ANSING, Willem

Willem Ansing

pionier van de vakorganisatie en oprichter van de Sociaal-Democratische Bond, is geboren te Amsterdam op 3 september 1837 en aldaar overleden op 28 mei 1900. Hij was de zoon van Frans Hendrik Ansing, smid, en Neeltje Bronkhorst. Op 8 mei 1861 trad hij in het huwelijk met Harmiene Hilbrink, met wie hij een dochter en een zoon kreeg. Pseudoniemen: Cycloop, Tubal Kain.

De vader van Ansing werkte als smid op de Rijks Marinewerf in Amsterdam. Het gezin woonde in de nauwe straten van de dichtbevolkte arbeiderswijk Kattenburg. Op zestienjarige leeftijd ging ook Ansing op de Marinewerf werken, waar hij zich bekwaamde tot smid-vuurwerker. Fors gebouwd en helder van geest was hij een typisch voorbeeld van de geschoolde ambachtsman, die zelfstandige opdrachten aanvaardde en uitvoerde - meestal tegen stukloon - en voor die tijd een behoorlijk loon verdiende. Op 24-jarige leeftijd trouwde hij met de zeven jaar oudere Harmiene Hilbrink, afkomstig uit het Duitse Lage nabij Ootmarsum, die hem zijn hele leven steunde en aanmoedigde. In hun huwelijk beleefden zij een persoonlijk drama. Hun zoontje stierf na twee dagen en hun dochtertje werd niet ouder dan zes jaar. In maart 1868 sloot Ansing zich aan bij de vrijdenkersvereniging De Dageraad waar, behalve filosofische en ethische, ook maatschappelijke problemen aan de orde kwamen. Hij hoorde daar Multatuli spreken en de kleermaker Hendrik Gerhard zette er zijn communistische opvattingen uiteen. Ansing behoorde tot de pioniers van de vakorganisatie. In 1868 werd hij voorzitter van de smedenvereniging Tubal-Kain, waarvan hij een van de oprichters was. Tijdens de grote scheepstimmerliedenstaking in april-mei 1869 zamelde hij op zijn werk geld voor de stakers in. Met vijf andere arbeiders vormde hij in augustus een comité, dat het initiatief nam tot de oprichting van een afdeling van de Eerste Internationale in Nederland. Hij werd penningmeester en ontplooide een grote activiteit. Volgens W.H. Vliegen kon Ansing 'goed spreken en schappelijk schrijven'. Onder het pseudoniem Tubal Kain schreef hij de felle brochure Wacht U voor de Internationale (Amsterdam 1872). De smedenvereniging van die naam was intussen ten onder gegaan. Hij richtte een nieuwe op onder de naam Recht voor Allen, die zich officieel bij de Internationale aansloot. Er waren zelfs plannen voor een landelijke metaalbewerkersbond. In deze vereniging werd waarschijnlijk voor het eerst het begrip 'sociale democratie' gebruikt. In hoeverre hier contacten met Duitse sociaal-democraten - mogelijk via contacten binnen de Dageraad, bijvoorbeeld zijn familielid P.J. Penning of Bruno Liebers in Den Haag - die in 1872 in verbinding met het Duitse socialistische blad Der Volksstaat stond - een rol gespeeld hebben, laat zich niet achterhalen.

Als socialist moest Ansing wel in botsing komen met de nog sterk oranjegezinde 'bijltjes'. In april 1872 weigerde Recht voor Allen deel te nemen aan een optocht ter herdenking van de inname van Den Briel en onder het pseudoniem Cycloop stelde Ansing in het blad De Toekomst het koningschap ter discussie. Ansing en twee andere socialistische smeden werden door hun opgeruide medearbeiders gemolesteerd en van de werf gedrongen. Zij zagen zich gedwongen ontslag te nemen. De Internationale beloofde ondersteuning tot zij ander werk gevonden hadden. Tijdens de loonacties in juni 1872 weigerden de ondernemers te onderhandelen zolang de vereniging zich niet van de Internationale losgemaakt had. Op een rumoerige vergadering besloten de leden ten slotte dit als vereniging te doen maar individueel lid van de Internationale te blijven. Toen het de Internationale na enkele jaren niet gelukt was de vakorganisaties te verenigen, deelde Ansing in oktober 1872 als bestuurslid mee dat de afdeling Amsterdam van de Internationale voortaan nog slechts uit de Gemengde Vereeniging uit 1871 bestond. In juni 1873 was Ansing een van de oprichters van de Demokratische Bond voor Noord- en Zuid-Nederland, die zich ten doel stelde 'de sociaal-demokratische begrippen en grondbeginselen te verspreiden en aan te kweken'. Deze ging snel ter ziele en na de ondergang van de Internationale werd het een paar jaar stil om Ansing heen.

