ASSELT, Gerda Frederika van

Gerda van Asselt

sociaalhistoricus, is geboren te Avereest op 5 januari 1905 en overleden te Driebergen op 29 maart 2001. Zij was de dochter van Gerrit van Asselt, directeur stoomtrammaatschappij, en Frederika Louiza Benkemper.

De ouders van Van Asselt trouwden in Amsterdam, maar vestigden zich in 1899 in Avereest-Dedemsvaart, waar haar vader directeur werd van de Dedemsvaartsche Stoomtramweg Maatschappij. Hij was lid van de liberale partij De Vrijheidsbond en behoorde tot de hervormde kerk. Haar moeder was luthers, maar de ouders lieten beide dochters vrij hun levensovertuiging te kiezen (wat in haar geval de vrijzinnige Protestantenbond werd). Van Asselt ging in Dedemsvaart naar het Uitgebreid Lager Onderwijs en mocht daarna naar de Rijks-HBS (Hogere Burger School) in Zwolle, waar zij in de derde klas kwam waarin ook de drie jaar jongere Hilda Jonker (Verwey-Jonker na haar huwelijk met Evert Verwey) zat. Toen het gezin Jonker na twee jaar naar Leiden verhuisde, omdat mevrouw Jonker aan de meisjes-HBS in Leiden was benoemd, bleef de vriendschap tussen beide meisjes bestaan. Van Asselt nam deel aan de vrije jeugdbeweging, volgde de opleiding tot bibliothecaresse en werkte daarna als assistente aan de Openbare Leeszaal in Rijswijk. De leeszaalbeweging die vanaf 1900 ook in Nederland opgang deed, stelde zich tot doel ontwikkeling en cultuur aan het volk te brengen. In 1931 werd Van Asselt aangesteld als directeur van de Openbare Leeszaal in Franeker, waar zij eerst leeszaalassistente was. Om ook in de omgeving van deze Friese stad het lezen te bevorderen schreef zij een wervingsfolder en stichtte correspondentschappen in Achlum, Dongjum, Harlingen, Herbaijum en Tjummarum. De linkse kring waarin zij verkeerde, koesterde de verwachting dat het socialisme het eerst werkelijkheid zou worden in de Sovjet-Unie. Van Asselt verdiepte zich in het Russisch, correspondeerde verschillende jaren met Russische bibliotheken en richtte in Franeker in januari 1934 een tentoonstelling in over het bibliotheekwezen en de gezondheidszorg in de Sovjet-Unie. In juli 1934 nam zij deel aan een door Intourist vanuit Berlijn georganiseerde groepsreis naar dit land. De sfeer in Berlijn, waar zij een collega van haar vader bezocht, was door de nacht van de ‘lange Messer’ grimmig. In de Sovjet-Unie bezocht zij de steden Charkov, Kiev, Leningrad en Moskou, waar zij Dirk Schermerhorn wilde opzoeken, maar hem niet trof toen zij in het programma een vrije dag had. Zij bezocht zo veel mogelijk bibliotheken en maakte daarover aantekeningen. Na afloop wisselde zij publicaties uit met enkele Sovjet-bibliotheken. Toen haar vader in 1937 overleed, solliciteerde Van Asselt naar een baan bij de Openbare Leeszaal in Tiel, om dichter bij haar moeder te zijn, die intussen in Utrecht woonde. In 1946 werd zij directeur van de Openbare Leeszaal in Tiel, wat zij tot 1967 bleef. Zij gold er als een gedreven vrouw wat betreft de sociaal-culturele opdracht van het bibliotheekwezen, terwijl inkomen en status voor haar onbelangrijk waren. Zij leerde de personeelsleden kritisch lezen door ieder van hen regelmatig en bij toerbeurt een boek te laten bespreken. Ook hier stimuleerde zij regionale samenwerking door oprichting van de Streekboekerij Neder-Betuwe, waarbij de bibliotheek in Tiel faciliteiten verleende aan de vrijwilligersbibliotheken in de aangrenzende dorpen. De laatste anderhalf jaar voor haar pensionering in 1970 werkte zij aan een bibliotheekopdracht in Soest. Net als haar moeder woonde zij in Driebergen, waar zij nog lang voor haar moeder zorgde, die in 1984 op 110-jarige leeftijd overleed. Deze zorgtaak bleek niet gemakkelijk toen de dochter zelf ouder werd.

