WOUDENBERG, Cornelis

Cornelis Woudenberg

(roepnaam: Kees), bestuurder van de moderne meubelmakersbond en secretaris van SDAP en PvdA, is geboren te Amsterdam op 16 december 1883 en aldaar overleden op 16 oktober 1954. Hij was de zoon van Helmert Woudenberg, veehouder, en Sophia Gijsbertsen. Op 16 november 1910 trad hij in het huwelijk met Aagje Winter, met wie hij een dochter en een zoon kreeg. Na haar overlijden (op 6 mei 1942) hertrouwde hij op 26 augustus 1942 met Wilhelmina Margaretha Langendonk. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Woudenberg groeide op in een gezin van negen kinderen, van wie twee vroegtijdig stierven. Hij was de op één na oudste. H.J. (Henk) Woudenberg, de latere nationaal-socialistische voorman en leider van het Nederlands Arbeidsfront, was zijn jongere broer. De vader was stadsmelkboer in de Joden Houttuinen in Amsterdam en hield in een stal in het benedenhuis twaalf koeien die voornamelijk werden gevoerd met schillen, afval en hooi. De melk werd met hulp van de kinderen uitgevent in de buurt. Het gezin was van oorsprong Nederlands hervormd maar bij de laatste kinderen werd in het bevolkingsregister opgegeven 'geen godsdienst'. Woudenberg volgde echter bijzonder onderwijs. Na de lagere school bezocht hij de ambachtsschool om het meubelmakersvak te leren. Eén van zijn eerste bazen was anarchist, maar deze had geen blijvende invloed op de politieke ontwikkeling van Woudenberg. In 1901 kwam hij in contact met de net opgerichte Bond voor jonge arbeiders en arbeidsters in Nederland 'De Zaaier' en zo met het socialisme. Hij leerde daar Evert Kupers kennen. Kort daarop sloot hij zich aan bij Amstels Eendracht, de Amsterdamse afdeling van de Algemeene Meubelmakersbond. Deze afdeling bekende zich na de spoorwegstaking van 1903 en na de zogenoemde 'Scheurcirculaire' steeds meer tot de syndicalistische richting in de vakbeweging en maakte zich ten slotte los van de bond. Daarop stapte een aantal 'modern' georiënteerde meubelmakers - onder wie Woudenberg - hieruit en richtten een eigen Amsterdamse afdeling op. Later keerde Woudenberg zich in het bondsblad regelmatig tegen de 'vrije' vakbonden en vooral tegen Amstels Eendracht. In 1909 fuseerde de Algemeene Meubelmakersbond met de Nederlandsche Behangers-, Stoffeerders- en Beddenmakersbond tot de Algemeene Nederlandsche Bond voor Meubelmakers, Behangers en Aanverwante Beroepen. Al snel werd Woudenberg secretaris van de afdeling Amsterdam en hiervoor ten dele vrijgesteld. Vanaf september 1913 was hij volledig vrijgesteld als secretaris-penningmeester van de afdeling die veruit de grootste was van de bond. Hij kon toen bedanken voor zijn andere functie (bode van de SDAP-Federatie Amsterdam). In die tijd verhuisde het bondskantoor van Rotterdam naar Amsterdam. Op het congres in 1914 werd Woudenberg tweede voorzitter en lid van het dagelijks bestuur. In 1917 trok hij zich uit de afdeling terug en werd de derde gesalarieerde secretaris van de sterk groeiende bond. In 1919 volgde hij F. van de Walle die naar het NVV ging, op als bondsvoorzitter en redacteur van Ons Vakblad. Een belangrijk deel van de kopij in dit weekblad was van zijn hand. In 1919 werd hij secretaris van het Internationaal Verbond van Meubelmakers- en Houtbewerkersbonden. Onder zijn leiding groeide dit internationale beroepssecretariaat sterk, ook buiten Europa. Woudenberg slaagde er na een persoonlijk bezoek aan de Verenigde Staten in de invloedrijke Amerikaanse meubelmakers- en houtbewerkersbond, die niets van het Internationaal Verbond van Vakvereenigingen (IVV) wilde weten, tot aansluiting over te halen. Doordat andere bonden volgden, ontstond een betere verhouding tussen het IVV en de Amerikaanse vakbeweging. In de tweede helft van de jaren twintig verliet Woudenberg zijn gezin om te gaan samenwonen met Mien Langendonk, zijn bovenbuurvrouw, die eveneens haar gezin verliet. Omdat zijn vrouw niet instemde met een scheiding, moesten zij wachten tot haar dood in 1942 voor zij konden trouwen.

