ALBARDA, Johan Willem

Johan Willem Albarda

(roepnaam: Willem), partijleider van de SDAP van 1925 tot 1940 en minister van Waterstaat van 1939 tot 1945, is geboren te Leeuwarden op 5 juni 1877 en overleden te Den Haag op 19 april 1957. Hij was de zoon van Horatius Albarda, koopman en kleermaker, en Eelkjen Tönjes. Op 23 december 1903 trad hij in het huwelijk met Anna Brals, met wie hij een dochter en een zoon kreeg. Na haar overlijden (op 6 november 1929) hertrouwde hij op 5 januari 1931 met Hiltje Ebkje Tibo. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Albarda groeide op in liberale Leeuwarder middenstandsgezinnen, eerst bij zijn ouders, later in het gezin van een oom die apotheker was. Zijn vader, een democratisch-liberaal, was doopsgezind, zijn moeder Nederlands hervormd. Albarda werd met achttien jaar gedoopt en aangenomen in de hervormde kerk maar verloor spoedig elke godsdienstige overtuiging. Hij noemde zichzelf humanist. Dat hij al op jeugdige leeftijd zijn beide ouders verloor (zijn vader overleed in 1886, zijn moeder in 1891), bleek in zijn geval geen beletsel de Hoogere Burger School te volgen. Tijdens zijn studie aan de Polytechnische School in Delft werd zijn belangstelling voor de arbeidersbeweging gewekt toen hij 'bij excursies naar verschillende fabrieken en door practisch werken in fabrieken kennis had gemaakt met arbeidstoestanden'. Veel invloed op de vorming van zijn socialistische overtuiging hadden de 'colleges van prof. mr. B.H. Pekelharing over arbeidswetgeving en over geschiedenis van het socialisme'. In het kader van het zogeheten Toynbee-werk gaf Albarda cursussen natuurkunde en kosmografie aan arbeiders. Daarbij kwam hij met socialistisch gezinden in aanraking. Hij werd voorzitter van de Sociaal-Democratische Propaganda Club, waartoe ook de latere SDAP Kamerleden Th. van der Waerden en Ch.G. Cramer behoorden, en was van 1898 tot 1902 redacteur van het Studentenweekblad te Delft. Met betrekking tot de vraag of hij zich moest aansluiten bij de SDAP ging hij niet over één nacht ijs. In een brief aan F.M. Wibaut van eind 1898 moet hij bezwaren hebben geuit tegen het klassenstrijdkarakter van de SDAP, dat eerder in staat leek haat dan idealistische strijdbaarheid op te wekken. Het Engelse Fabianisme sprak hem meer aan. Pas een halfjaar later sloot hij zich, 22 jaar oud en nog student, bij de SDAP aan. Eenmaal partijlid kwam hij als bijna alle intellectuelen op de linkervleugel van de SDAP terecht en koos hij de kant van de marxisten. P.J. Troelstra stelde op het partijcongres van april 1905 in Den Haag tot zijn ongenoegen vast dat onder jonge intellectuelen de neiging bestond om de partij bij de verkiezingen niet te laten deelnemen aan herstemmingen. Jonge partijgenoten als Albarda en G.W. Sannes, die zich rond 'hyper-marxisten' als Herman Gorter en Anton Pannekoek schaarden, noemde hij 'jonge veulens' die naar hij hoopte 'op den duur tot degelijke karrepaarden zouden uitgroeien'. 'Het was misschien niet fijn gezegd, maar als men de latere gebeurtenissen nagaat, kan men niet ontkennen, dat mijn hoop is verwezenlijkt', schreef Troelstra achteraf. Na zijn afstuderen als werktuigkundig ingenieur werkte Albarda vanaf 1903 enkele jaren als HBS-leraar in Almelo en Den Haag. Van 1911 tot 1913 was hij in Amsterdam directeur van de Arbeidsbeurs. In 1913 stond hij in het district Enschede voor de tweede keer kandidaat voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer en werd hij gekozen. Hij bleef Kamerlid tot 1939. In 1915 werd hij in Den Haag in de gemeenteraad gekozen. Hij bleef raadslid tot 1927 en was van 1917 tot 1923 wethouder van Financiën in de residentie. Voorts was hij van 1916 tot 1919 lid van de Provinciale Staten van Zuid Holland en had hij van 1925 tot 1940 zitting in het partijbestuur van de SDAP.