Van Asselt, die over een grote werkkracht beschikte, had zich voorgenomen na haar pensionering sociaalhistorisch onderzoek te doen naar de onderste lagen van de werkende bevolking in haar geboorteplaats Dedemsvaart. In 1968 sprak zij Ger Harmsen hierover aan op een bijeenkomst van Kerk en Wereld op de Horst in Driebergen, waar deze een lezing hield. Zij had behoefte aan historische verdieping en wilde weten welke literatuur zij moest lezen. Harmsen gaf haar literatuuradviezen en boeken en bracht haar in contact met onderzoekers als Johan Frieswijk en Henk Prakke. Zijn suggestie om de arbeidsonlusten van 1840 in de veenkolonie van Dedemsvaart te onderzoeken, leidde in 1970 tot haar artikel hierover in het door Harmsen en Piet Meertens geredigeerde Mededelingenblad van de Sociaal-Historische Studiekring. Van Asselt ging geheel op in minutieus empirisch onderzoek en kwam veel onbekende documenten op het spoor. Dit leidde ertoe dat Harmsens oorspronkelijk scepsis over wat zij zou kunnen verdween. Tijdens een Waddenvakantie was Van Asselt aan de praat geraakt met de daar aanwezige Duitse ‘Reiseprediger’, van wie zij hoorde dat diens ‘Innere Mission’ al meer dan anderhalve eeuw voor het welzijn van Duitsers in Nederland zorgde. In de negentiende eeuw hadden de Reiseprediger zich ook met de ‘Wanderarbeiter’ in de Noord-Nederlandse venen bemoeid. Omdat de verslagen van de Reiseprediger bewaard gebleven waren, maakte Van Asselt verschillende archiefreizen naar Duitsland en kreeg zij van Helmut Talazko, de archivaris van de Innere Mission in Berlijn, microfilms van de verslagen over de periode 1860-1893 met de bedoeling deze documenten uit te geven. De vondst van deze bron maakte de ‘Hollandgänger’ en hun berichten tot Van Asselts bijzondere onderwerp. Omdat zij met haar reizen naar bibliotheken en archieven de nodige onkosten had en ook vond dat historisch onderzoek betaald moest worden en, zoals zij beargumenteerde, de leeszaalpensioenen van de vroege werkers in dat vak ‘heel laag’ waren, kreeg zij dankzij de hulp van Evert Verwey, die in het bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek zat, vanaf juli 1971 voor drie jaar een onkostenvergoeding en een maandelijkse toelage als wetenschappelijk medewerker in halve en tijdelijke dienst. Ook zorgde Verwey ervoor dat de Rijksuniversiteit van Utrecht, waar hij in het curatorium zat, een kapot leesapparaat voor de microfilms liet repareren. Het ontcijferen van de documenten bleek een grote klus. De Duits-Nederlandse werkgroep ‘Vorbereitung der Quellenedition “Hollandgänger – Berichte der Reiseprediger”’, met daarin behalve Van Asselt onder meer de Duitse hoogleraren Albin Gladen en Antje Kroes en vanuit Nederland promovendus Jan Lucassen, die er in 1973 door Theo van Tijn van de Utrechtse universiteit bij betrokken was, had veel tijd nodig. De teksten werden pas in 2007 gepubliceerd. Met Kraus raakt Van Asselt bevriend, met Lucassen was de verhouding gespannen omdat zij op elkaars terrein werkten en uit verschillende werelden kwamen. Van Asselt beperkte zich niet tot de Duitse veenarbeiders, maar hield zich ook bezig met Duitse steenbakkers en glasblazers die naar Nederland kwamen en interessant bleken omdat zij, anders dan de veenarbeiders, minder godsdienstig waren. In haar artikel over de arbeidsonlusten uit 1840 maakte zij duidelijk dat het niet ging om een uitbarsting van woede en ongeorganiseerd verzet, maar om mensen die zich bewust waren dat zij tekort werden gedaan en juist met wettige middelen hun recht zochten, maar daarvoor bij het gezag geen weerklank vonden. In haar artikel in de Nieuwe Drentse Volksalmanak vond zij dat de plaatselijke keuren (verordeningen) op veengraverijen in het Noorden van Nederland veel plichten en weinig rechten kenden. In haar artikel in het Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging behandelde zij de vroege rooms-katholieke zielzorg en de actieve bemoeienis van de pastoor met de onlusten in Dedemsvaart, waaronder de instructie aan stakende roomse Duitsers pas aan het werk te gaan wanneer hij het sein daartoe gaf. Als geheel kende Van Asselt de Duitse predikanten en pastoors echter een positieve rol toe waar het om de door hen gegeven zorg ging. Harmsen noemde het typerend voor Van Asselt dat zij een brede opvatting van het onderzoeksterrein had en dat haar onderwerpen nooit afgerond waren: ‘Steeds viste ze nog nieuwe gegevens op’. Kenmerkend voor haar manier van schrijven was dat zij zichzelf en haar lezers voortdurend vragen stelde: ‘Veel is onzeker’. Haar kracht lag volgens hem in het onderzoek, maar met de vormgeving had zij moeite, zeker nadat zij steeds meer gegevens bijeen had gebracht. Zij onderkende echter al vroeg de betekenis van trekarbeid en onderzocht daartoe bronnen waaraan in Nederland nog niemand had gedacht.