Woudenberg, die in 1904 lid van de SDAP geworden was, werd in 1924 voorzitter van de Federatie Amsterdam en gemeenteraadslid (tot 1939). Hij was enige tijd fractievoorzitter en hield zich vooral bezig met publieke werken en woningbouw. Op voorstel van Jan Oudegeest koos het SDAP-congres in februari 1929 hem tot opvolger van C. Werkhoven, de secretaris-penningmeester van de partij die in december 1928 plotseling was overleden. In deze functie werd Woudenberg de organisatorische spil waar de partij om draaide. Hij richtte zich vooral op de interne partijstructuur en bemoeide zich minder met politiek-inhoudelijke zaken wat niet inhield dat deze strijdbare reformist geen duidelijk standpunt had. In de pijnlijke kwestie van de loonsverlaging van de gemeentewerklieden in 1932 stelde hij zich in het partijbestuur en in de gemeenteraadsfractie principieel tegen loonsverlaging op. In 1933 haalde hij in de raad fel uit naar het raadslid Cees de Dood, die van de SDAP naar de Communistische Partij in Nederland was overgegaan zonder zijn zetel ter beschikking te stellen. Namens de partij naar buiten treden lag hem minder goed. Zijn naam kwam dan ook niet voor op de sprekerslijst van de SDAP. Hij had zitting in de Centrale Plancommissie die het Plan van de Arbeid voorbereidde en was bestuurslid van een aantal verwante organisaties. Hij was hoofdbestuurslid van de Vereeniging van Arbeiders Radio Amateurs (VARA), waar hij de grootste tegenstander van G.J. Zwertbroek was. Woudenberg zat in de Algemeene Raad, het overlegorgaan tussen NVV en SDAP, was gedelegeerd commissaris van de N.V. De Arbeiderspers en bestuurslid van de Algemeene Woningbouwvereeniging en de Stichting de Neutrale Volksschool. De VARA lag hem na aan het hart. Bij de conflicten met de regering over het verbieden van bepaalde uitzendingen, maakte Woudenberg steeds deel van de onderhandelingsdelegatie uit.

Na de capitulatie in mei 1940 trachtte Woudenberg de partij leiding te geven. Hij slaagde daar beter in dan voorzitter J.J. Vorrink die korte tijd zijn hoofd kwijt leek. Hoewel duidelijk was dat men niet op de oude voet kon doorgaan, wilde de leiding de partij toch zo goed en kwaad als het ging laten voortbestaan. Woudenberg, bestuurslid W. Rengelink, secretaris voor vrouwenbelangen Liesbeth Ribbius Peletier en een administratieve kracht bleven als enigen in dienst om de partij draaiende te houden. Nadat M.M. Rost van Tonningen op 20 juli 1940 was benoemd tot commissaris voor de marxistische organisaties, waartoe de SDAP ook gerekend werd, kwam hij met Woudenberg praten. Deze maakte duidelijk niet genegen te zijn verder te werken binnen een door een nationaal-socialist geleide SDAP als niet-jood steunde Woudenberg de socialistisch-zionistische organisatie Poale Zion - en vroeg zo spoedig mogelijke ontheffing uit zijn functie. Rost van Tonningen had H.J. Woudenberg, die kort daarvoor benoemd was tot commissaris van het NVV, meegenomen. Op de vraag of Woudenberg bezwaar had tegen de aanwezigheid van zijn broer, antwoordde hij negatief en voegde eraan toe: 'Voor mij is dit geen familieaangelegenheid'. Op de opmerking van Rost dat zijn broer een goede vriend van hem was, reageerde Woudenberg: 'Van mij niet'. Toen daarop zijn broer verscheen, reageerde hij niet. Tijdens de oorlog hield Woudenberg ondergronds contact met SDAP-ers en reisde het hele land af. Hij hield een schaduwapparaat in stand en was daarvoor bijna dagelijks op pad. Ook was hij betrokken bij het steunfonds van J. van de Kieft. Als partijsecretaris speelde hij een centrale rol in de discussie over de richting die de sociaal-democratie na afloop van de oorlog moest nemen. Hij was het oneens met mensen als W. Thomassen die meenden dat de SDAP na de oorlog niet heropgericht moest worden om de weg vrij te maken voor een brede volkspartij. Hij schreef een nota waarin hij voorstelde na afloop van de oorlog de leden op te roepen om zich bij een 'nieuw, voorlopig, sociaal-democratisch verband' aan te sluiten. Het clandestiene partijbestuur schaarde zich hierachter. In mei 1945 begon de SDAP weer te functioneren met Woudenberg als secretaris-penningmeester. Met de onderhandelingen over de op te richten PvdA bemoeide hij zich nauwelijks, omdat hij te veel organisatorische problemen moest oplossen. Bij de officiële oprichting van de PvdA in februari 1946 werd Woudenberg opnieuw secretaris-penningmeester. Als socialist voelde hij zich echter niet echt op zijn gemak in de 'doorbraak-partij'. Dit weerhield hem er niet van de PvdA te zien als een bolwerk tegen het 'tierende communisme'. Ook zijn verhouding met Vorrink verslechterde hierdoor. Deze was nooit erg goed geweest omdat Kees en Koos elkaar niet lagen en hun karakters regelmatig botsten. Toen Woudenberg in december 1948 de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt, werd hij slechts met grote moeite bereid gevonden aan te blijven tot het congres in februari 1949, waar zijn opvolging zou worden geregeld. Vanaf 1945 tot zijn dood in oktober 1954 was hij lid van de Eerste Kamer. Ook hier was volkshuisvesting zijn speciale aandachtsgebied. Na de oorlog werd hij opnieuw bestuurslid van de VARA, waarvoor hij in augustus 1940 bedankt had toen duidelijk werd welke koers deze organisatie wilde gaan varen. Het Comité Nationale Omroep dat omstreeks 1946 pleitte voor één algemene Omroep, vond in hem een fel tegenstander. Een speciale, met de sociaal-democratie verbonden omroep vond hij belangrijk. Ook hier had hij met de doorbraak weinig op. Woudenbergs kwaliteiten lagen vooral op organisatorisch vlak. Hij combineerde deze kwaliteiten met een grote werkkracht. Hij was een goed tacticus die makkelijk contacten legde. Bovendien was hij een principieel en beminnelijk mens met een mild gevoel voor humor. Als partijsecretaris was hij populair in brede kring. Dit bleek op het partijcongres in 1949 waar hij officieel terugtrad. Als afscheidscadeau kreeg hij een Solex bromfiets en samen met zijn vrouw een reis naar Amerika aangeboden.

