organisatie. Het feit dat de SDAP zonder overleg in 1923 een afvaardiging naar het internationale vrouwencongres in Hamburg zond, terwijl Tilanus betrokken was bij de voorbereidingen van het congres, tekent de bedorven verhoudingen. Tilanus werd op kosten van de Bond alsnog uitgezonden. Het conflict verhardde zich en Werkhoven verklaarde dat samenwerking tussen partij en bond onmogelijk was zolang Tilanus secretaresse bleef. Suze Groeneweg, Tweede Kamerlid en een verklaard tegenstandster van een aparte organisatie van vrouwen naast de SDAP, en Vliegen, partijvoorzitter en overtuigd dat de BSDVC moest verdwijnen, steunden Werkhoven. Uiteindelijk nam Tilanus in 1924 zelf ontslag toen het dagelijks bestuur van de SDAP het bondsbestuur schriftelijk meedeelde dat zolang zij secretaresse was de verhouding tussen partij en bond niet geregeld kon worden. Tevens bleek dat het bondsbestuur met uitzondering van Mathilde Wibaut niet meer volledig achter haar stond. F.M. Wibaut verklaarde in het partijbestuur dat hij in de partij nooit had meegemaakt dat iemand op een dergelijke wijze was afgemaakt, waarbij hij opmerkte dat wanneer zij een behoorlijke organisatie achter zich had gehad men het niet aangedurfd zou hebben. Wellicht speelde bij het conflict onderhuids ook de sociale achtergrond van Tilanus - zo verschillend van de meeste partijgenoten - mee en was het conflict mede oorzaak van de defecte en op verschillende punten onjuiste biografie die Vliegen over haar schreef.

Tilanus bleef de partij trouw. Na haar ontslag behield zij zes maanden haar salaris dat f l800,- per jaar bedroeg terwijl Werkhoven en W. Drop ieder f 4500,- verdienden. Voorlopig verzorgde zij zoals daarvoor de buitenlandse correspondentie en onderhield de contacten met buitenlandse vrouwenorganisaties. Hieraan kwam een einde toen Liesbeth Ribbius Peletier zowel partijsecretaris naast Werkhoven als secretaresse van de BSDVC werd. Tilanus' werk voor de Internationale was van belang. Met partijgenoten in het land - met uitzondering van de Amsterdamse vrouwen - had ze niet zoveel contact. Spreekbeurten vervulde zij nog steeds en jarenlang gaf zij voor leden van de BSDVC cursussen in gemeentehuishouding met aansluitend bezoek aan gemeentelijke instellingen. Tot eind 1937 was zij bestuurslid van de Amsterdamse club. Bij haar afscheid sprak Ed Polak namens het Amsterdamse Federatiebestuur van de SDAP. Hij prees haar zachtheid en vasthoudendheid en trouw aan de partij ondanks verschillen van mening. 'Zij is nooit bijzonder op de voorgrond getreden; haar portret kwam niet vaak in de krant. Maar zij heeft prachtig werk verricht'. De laatste jaren van haar leven was zij bedlegerig. Bij haar overlijden in 1953 schreef Het Vrije Volk: 'Samen met mevrouw Wibaut en Carry Pothuis-Smit heeft zij voor de socialistische scholing van de Nederlandse arbeidersvrouwen een respectabel stuk werk verricht. Met haar verscheiden is geen van het drietal waaraan de socialistische beweging in Nederland zoveel dank is verschuldigd meer in leven'.

Archief: 

Archief L. Tilanus in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 340-341).

Publicaties: 

Behalve de genoemde: (met S.J. Pothuis) De Nieuwe Gemeente-huishouding en de vrouw (Amsterdam 1919); artikelen onder meer in De Proletarische Vrouw.

Literatuur: 

Vliegen, Kracht II, 263-264; 'Zij die niet terugkeert' in: De Proletarische Vrouw, 4.9.1935; 'Liede Tilanus wordt Vrijdag tachtig jaar' in: Het Vrije Volk, 3.2.1953; M. Wibaut Berdenis van Berlekom, Herinneringen (Amsterdam 1976); W.H. Meijer, Terugblik (Amsterdam 1981); U. Jansz, Vrouwen ontwaakt (Amsterdam 1983).

Portret: 

L. Tilanus, 1 mei 1925, IISG

Auteur: 
Mies Campfens
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 290-294
Laatst gewijzigd: 

22-02-2012 (Omschrijving ANDB-gebouw aangepast)