ANDEL, Geertruida Antoinetta (Truus) van

Truus van Andel

(roepnaam: Truus), bezoldigd secretaris van de Algemene Nederlandse Bond van Huispersoneel, is geboren te Schoten (Noord-Holland) op 2 januari 1904 en overleden te Amsterdam op 23 maart 1982. Zij was de dochter van Jan van Andel, wagenbestuurder, en Geertruida Klugt.

Van Andels vader was wagenbestuurder op de tram en had daardoor een vast en voldoende inkomen. De ouders verloren eerst een tweeling en later nog twee kinderen. Van Andel, na de tweeling het oudste kind, had twee broers. Het gezin verhuisde in 1906 van Schoten (Haarlem) naar Utrecht en in 1911 naar Arnhem, waar Van Andel na de lagere school een driejarige MULO (Meer Uitgebreid Lager Onderwijs) volgde en daarna een vakopleiding tot modiste (hoedenmaakster). Op haar achttiende, in 1922, werd zij lid van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC). Zij was negen jaar bestuurder van de afdeling Arnhem en werd als afdelingsvertegenwoordiger in het hoofdbestuur van de AJC gekozen. Ook werd zij lid van de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij (SDAP). Door toedoen van drie Zaanse dienstmeisjes, die ook lid van de AJC waren, verscheen eind 1929 in Het Jonge Volk een oproep aan AJC-sters om een Bond voor Huispersoneel op te richten. Omdat meer dan honderd meisjes reageerden, organiseerde de Commissie ter Bevordering van Propaganda onder Vrouwelijke Arbeidskrachten van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) bijeenkomsten en hield de Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenclubs (BSDVC) plaatselijke wervingsacties. Met 17 afdelingen werd de basis voor een landelijke vakbond gelegd. De Algemene Nederlandse Bond van Huispersoneel werd in oktober 1930 opgericht. Met een subsidie van het NVV werd Van Andel bezoldigd bestuurslid (secretaris-penningmeester). In januari 1931 bracht zij het eerste nummer van Het Huispersoneel uit. Steunend op de lokale AJC- en BSDVC-afdelingen trok zij door het land om bekendheid aan de bond te geven. Ook sprak zij regelmatig voor het NVV. Het ledental van de bond steeg van 352 in het eerste jaar naar 552 in 1932 om daarna rond de 500 leden te blijven schommelen. In verband met haar nieuwe baan was Van Andel in januari 1931 naar Amsterdam verhuisd, waar zij haar verdere leven bleef wonen. Het eerste jaar woonde zij bij mensen in, maar vanaf 1932 was zij hoofdbewoonster. Zij verdiende bij door kamers te verhuren aan twee dienstboden en ook enige tijd aan een nichtje uit Arnhem. Toen haar ouders en een broer in oktober 1937 naar Amsterdam verhuisden, woonden zij gedurende veertien maanden bij hun dochter, die na hun vertrek opnieuw onderverhuurde. Anke Weidema, onbezoldigd hoofdbestuurder van de bond en vanaf eind 1937 bij de bond in dienst als kantoorbediende, huurde eind januari 1939 een kamer bij Van Andel, met wie zij regelmatig naar werkgeefsters en meisjes trok om hen voor het bondslidmaatschap te interesseren.

Van Andel had een helder zicht op de positie van dienstboden op de arbeidsmarkt en in de samenleving en wist haar mening goed te verwoorden. In juni 1934 was zij één van de vier deskundigen die op de jaarvergadering van de Vereniging van Nederlandse Arbeidsbeurzen een advies uitbrachten over de vraag welke maatregelen genomen konden worden om te bevorderen dat meer Nederlandse meisjes werk in de huishouding zouden zoeken. Volgens haar waren huisvrouwen zelf verantwoordelijk voor het zogenoemde ‘dienstbodentekort’, omdat zij op huishoudelijk werk neerkeken en hun huispersoneel met minachting behandelden. In haar advies lag de nadruk op een van overheidswege gesteunde vakopleiding en op maatregelen ter verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Dit zou een opwaardering van de huishoudelijke arbeid teweegbrengen, waardoor meisjes aan werk in de huishouding de voorkeur zouden geven boven fabrieksarbeid. In 1939 schreef zij een goed gedocumenteerde bijdrage over huisvrouwen (met en zonder personeel) in het boek Om het dagelijks brood, dat P.J. Mijksenaar redigeerde over de verschillende soorten werk die in Nederland voorkwamen. Op 8 februari 1939 zou Van Andel voor de VARA-radio spreken over het dienstbodenvraagstuk onder de titel 'Meisjes in katoen, een hedendaags vraagstuk', maar de Radio-Controle-Commissie verbood deze speech vanwege de te harde kritiek die zij daarin op het regeringsbeleid uitsprak. Deze verscheen nu als brochure onder de titel Wat gij niet mocht horen! Een verboden radiotoespraak (Amsterdam 1939). Zij verwachtte weinig van de regeringsmaatregel om de inkomsten van dochters van gesteunde werklozen niet meer van de gezinssteun af te trekken en hekelde het voornemen van de regering om het dienstbodentekort te beperken door werkloze jonge mannen voor de huishoudelijke dienst op te leiden. In haar analyse was de afkeer van dienen door meisjes en hun ouders het echte probleem, evenals het ontbreken van wettelijke bescherming en een wettelijke regeling van de wederzijdse plichten van mevrouwen en dienstmeisjes. Vanaf 1938 steeg het ledental van de bond tot 700 in 1939 (van wie 530 vrouwelijke leden) en bijna duizend in 1940. Daarna daalde dit tot ruim 700 in 1941.