Toen de Tweede Kamerfractie Albarda in 1925 als opvolger van Troelstra tot voorzitter koos, was hij al ruim twaalf jaar Kamerlid. Hij was enige tijd fractiesecretaris geweest en woordvoerder over arbeidswetgeving, waterstaat en mijnen, later ook over Nederlands Indië en onderwijsaangelegenheden. Het waren roerige jaren geweest. In 1913 had hij de debatten over deelname aan een kabinet met liberalen en vrijzinnig-democraten van nabij meegemaakt. Albarda had tot de tegenstanders van regeringsdeelname behoord. Hij had voorts gezien hoe na lange strijd het algemeen kiesrecht werd ingevoerd, al zal het resultaat, 'slechts' 22 zetels in 1918, ook hem zijn tegengevallen. Hij had de val en reconstructie van de kabinetten van de katholiek Ch.J.M. Ruijs de Beerenbrouck meegemaakt. De wereldoorlog had evenmin nagelaten grote indruk op hem te maken. In 1917 was hij met Troelstra en H.H. van Kol lid van het Hollands-Scandinavisch Comité in Stockholm dat trachtte het contact tussen de socialistische partijen uit de verschillende landen te herstellen. Als vertegenwoordiger van de SDAP woonde hij in 1923 de oprichting van de Socialistische Arbeiders Internationale (SAI) bij. In de SAI was hij actief op het gebied van de internationale ontwapening. Albarda kon in 1925 dus bogen op een brede en rijk geschakeerde politieke en parlementaire, als wethouder ook op enige bestuurlijke ervaring. Geleidelijk en onopvallend was hij opgeschoven naar een middenpositie in de partij. Als partijleider zou hij zich de eerstkomende jaren inzetten voor regeringsdeelname door de SDAP in een democratisch kabinet, te vormen met de linkervleugel van de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) en de vrijzinnig-democraten, en voor nationale en internationale ontwapening.

In het begin van de jaren twintig heerste in de SDAP een rotsvast vertrouwen in de nabijheid van het socialisme. Ook Albarda geloofde een overgangsfase in de maatschappelijke ontwikkeling te beleven. De grote omwenteling naar het socialisme voltrok zich fors en snel, hield hij het partijcongres van 1926 voor. Een jaar later sprak hij van een overgangstijd naar het socialisme en in het najaar van 1928 meende hij te kunnen vaststellen dat er sprake was van overgang naar een nieuwe maatschappelijke orde op grond van terreinwinst van de parlementaire democratie in Europa, het ontstaan van de Volkenbond, de ontwikkeling van het bedrijfsleven die haar geschikt maakte voor socialistisch beheer, de emancipatiedrang van de koloniale wereld en de groei van het proletariaat. De economische crisis van de jaren dertig en de opkomst van het nationaal-socialisme zouden die hoop de bodem inslaan. Hij zou echter altijd blijven hameren op de zekerheid van de komst van het socialisme, ook tijdens de crisisjaren. Op congressen, demonstratieve bijeenkomsten en voor de radio zou hij de achterban keer op keer een hart onder de riem steken, onder meer door de sociaal-democratische beweging voor te stellen als een schip in stormtij dat eens rustiger water en het socialistische land zou bereiken. Zijn bijna onnavolgbare welsprekendheid en zijn beroep op hoop en vertrouwen bezorgden hem grote populariteit. Steevast werden zijn redevoeringen bedolven onder applaus en besloten met het zingen van de Internationale. In het conflict met de groep rond het blad De Socialist behoorde Albarda tot de partij bestuurders die de opposanten geen duimbreed wilden toegeven. Wat hem betrof was het buigen of barsten voor de oppositie. Bemiddeling sloot hij uit. Op het beslissende congres in 1932 viel hij fel uit tegen J. de Kadt, één van de aanvoerders van de oppositie, die hij van communistische sympathieën beschuldigde. De groep trad vrijwel in zijn geheel uit en stichtte de Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP), die maar een kort leven was beschoren. Het lijkt erop dat Albarda met De Kadt een rekening had willen vereffenen omdat de radicalisering van De Socialist was ingezet met een aanval op Albarda. Maar Albarda was ook fel anticommunistisch. In de Executieve van de SAI zou hij zich opwerpen tot woordvoerder van de partijen die elk contact met de communisten wilden mijden. Albarda was van 1930 tot 1939 lid van de Executieve en het Bureau van de SAI. Tot zijn ministerschap was hij in 1939 voorzitter van de SAI, die toen echter al sterk aan betekenis had ingeboet.