De Duits-Nederlandse werkgroep kwam in 1995 over om Van Asselts negentigste verjaardag te vieren. Hilda Verwey-Jonker zocht haar in haar laatste jaren elke zondag op. Van Asselt had hartklachten, werd steeds minder mobiel en liet zich voor haar laatste twee hartinfarcten niet meer behandelen. Zij overleed in 2001 en werd in Utrecht begraven op de begraafplaats waar ook haar ouders lagen. Verwey-Jonker sprak er namens de vrienden de aanwezige geestverwanten van de Protestantenbond toe en herinnerde aan het baanbrekende onderzoek van haar vriendin.

Archief: 

‘Asselt, Gerda F. van’, mappen 830-833 in Archief Ger Harmsen in IISG, Amsterdam

Publicaties: 

‘De arbeidsonlusten van 1840 in de veenkolonie Dedemsvaart’, in: Mededelingenblad van de Sociaal-Historische Studiekring, nr. 37, 1970, 22-40; ‘Enkele mededelingen betreffende een aantal plaatselijke keuren op de veengraverijen in de noordelijke provinciën’, in: Nieuwe Drentse Volksalmanak, 1973, 61-89 en 1974, 84-102; ‘De Hollandgänger: gastarbeid in de 19e eeuw. De conferentie te Oeynhausen op 17 februari 1866; een hoofdstuk uit de geschiedenis van de “Reisepredigt”’, in: Tijdschift voor Sociale Geschiedenis, 2/1, februari 1976, 4-41; ‘De Hollandgängerei’, in: Spiegel Historiael, april 1977, 226-235; ‘De rooms-katholieke zielzorg te Dedemsvaart 1820-1840’, in: Bulletin Nederlandse Arbeidersbeweging, nr. 26, juni 1992, 2-12; A. Gladen en anderen, Hollandgang im Spiegel der Reiseberichte evangelischer Geistlicher. Quellen zur saisonalen Arbeitswanderung in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts (Münster 2007).

Literatuur: 

F.G. de Ruiter, ‘Steenbakkers, turfstekers, hannekemaaiers. Gastarbeiders in de gouden eeuw’, in: De Volkskrant, 6.1.1973; M. Hol, ‘Gerda F. van Asselt overleden’, in: Het BibliotheekBlad, 7, april 2001, 27; G. Harmsen, ‘Herinneringen aan Gerda van Asselt’, in: Onvoltooid Verleden, nr. 16, december 2002, 23-32.

Portret: 

Fotograaf: Maarten Verwey

Auteur: 
Bob Reinalda
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA online, mei 2017