Met de Duitse bezetting van Nederland in mei 1940, gevolgd door de benoeming in juli van M.M. Rost van Tonningen als liquidatiecommissaris van de socialistische organisaties, werd duidelijk dat Van Andel naar de kant van de Duitse bezetter en zijn sympathisanten was opgeschoven. Weidema vond dat Van Andel zich te goed kon vinden in de nieuwe ordening. Zij nam in oktober ontslag en zegde per december haar huurcontract op. Onder de nieuwe verhoudingen zette Van Andel haar strijd ten gunste van de dienstboden voort. Op de voorpagina van het gelijkgeschakelde Volk van 15 augustus vroeg zij aandacht voor het dienstbodenvraagstuk en wees er op dat dienstboden nog steeds in chaotische verhoudingen werkten met lange werkuren en weinig vrije tijd. Verschillende kranten namen haar betoog over. In Het Volk van 26 september sprak zij zich uit over de nieuwe verhoudingen in Nederland: ‘Bijeenblijven en doorwerken is thans noodzakelijk. Onze idealen mogen niet prijsgegeven worden’. Volgens Van Andel eisten de omstandigheden dat in een andere vorm voor het beginsel gewerkt moest worden. Zij werd lid van de Nederlandse Socialistische Werkgemeenschap (NSWG) en kwam op 7 oktober in het bestuur van de afdeling Amsterdam, waarin zij zich tot een actief bestuurslid ontwikkelde. Bij de opheffing van het NVV en de oprichting van het Nederlands Arbeidsfront (NAF) op 1 mei 1942 ging Van Andel mee naar het NAF, waar zij leidster werd van de Bedrijfsgroep Verpleging en Huishoudelijke Diensten. Zij hield lezingen over sociale kwesties voor NAF-vrouwen en schreef artikelen in het NAF-orgaan Arbeid. Door haar toedoen werd in 1943 een vrije middag voor huispersoneel verplicht. De nieuwe, in ‘socialistische richting’ gaande verhoudingen eisten volgens Van Andel een centralistischer ordening van vakbeweging, maatschappij en overheidsorganen. Socialisme hield in dat de grond en productiemiddelen in dienst werden gesteld van de ‘volksgemeenschap’, waarbij het socialisme de waarde van de arbeid erkende door het fundament van de ‘volkswelvaart’ te vormen. Leden van het voormalige NVV konden volgens haar geen bezwaar tegen deze redenering hebben. Net als haar NWSG-kompaan C.G.T. Sormani sprak Van Andel alleen van socialisme en niet van nationaalsocialisme, omdat zij probeerde zo dicht mogelijk bij de vooroorlogse propaganda van NVV en SDAP te blijven. Van Andel bleef leidster van de Bedrijfsgroep Verpleging en Huishoudelijke Diensten tot 5 september 1944 (Dolle Dinsdag), maar zou pas op 1 januari 1945 formeel worden ontslagen. Terwijl NAF-leider Henk Woudenberg op Dolle Dinsdag naar Almelo vertrokken was, wat de indruk had gewekt dat hij net als veel Duitsers en Nederlandse nationaalsocialisten de benen had genomen, was Van Andel op haar post gebleven. Zij maakte deel uit van een voorlopig nieuw NAF-bestuur en bekritiseerde Woudenberg omdat die instemde met de verplaatsing van het hoofdkwartier van Amsterdam naar Almelo. Zij kon dat alleen als lafheid zien, wat op iedereen een slechte indruk maakte. Van Andel had een liefdesverhouding met Paul Friedrichs, een Duitse verpleger in militaire dienst, die in de zomer van 1941 enkele maanden bij haar had ingewoond maar in oktober weer naar Duitsland had moeten vertrekken. In april 1945 schreef zij hem dat zij voldoende te eten had (nog drie maaltijden per dag) en dat haar twee schoonzusters en later ook haar oudste broer bij haar in huis woonden. Verwijzend naar het oorlogsgebeuren bij Arnhem verzuchtte zij: ‘Deze oorlog is wel een algehele vernietiging; hoe alles nog terecht moet komen weet je niet.’