Tijdens de eerste crisisjaren en het conflict met de linkervleugel kwamen enkele zaken duidelijk aan het licht. Allereerst bleek hoe ver Albarda verwijderd was geraakt van het offensieve socialisme uit de tijd van Troelstra. Straatdemonstraties vond hij een achterhaald middel uit de tijd dat de arbeidersklasse nog niet over een eigen pers en politieke rechten beschikte. Ook al was die uitspraak mogelijk gechargeerd door zijn afkeer van het radicalisme van de opposanten rond De Socialist, de overgang naar het socialisme was voor hem een strikt parlementaire aangelegenheid geworden. Die opstelling zou hem tijdens de crisis in grote politieke problemen brengen. Doordrongen van de marxistische orthodoxie dat tegen economische crises niets viel uit te richten, wekte deze crisis bij hem een zeker defaitisme. De arbeidersbeweging restte niets anders dan te 'hopen op het wijken van de crisis, op het herstel van het economisch leven, met vermindering van de werkloosheid en met terugkeer van de mogelijkheid voor vakbeweging en politieke partij om het levenspeil en het beschavingsniveau voor de arbeidersklasse te verhogen.' In het partijbestuur keerde hij zich dan ook meermalen tegen betogingen, demonstratieve bijeenkomsten en andere buitenparlementaire vormen van verzet tegen de regeringspolitiek. Tegelijkertijd moesten Albarda en zijn fractiegenoten in de Kamer, die geen van allen principiële tegenstanders waren van de bezuinigingspolitiek van de regering, de zwaarste lasten zien af te wentelen van de arbeidersklasse. Bij gebrek aan alternatief leidden die pogingen bij hem tot moedeloosheid, al bleef hij zich verzetten tegen de in zijn ogen veel te radicale en geldverslindende eisen van het NVV. Zulke eisen vond hij kiezersbedrog omdat zij niet waren te realiseren. Daar kwam bij dat hij vond dat het NVV zich niet in de politiek mocht mengen. Dat was zijn verantwoordelijkheid als partijleider. Albarda week met zijn opvattingen over economische politiek nauwelijks af van wat toen algemeen werd aanvaard. Hij koos voor consequente deflatie: verlaging van de lonen èn van de kosten van levensonderhoud. De moderne economische theorieën volgens welke door middel van grote overheidsinvesteringen crisisbestrijding mogelijk was, lijken niet erg aan hem besteed te zijn geweest. Het goedkoop schijnende Werkfonds van H. Colijn achtte hij efficiënter dan de dure en min of meer avontuurlijke werkloosheidsbestrijdingsplannen van J. Tinbergen en H. Vos. Hij bleef voorzichtig, ook nog toen de SDAP met het Plan van de Arbeid daadwerkelijk over een alternatief voor de regeringspolitiek leek te beschikken.