In 1876 hoorde Ansing in Amsterdam tot de oprichters van de smedenvereniging De Volharding, die zich bij het gematigde Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond (ANWV) aansloot en in moties aandrong op algemeen stemrecht en een Organisatie van allen die hiervan verstoken waren. ANWV-voorzitter B.H. Heldt waarschuwde voor het radicalisme van ex-Internationale-mannen als Ansing, maar deze lieten zich daardoor niet afschrikken. Ansing sloeg een steeds fellere toon aan en streefde de politieke eenheid van radicale arbeiders en niet-arbeiders na. Hij probeerde dit te bereiken door het oprichten van algemene of gemengde verenigingen binnen het ANWV en door een nauwer samengaan van ANWV en de vereniging Algemeen Stemrecht. Op het kerstcongres van 1877 stonden Ansing en Heldt lijnrecht tegenover elkaar. Een motie van De Volharding, die aandrong op vorming van Gemengde Vereenigingen, werd met 24 tegen twaalf stemmen en negen onthoudingen aangenomen. De meerderheid meende bovendien met Ansing dat het ANWV eindelijk een programma diende op te stellen. Kort hierna bevond Ansing zich onder het gehoor van de radicale lutherse predikant F. Domela Nieuwenhuis, die in februari 1878 voor een groot publiek over 'Algemeen stemrecht' sprak. Deze pleitte voor omzetting van het ANWV in een politieke organisatie, die voor de invoering van het algemeen stemrecht ook voor vrouwen diende te strijden. In de loop van 1878 volgden de gebeurtenissen waarbij Ansing betrokken was, elkaar snel op. Op 26 mei belegde De Volharding een vergadering om een Gemengde Vereeniging op te richten. Krachtens het ANWV-congresbesluit moest deze er komen, maar het Centraal Bestuur gaf te kennen hier niet zelf toe over te zullen gaan en liet dit over aan de indieners van het voorstel. Uit tactische overwegingen zat niet Ansing maar tweede penningmeester H.C. de Ruijter voor. De zaal reageerde fel op de beperkende voorwaarden die het ANWV-bestuur aan de Gemengde Vereeniging stelde en voelde eigenlijk niet voor een band met het te lauw geachte ANWV. De zaal liep leeg toen de organisatoren hieraan niet toegaven. Slechts twintig mensen traden toe en Ansing en de zijnen schreven een nieuwe vergadering uit voor 16 juni 'om middelen te beramen tot uitbreiding'.

