BAKKER, Pieter Oege

Piet Bakker

(roepnaam: Piet), sociaal-democratisch journalist en letterkundige, is geboren te Rotterdam op 10 augustus 1897 en overleden te Amsterdam op 1 april 1960. Hij was de zoon van Machiel Bakker, kantoorloper, en Klaaske Breeuwsma. Op 22 juni 1921 trad hij in het huwelijk met Klara Hedwig Charlotte Richter. Dit huwelijk bleef kinderloos en werd ontbonden op 15 september 1922. Op 2 januari 1924 hertrouwde hij met Hortense Prager, met wie hij twee dochters en een zoon kreeg.
Pseudoniemen: Ypsilon, K. Opdam.

Bakker was de jongste zoon van het zes kinderen tellende gezin uit een nette arbeidersstraat in de Rotterdamse wijk Feyenoord. Hij werd al vroeg geconfronteerd met armoede. Zijn moeder moest bijverdienen met het wassen voor anderen. In 1906 verhuisde het gezin naar de Amsterdamse Pijp. In zijn 'vrijmoedige herinneringen' Jeugd in de Pijp (Amsterdam 1946) noemde Bakker de vijftien jaar die hij er woonde 'een cursus in de sociologie'. Bakker voelde zich niet ongelukkig in de Van Ostadestraat, waar 'diamantslijpers, toneel- en draaiorgelspelers, huisjesmelkers en duivenmelkers, Jan Rap, maar ook zijn beter gesitueerde maat' woonden. Hij bezocht de openbare lagere school nr. 102, waar hij in de klas zat bij meester Euwe, de vader van de latere schaker. Op twaalfjarige leeftijd mocht hij naar de vervolgklas aan de Plantage Muidergracht en 's avonds naar de avondschool om Engels te Ieren. Zijn onderwijzer beval hem aan voor het toelatingsexamen van de tweejarige vervolgcursus. Behalve deze cursus bezocht Bakker de zondagsschool op Nederduits hervormde grondslag en was hij lid van de christelijke knapenvereniging Geloof, Hoop en Liefde. Later zou hij opgelucht afstand nemen van het geloof. Na de vervolgklas (hij was intussen veertien) werd Bakker naar de Normaalschool gestuurd om te worden opgeleid tot onderwijzer. In 1917 behaalde hij de onderwijzersakte en werd schoolmeester in de gemeente Haarlemmermeer, waar hij twee jaar werkte: 'Ik verdiende ... nog geen zestig gulden in de maand. Iedere dag op een gammele fiets naar een nog gammeler schooltje tussen Sloten en de Nieuwe Meer.' De anarchist H. Eikeboom, corrector bij De Telegraaf wees Bakker op een vacature bij die krant, waar de jonge onderwijzer op solliciteerde. Hij leerde er het redactiewerk en maakte kennis met hoofdredacteur J.C. Schröder en met J. Lüger, T. Landré en andere Telegraaf-medewerkers. In 1921 werd Bakker aangenomen als corrector-verslaggever bij Het Volk. Het was het begin van een loopbaan van twintig jaar bij het sociaal-democratische partijorgaan. Als (enige) corrector bediende hij ook de telefoon, nam hij berichten op, hield hij legger en klapper bij en corrigeerde hij drie edities per dag. 's Avonds mocht hij voor de verslaggeverij werken. Met ingang van 2 januari 1924 (de dag ook van zijn huwelijk met collega-correctrice Hortense Prager) werd Bakker benoemd tot tweede correspondent in Den Haag, waar hij ook ging wonen. Het volgen van het parlement lag Bakker niet, vooral de gewone verslaggeverij had zijn belangstelling. Toch bleef hij tot 1929 in Den Haag. Hij keerde terug naar Amsterdam en was bij Het Volk achtereenvolgens werkzaam als tweede kunstredacteur, verslaggever, eerste kunstredacteur, vakbewegingsredacteur en speciale verslaggever. Ook was hij bureauredacteur en hoofd van de verslaggevers en maakte hij feuilletonistische reportages. Datzelfde genre beoefende hij ook jarenlang in De Notenkraker. Tijdens een reis voor een van deze reportages was Bakker betrokken bij het auto-ongeluk dat het leven kostte aan de bestuurder van de auto, de tekenaar Albert Funke Küpper. Bakker raakte gewond maar belde het bericht over de dood van Funke Küpper nog door voor de avondeditie van Het Volk. Naast zijn journalistieke werk schreef Bakker ook boeken, naar eigen zeggen 'geen literatuur maar lectuur'. Hij wilde zo schrijven dat de 'gewone man' hem kon begrijpen. Zijn eerste boek schreef hij samen met de Telegraaf-redacteur J.C.E. Sand: Amsterdam, zooals het leeft en werkt (Amsterdam 1933). De humoristische roman Cootje Pink (Amsterdam 1934) werd geïllustreerd door Funke Küpper en verscheen eerst als feuilleton in Het Volk. Een ander humoristisch boek schreef Bakker samen met E. Poestkoke (als 'Twee Geheimschenders'): Briefgeheimen (Amsterdam 1937).