Archief: 

Archief C. Woudenberg in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 359).

Publicaties: 

Verkorting van arbeidstijd. Referaat gehouden ... 24 februari 1918 (Rotterdam 1918). Medezeggenschap der arbeiders in het bedrijf. Referaat gehouden ... 13 maart 1922 op het congres van den Alg. Ned. Bond van Meubelmakers, Behangers en Aanverwante Vakgenoten' (Amsterdam 1922); 'Economisch ongeoorloofd loon' in: De Vakbeweging, 1924, 296-302; Waarop wacht gij? (Amsterdam 1928); Weer voorwaarts? Een opwekking tot het sluiten der gelederen (Amsterdam z.j.); Van S.D.A.P. naar P.v.d.A. in: Vonkenreeks, serie: denken, strijden en bouwen (Amsterdam 1946).

Literatuur: 

Vliegen, Kracht III, 466-467; P. Hoogland, Vijfentwintig Jaren Sociaal-Demokratie in de Hoofdstad (Amsterdam 1928); Kl. van den Berg, 'In memoriam Kees Woudenberg' in: De Vakbeweging, 2.11.1954, 329; E. Kupers, 'Een pionier ging heen. Bij de dood van Kees Woudenberg' in: Socialisme en Democratie, 1954, 676-677; H.M. Ruitenbeek, Het ontstaan van de Partij van de Arbeid (Amsterdam 1955); H. van Hulst, A. Pleysier, A. Scheffer, Het roode vaandel volgen wij (Den Haag 1969); H.F. Cohen, Om de vernieuwing van het socialisme (Leiden 1974); C.H. Wiedijk, Koos Vorrink (Groningen 1986); A. Bleich, Een partij in de tijd (Amsterdam 1986); H. Wijfjes, Radio onder restrictie (Amsterdam 1988); P.J. Knegtmans, Socialisme en democratie (Amsterdam 1989); A. Klijn, Arbeiders- of volkspartij. Een vergelijkende studie van het Belgisch en Nederlands socialisme 1933-1946 (Maastricht 1990); M. Brinkman, Willem Drees, de SDAP en de PvdA (Amsterdam 1998); J. de Roos, Besturen als kunst. Lokale sociaal-democraten 100 jaar verenigd (Amsterdam 2002).

Portret: 

C. Woudenberg, IISG

Auteur: 
Rik Vuurmans
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 308-311
Laatst gewijzigd: 

25-09-2002