Op 9 en 10 juni vond in Utrecht het programcongres van het ANWV plaats. Het Centraal Bestuur bleek geen concept-programma opgesteld te hebben. Dit bood Ansing en zes medestanders de gelegenheid het programma van Gotha van de Duitse sociaal-democraten als bruikbaar uitgangspunt aan het congres voor te leggen. Het congres aanvaardde dit om zich vervolgens met alle kracht tegen de opvattingen van Ansing en de zijnen te keren. Ansing wilde in het programma het kiesrecht voor vrouwen opnemen en de arbeidsdag niet op tien maar op acht of zes uur vastleggen, omdat verdere 'uitbreiding van het stoomwezen en de toename van de productie' dit mogelijk maakten. Het congres sprak zich uiteindelijk tegen klassenstrijd en voor samenwerking van kapitaal en arbeid uit. Heldt bleek op dit congres geïnstrueerd door de 'katheder-socialisten', zoals blijkt uit het verslag van B.H. Pekelharing, die Ansing op het congres bovendien heftig persoonlijk aanviel. Deze polarisatie tussen socialisten en sociaal-liberalen werkte door op de Amsterdamse vervolgvergadering van de Gemengde Vereeniging op 16 juni. De gematigden onder leiding van De Ruijter, die geen moeilijkheden met het ANWV-bestuur wilden, bleven in de minderheid. Ansing en de anderen waren bereid een breuk met het ANWV te riskeren, Op de vergadering van de Gemengde Vereeniging op 7 juli werd de breuk een feit. Niets stond aanvaarding van het programma van Gotha meer in de weg en de naam werd veranderd in Sociaal-Democratische Vereeniging (SDV). Ansing nam het voorzitterschap op zich en werd de ziel van deze eerste socialistische arbeidersvereniging. In een openbare vergadering op 21juli eindigde Ansing zijn toespraak met de woorden dat de SDV er nu rond voor uitkwam wat haar werkelijke opvattingen waren. De in Duitsland begonnen socialistenvervolging onder de regering-Bismarck maakte dat naar Nederland gevluchte en politiek geschoolde Duitse socialistische handarbeiders zich bij de SDV aansloten. Op 7 augustus 1878 publiceerde De Werkmansbode het 'Programma der Sociaal-Democratische Partij in Nederland'. Daarmee begon een nieuwe fase in de geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging.

Ondertussen sprak Domela Nieuwenhuis zich in zijn 'Sociale brieven' in De Werkmansbode duidelijk voor het socialisme uit en verdedigde het optreden van Ansing en de zijnen op het pinkstercongres van het ANWV. Ansing en Domela Nieuwenhuis hadden sedert augustus 1878 schriftelijk contact. Waarschijnlijk schreef Domela Nieuwenhuis in zijn brief aan Ansing die niet bewaard is gebleven opbeurende woorden na het lezen van Pekelharings verslag van het 'program-congres' van het ANWV in Vragen des Tijds, dat weinig vleiend voor Ansing was. Domela bood daarin ook Ansing en zijn vrienden zijn diensten aan. Van deze gelegenheid maakte Domela Nieuwenhuis gebruik om Ansing enkele vragen te stellen over de toestand van de arbeiders, dezelfde die hij al had gesteld in een brief aan het ANWV in 1877, die onbeantwoord was gebleven. Daarop gaat Ansing uitvoerig in. Aan het eind van zijn brief merkte Ansing op dat hij en de zijnen vooral woordvoerders nodig hebben voor de verspreiding van hun beginselen. Domela gaf vanaf 1 maart 1879 Recht voor Allen uit en nam al in april advertenties voor SDV-vergaderingen op. SDV-leden onder wie Ansing abonneerden zich op het blad en begonnen hiervoor abonnees te werven. Op 12 juli verscheen Ansings eerste artikel in Recht voor Allen. Veel oud-Internationale-mannen woonden op 1 september 1879 in Den Haag de afscheidsrede bij van Domela als predikant. Een week later sprak Domela voor het eerst op een openbare vergadering van de SDV. Na afloop van de vergadering sprak Ansing uitvoerig met hem. Hij wist niet alleen Domela voor de SDV te winnen maar slaagde ook in zijn streven deze op de voorgrond te plaatsen. Zelf trad hij eveneens onvermoeibaar als voorzitter of spreker op openbare bijeenkomsten en scholingsvergaderingen op. Toen de SDV en enkele zusterverenigingen uit andere grote steden in april 1881 samengingen in het Sociaal-Democratisch Verbond in Nederland, werd Gerhard voorzitter en Ansing secretaris. In 1882 hoorde Ansing tot de initiatiefnemers van de Bond voor Algemeen Kiesrecht. Na zijn ontslag op de Rijks Marinewerf had Ansing tot 1877 bij de scheepsbouwersfirma Huygens in de Oostenburgerstraat gewerkt. Daarna kreeg hij een baan bij de Koninklijke Fabriek van Stoomwerktuigen, waar hij tot de best betaalde metaalbewerkers behoorde. Maar al in de loop van 1879 daalde door arbeidstijdverkorting als gevolg van de economische recessie zijn loon fors. Met Domela had hij in deze tijd veel omgang in verband met beider belangstelling voor het registreren van 'statistische omstandigheden' betreffende arbeiders.