De gebeurtenissen in 1933 - Hitlers doorbraak naar de macht, de reacties op de muiterij op 'De Zeven Provinciën' en de eerste echte verkiezingsnederlaag van de SDAP - schokten het door de crisis al gevaarlijk ondergraven zelfvertrouwen van de SDAP. Hoewel Albarda niet onmiddellijk aan de druk van de omstandigheden wilde toegeven en wilde afwachten alvorens tot herschrijving van het beginselprogramma over te gaan, trok hij toch snel enkele conclusies. Het emotionele antisocialisme van na de muiterij en Hitlers machtsgreep overtuigden hem van de noodzaak vooral geen aanstoot te geven. De overheid mocht geen aanleiding vinden de sociaal-democratische beweging met verbodsbepalingen te treffen. Uit vrees voor Hitlers oorlogsdreiging zei Albarda, die jarenlang een van de belangrijkste ontwapeningspropagandisten was geweest, in geval van oorlog zelf te zullen gaan vechten. Hij zou in het openbaar echter nog tot 1936 aan ontwapening vasthouden. Niet de minst belangrijke conclusie was dat Albarda in het voorjaar van 1933 vaststelde dat de traditionele SDAP-politiek, gericht op splijting van de RKSP, mislukt was. Vanaf dat moment zou hij proberen de RKSP als geheel uit de confessionele regeringscoalitie los te weken. Hij zou voortaan vooral benadrukken wat de SDAP verbond met de RKSP. Toen een breuk tussen Colijn en de RKSP onafwendbaar scheen, leek het er in de zomer van 1935 even op dat die politiek snel succes zou hebben. Tot onderhandelingen kwam het echter niet omdat de RKSP niet met de SDAP alleen wilde regeren en geen van de andere partijen bereid was mee te werken. Niettemin zou Albarda zijn lijn voortzetten, hoe weinig spectaculair deze ook was. De ervaring had hem geleerd dat een al te scherpe oppositie de regeringspartijen naar elkaar toedreef. Deze kabinetscrisis met haar ogenschijnlijk reële mogelijkheid tot regeringsdeelname en de internationale ontwikkelingen zouden het proces van heroriëntering van het socialisme versnellen. Het ontwapeningsstreven was een obstakel geworden en paste volgens Albarda niet meer bij de eisen van de tijd. De parlementaire democratie diende te worden verdedigd. Aanvaarding van de nationale verdediging - voor de overtuigd anti-militaristische SDAP een enorme stap - wilde hij echter goed voorbereiden en begeleiden om al te grote onrust in de partij te voorkomen. Zelf nam hij daarbij het voortouw. In 1937 aanvaardde het partijcongres nationale verdediging. Maar tot een uitspraak voor een politiek van collectieve veiligheid tegen Duitsland, zoals Albarda wilde, zou het niet komen. Ook in de SDAP hielden velen wanhopig vast aan Nederlands neutraliteit.

Al lijkt Albarda weinig te hebben begrepen van de economische theorieën waarop het in 1935 gepubliceerde Plan van de Arbeid rustte, de idee van aanvaarding van nationale verantwoordelijkheid die ook in het Plan was vervat, moet hem hebben aangesproken. Het was dan ook alleen een kwestie van het kiezen van het juiste tijdstip dat ook hem deed aarzelen het beginselprogramma van de SDAP al vóór de Kamerverkiezingen van 1937 te wijzigen en met het Plan in overeenstemming te brengen. Hij vreesde moeilijkheden met de marxisten, hetgeen de verkiezingscampagne in de war zou kunnen sturen. Na het moeizaam bereikte en zorgvuldig geformuleerde compromis dat op het congres van 1937 tot nieuw beginselprogram werd verheven, verstomde de in 1933 op gang gekomen discussie over plaats en karakter van een socialistische partij niet. Albarda zelf nam in dat debat nauwelijks openbaar stelling. Wel nam hij in 1938 deel aan enkele door W. Banning georganiseerde ontmoetingen tussen vooraanstaande SDAP-ers en politici uit andere partijen, waaronder de CHU jongeren (en latere PvdA-leden) P. Lieftinck en G.E. van Walsum. Een nota uit de zomer van 1939 waarin hij zich nadrukkelijk als pragmaticus profileerde, was slechts bedoeld voor intern gebruik. De partij moest zijns inziens duidelijk maken dat godsdienstigen en niet-godsdienstigen voor de socialistische beweging gelijkwaardig waren. De SDAP zou dat het beste kunnen tonen door als regeringspartij verantwoordelijkheid voor het hele volk te dragen. Enkele weken later zou hij zelf tot de eerste SDAP-ministers behoren. Aan de formatie van het nieuwe kabinet na de val van Colijn in 1939 nam hij slechts indirect deel, omdat niet hij maar aanvankelijk alleen J. van den Tempel door formateur D.J. de Geer was benaderd met het verzoek toe te treden tot een nationaal kabinet. Maar Albarda deed zijn uiterste best partij en fractie tot een positieve opstelling te bewegen en te voorkomen dat door al te uitgesproken eisen de SDAP opnieuw van regeringsdeelname zou worden uitgesloten. In de negen maanden voorafgaande aan de Duitse inval kon hij als minister van Waterstaat echter weinig constructiefs verrichten.