Na de bevrijding van Nederland werd de girorekening van Van Andel op 19 juli geblokkeerd. In de cartotheek van de Politieke Opsporingsdienst van het Militair Gezag stond vermeld dat zij met het bestuur van haar vakorganisatie naar het NAF was overgegaan. Haar dossier bevatte slechts één brief van haar op NAF-papier (uit augustus 1943 over de aanstelling van een medewerker in het land). Een agent van politie die een onderzoek instelde, rapporteerde dat zij bij omwonenden niet bekend stond als politiek onbetrouwbaar en in een ondergeschikte positie naar het NAF was overgegaan. Hierop werd de blokkade van haar girorekening eind augustus opgeheven. Toen zij in 1946 een paspoort aanvroeg om zich naar het buitenland te kunnen begeven, maakte een agent van politie in juni een proces-verbaal op waarin twee buren getuigden dat zij Van Andel tijdens de oorlog politiek betrouwbaar hadden gevonden. Zelf verklaarde zij enkele dagen later – in strijd met de feiten – dat zij niet in het openbaar voor het NAF gesproken had (alleen in besloten kring) en nooit persoonlijk contact met vooraanstaande NAF-functionarissen had gehad. Het Bijzondere Gerechtshof Amsterdam berichtte op 5 maart 1948 dat in de zaak tegen haar geen maatregelen van verdere vervolging werden overwogen. Direct na de bevrijding behoorde Van Andel bij het NVV tot de zwaarste gevallen, die in geen geval in dienst van het NVV mochten terugkeren. In De Vakbeweging van 20 juni 1945 was zij één van de acht personen die op de voorpagina bij naam werden genoemd. Hoe Van Andel, die in 1946 verklaarde dat zij niet meer in dienstbetrekking was geweest, na de oorlog in haar levensonderhoud heeft voorzien, is onbekend. In elk geval bleef zij haar woning onderverhuren. Haar oudste broer woonde met zijn gezin tot in 1952 bij haar in. In 1960 verhuisde Van Andel en in 1976 kwam zij in een Amsterdams bejaardentehuis te wonen, waar zij in 1982 op 78-jarige leeftijd overleed. In het onderzoek naar vrouwenarbeid uit de jaren tachtig en negentig van de twintigste eeuw werd Van Andels vakbondswerk beschreven. In een later door een nauw verwant familielid gemaakte stamboom ontbreekt zij.

Archief: 

Dossier G.A. van Andel in Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, Den Haag.

Publicaties: 

Prae-advies Van Andel in Tijdschrift van den Nederlandschen Werkloosheids-Raad, 1934, 169-175; 'Huisvrouw, met en zonder hulp' in P.J. Mijksenaar (red.), Om het dagelijks brood (Amsterdam 1939) 166-178.

Literatuur: 

J.H. Scheps, Scheps inventariseert. Deel 1 (Apeldoorn 1973); L. Hartveld, F. de Jong Edz., D. Kuperus, De Arbeiders Jeugd Centrale AJC 1918-1940/1945-1959 (Amsterdam 1982); E. Hueting, F. de Jong Edz., R. Ney, Naar groter eenheid. De geschiedenis van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen 1906-1981 (Amsterdam 1983); B. Henkes, H. Oosterhof, Kaatje, ben je boven? Leven en werken van Nederlandse dienstbodes 1900-1940 (Nijmegen 1985) 112-121; B. Henkes, Heimat in Holland. Duitse dienstmeisjes 1920-1950 (Amsterdam 1995); J. Poelstra, Luiden van een andere beweging. Huishoudelijke arbeid in Nederland 1840-1920 (Amsterdam 1996); G. Zondergeld, Ons Socialisme Uw Toekomst! Henk Woudenberg en het Nederlands Arbeidsfront (1942-1945) (Apeldoorn 2010).

Portret: 

Truus van Andel, uit De Strijd 12-12-1930

Auteur: 
Floor van Gelder, Bob Reinalda
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online (juni 2013)