In 1881 kwam Ansing zonder werk en besloot, omdat hij in zijn vak geen werk meer kon krijgen, als sjouwer in de Amsterdamse haven te gaan werken. Met zijn lichaamskracht en ijzeren gezondheid was dat voor hem mogelijk. Zijn beroep had hem alleen de doofheid bezorgd, die bij veel smeden voorkwam. Ansings vrouw werkte in deze tijd bij. Over hun woning in de Grote Kattenburgerstraat zei hij: 'Ik heb nog het slechtste lot niet; ik bewoon een knappe kamer, die voor een werkman tamelijk goed gemeubileerd is'. In 1885 werd Ansing opnieuw actief. De Volharding was ter ziele gegaan en hij nam het initiatief tot een nieuwe ditmaal openlijk socialistische ijzer- en metaalbewerkersvereniging, die blijkens de naam niet meer alleen smeden omvatte. Ansing zat de oprichtingsvergadering in september 1885 voor en werd voorzitter. Toen de Haagse ijzer- en metaalbewerkers door Domela Nieuwenhuis daartoe aangespoord in 1886 een landelijke bond oprichtten, sprak Ansing op de oprichtingsvergadering. Voor de Parlementaire Enquêtecommissie van 1887, die zich een beeld moest vormen van de toestanden in fabrieken en werkplaatsen, sprak Ansing als een van de weinige arbeiders vrijuit. De pers viel daarna over hem heen. Op 4 maart 1887 sprak hij voor de afdeling Amsterdam van de IJzer- en Metaalbewerkersbond over 'Mijn wedervaren voor de Commissie van Enquête. Heb ik daar leugens of waarheid gesproken?' Tot 1889 voerde hij op socialistische bijeenkomsten het woord en dan is het plotseling afgelopen. Door ziekte en tegenslagen moest hij zich na meer dan 25 jaar grote activiteit, naast een werkdag van gemiddeld twaalf uur, uit de arbeidersbeweging terugtrekken. Op zijn 53ste jaar was hij lichamelijk een wrak en kon zichzelf niet meer redden. Blindheid ontnam hem de laatste mogelijkheid om in zijn levensonderhoud te voorzien. Arm en vergeten stierf hij in 1900 in het Wilhelmina Gasthuis. Alleen De Vrije Socialist maakte kort melding van het overlijden van de oprichter van de socialistische beweging in Nederland.

Literatuur: 

Bymholt, Geschiedenis; Vliegen, Dageraad I; Enquête betreffende werking en uitbreiding der wet van 19 September 1874 (Sneek 1887); Algemeen Nederlandsch Werklieden Verbond 1871-1896 (Leeuwarden 1896); F. Domela Nieuwenhuis, Van christen tot anarchist (Amsterdam 1910); Morgenrood, nr. 11, 1917, 103; B. Bymholt, 'Een halve eeuw geleden (Oprichting van de Sociaal-Democratische vereeniging)' in: Socialistische Gids, 1928, 585-594; Een halve eeuw. Gedenkboek van de Algemene Nederlandse Metaalbewerkersbond 1886-1936 (Amsterdam 1936); P.J. Meertens, 'Ansing (Willem)' in: Mededelingenblad, nr. 22, december 1962, 2-5; J.J. Giele, De eerste internationale in Nederland (Nijmegen 1973); J.J. Giele, 'Willem Ansing en de oprichting van de Sociaal-Democratische Vereeniging in 1878' in: Jaarboek arbeidersbeweging, 1976, 180-212; J.M. Welcker, Heren en arbeiders (Amsterdam 1978); L. Brug e.a., Organisatie in het ijzeren tijdperk (Amsterdam 1995); D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001).

Portret: 

W. Ansing, IISG

Auteur: 
Jacques Giele, Ger Harmsen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 5-10
Laatst gewijzigd: 

05-08-2002