Tijdens de bezettingsjaren maakte Albarda als minister van Waterstaat in Londen achtereenvolgens deel uit van het kabinet-De Geer en het eerste en tweede kabinet van P.S. Gerbrandy. In het tweede kabinet-Gerbrandy fungeerde hij bovendien van november 1941 tot december 1942 als minister van Financiën ad interim. Hij behoorde er niet tot de meest strijdvaardige ministers, maar verzette zich heftig tegen plannen voor een naoorlogs overgangsbewind zonder volksvertegenwoordiging. Een conflict over het ontslag van J.A.W. Burger leidde in februari 1945 tot ontslagname van Albarda en Van den Tempel uit het tweede kabinet-Gerbrandy. Na terugkeer in Nederland trok hij zich uit het actieve politieke leven terug. Hij bemoeide zich nog slechts zijdelings met de SDAP en de PvdA en trad een enkele maal als regeringsadviseur op, in 1949 onder meer als lid van een internationale commissie die aanbevelingen moest opstellen over het vraagstuk van de Europese eenheid. In 1945 werd hij benoemd tot lid van de Raad van State, een ambt dat hij in 1952 op 75-jarige leeftijd neerlegde. Vijf jaar later overleed hij. Zijn begrafenis vond op zijn verzoek in alle stilte plaats. Bij het overlijden van Albarda herinnerde Het Vrije Volk zich 'een wat schrale man met een scherpe kop en felle ogen achter brilleglazen.' De krant memoreerde 'hoe stil het was als Albarda sprak. Dat was altijd een belevenis, omdat Albarda sprak in goed gebouwde zinnen, omdat zijn betogen logisch waren en constructief als een voortreffelijk stuk ingenieurswerk. Oratorisch vuurwerk was het nooit, maar wat hij zei getuigde van grote kennis, van liefde voor de mensheid en van toewijding' aan het socialisme.' Albarda heeft de SDAP bevrijd van de revolutionaire frase en de democratie volledig en definitief als een harer levensbeginselen doen aanvaarden,' zoals W.A. Bonger eens zei. Uit de notulen van het partijbestuur en de Kamerfractie komt Albarda naar voren als iemand die door zijn welsprekendheid tegenstellingen wist te overbruggen en vergaderingen naar zijn hand kon zetten, als een bemiddelaar en een coördinator. Zijn welsprekendheid, voorzichtigheid en afwachtendheid vormen misschien het geheim van zijn langdurige en vrijwel onbetwiste partijleiderschap. Hij inventariseerde de meningen en verwerkte deze vervolgens in een betoog waarin de partijlijn werd uiteengezet. Dat deed hij schijnbaar moeiteloos. Maar als er een beslissing moest worden genomen, viel hem dat zwaar. Onvermoeibaar deed hij een beroep op de redelijkheid van zijn politieke tegenstanders, in en buiten de SDAP. Alleen wanneer hij meende dat zijn positie als partijleider op het spel stond of als het ging om extremisten van links en rechts, weigerde hij te marchanderen. In de partij staken echter weinigen hem naar de kroon: uit gebrek aan ambitie, inzicht en politiek gewicht of omdat zij zich teveel met een stroming in de partij hadden vereenzelvigd. In de Kamerfractie konden alleen W.H. Vliegen en later W. Drees - middenfiguren net als hij - hem als algemeen politiek woordvoerder vervangen. Dat om zijn persoon geen mythe groeide, zoals bij Troelstra, Drees en J.M. den Uyl, lag voor een belangrijk deel aan de omstandigheden. Er viel voor de SDAP in de jaren dertig eenvoudigweg weinig eer te behalen. Het tragische van Albarda's leiderschap was dat hij de juist in die tijd groeiende kloof tussen theorie en praktijk van de socialistische beweging niet wist te overbruggen. Dat neemt niet weg dat hij grote verdiensten had voor de SDAP, al was het alleen maar doordat hij zich niet verzette tegen het nieuwe, zoals sommige van zijn generatiegenoten. Hij stond machteloos tegenover de economische crisis maar sprak zich niet openlijk uit tegen de opvattingen uit het Plan van de Arbeid. Zonder vroegere beginselen te verloochenen, maar ook zonder deze te verheerlijken, paste hij zich aan en groeide mee met de maatschappelijke ontwikkelingen. Na het uittreden van de opposanten in 1932 leidde hij de partij in een behoedzaam en zoveel mogelijk gecontroleerd proces van vernieuwing en politieke aanpassing. Daarbij wist hij de eenheid van de partij te bewaren.

Archief: 

Archief J.W. Albarda in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens2, 241).

Publicaties: 

Een reeks artikelen 'Over politiek' in: De Socialistische Gids (1930-1937); De Enschedesche Textiel-Industrie. Antwoord aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Enschede (Enschede 1914); Het textielconflict in het parlement (Rotterdam circa 1924); Met de kracht van het geloof (Amsterdam 1925); Kamerontbinding (Amsterdam 1926); Sluimerende krachten (Amsterdam 1928); Het landbouwproletariaat en het socialisme (Amsterdam 1928); In overgangstijd (Amsterdam 1928); 'G.W. Sannes overleden' in: De Socialistische Gids, 1930, 81-84; 'Troelstra overleden' in: De Socialistische Gids, 1930, 378-380; Denemarken-Nederland (Amsterdam 1930); P.J. Troelstra et la politique internationale (Den Haag 1931); Een ander licht - een ander oordeel. Over de gebeurtenissen met de Zeven Provinciën (Amsterdam 1933); 'A.H. Gerhard overleden' in: Socialisme en Democratie, 1948, 390-392; (met L.G. Kortenhorst, M. van der Goes van Naters) Pieter Jelles Troelstra. Redevoeringen ter gelegenheid van de plaatsing van het borstbeeld in het gebouw van de Tweede Kamer (Amsterdam 1950).

Literatuur: 

Vliegen, Kracht II, 314-316; P.J. Troelstra, Gedenkschriften (Amsterdam 1927-1931); Ir. J. W. Albarda. Een kwart eeuw parlementaire werkzaamheid in dienst van de bevrijding der Nederlandse arbeidersklasse. Een beeld van de groei der Nederlandse volksgemeenschap (z.pl. 1938); 'Vijf en twintig jaar Kamerlid' in: Vooruit, 15.9.1938; 'Vijfentwintig jaar Kamerlid' in: Het Volk, 15.9.1938; J.J. van B., 'In memoriam J.W. Albarda' in: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 23.4.1957; 'In memoriam ir. J.W. Albarda' in: Het Vrije Volk, 23.4.1957; W. Drees, 'In memoriam J.W. Albarda' in: Het Vrije Volk, 24.4.1957; W. Banning, 'Bij Albarda's heengaan' in: Socialisme en Democratie, 1957, 273-277; Ir. J. W. Albarda. Uitgave ter gelegenheid van de onthulling van het gedenkteken voor ir. J.W. Albarda op 1 mei 1961 in Den Haag (Amsterdam 1961); H. van Hulst, A. Pleysier, A. Scheffer, Het roode vaandel volgen wij (Den Haag 1969); T. van Loosbroek, Samenwerking en konflikt in de Socialistische Arbeiders Internationale 1931-1935 (doctoraalscriptie geschiedenis Nijmegen 1973); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 9 Londen (Den Haag 1979); A.A. de Jonge, 'Johan Willem Albarda' in: BWN I, 5-7; G. van Roon, Kleine landen in crisistijd (Amsterdam 1985); P.J. Knegtmans, Socialisme en democratie. De SDAP tussen klasse en natie, 1929-1939 (Amsterdam 1989); P.J. Knegtmans, 'Johan Willem Albarda: een vergeten partijleider' in: Socialisme en Democratie, 1990, 109-113; A. Klijn, Arbeiders- of volkspartij. Een vergelijkende studie van het Belgisch en Nederlands socialisme 1933-1946 (Maastricht 1990); A. Klijn, Arbeiders- of volkspartij. Een vergelijkende studie van het Belgisch en Nederlands socialisme 1933-1946 (Maastricht 1990); B. van Dongen, Revolutie of integratie (Amsterdam 1992); B. van Dongen, Revolutie of integratie (Amsterdam 1992); J.S. Wijne, Tussen dogma en werkelijkheid. De ideologische gijzeling van de sociaal-democratie in Nederland als bijdrage tot haar isolement tijdens het Interbellum (Amsterdam 1992); P.J. Knegtmans, 'Johan Willem Albarda: democratisch socialist' in: Van Troelstra tot Den Uyl (Amsterdam 1994) 59-100; M. Brinkman, Willem Drees, de SDAP en de PvdA (Amsterdam 1998); I. de Wilde, 'Een sterke geest van vrijheid'. Brieven van de student J.W. Albarda aan G. Nolet-Adama en F.M. Wibaut (Amsterdam 2000).

Portret: 

J.W. Albarda, IISG

Auteur: 
Peter Jan Knegtmans
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 1-7
Laatst gewijzigd: 

23-09-2002