Na de Duitse bezetting had Bakker als oudere redacteur moeite Het Volk in de steek te laten. Enerzijds was hij van mening dat 'onder de nazi's geen echte krant, laat staan een socialistische' mocht verschijnen. Anderzijds was er het gebod 'Blijven!' van partijleider W.H. Vliegen, uitgesproken bij de crematie van Y.G. van der Veen, de directeur van De Arbeiderspers die enkele maanden na de Duitse inval zelfmoord had gepleegd. Het duurde tot 1 september 1940 voor hij, na een reportagereis naar Zeeland met M.M. Rost van Tonningen, ontslag nam. De directe aanleiding was het ontslag van de joodse kunstredacteur van Het Volk, P.F. Sanders. In zijn memoires schreef Bakker: 'Eerlijk wil ik belijden, dat ik nóg te lang ben aangebleven, nóg te veel ge-urmd heb, al heeft het dan maar een paar maanden geduurd. De krant had na de 14e mei 1940 niet meer moeten verschijnen.' Het onderhoud van zijn gezin was voor hem een argument geweest om te blijven. Bakker werkte tijdens de bezetting 'te hooi en te gras' aan enkele kranten en tijdschriften mee, onder meer, tot het verbod van die krant op 1 juli 1944, aan Het Utrechtsch Nieuwsblad, voor welk dagblad hij een ondergedoken joodse journaliste op zijn naam liet meewerken. Ter bescherming van deze journaliste bleef Bakker ook tot die datum lid van het Verbond van Nederlandse Journalisten. Bakker werkte ook tot 1943 mee aan De Telegraaf toen volgens Bakker de koers van het blad (dat zich overigens al op 17 mei 1942 had uitgesproken voor een loyale houding ten opzichte van de bezettende macht) in ongunstige zin veranderde. Behalve een illegale publikatie onder het pseudoniem Ypsilon, Twintig eeuwen na Bethlehem (Wormerveer 1944), verscheen tijdens de bezetting ook Bakkers bekendste werk, de trilogie Ciske de Rat. Aanleiding waren de cursiefjes die Bakker in De Telegraaf schreef over een 'kwekeling met akte'. Op verzoek van uitgeverij Elsevier werkte hij de cursiefjes om tot een roman, die, voorzien van het jaar van uitgifte 1941, in 1942 verscheen. Reden voor de antedatering was dat Bakker zich als ondertekenaar van het kunstenaarsprotest van februari 1942 niet had aangemeld bij de Kultuurkamer en daarom geen papiertoewijzing voor een boek kon krijgen, zoals na 15 februari 1942 verplicht was. Het eerste deel van het boek werd gedrukt op clandestien papier en bleek een succes: er werden ongeveer 50.000 exemplaren van verkocht. De volgende delen, Ciske groeit op en Cis de Man, schreef Bakker in 1942 en 1943, ze verschenen in 1943 en 1946. Na de bevrijding werden door voormalige verzetskringen vraagtekens gezet bij Bakkers houding en publikatieactiviteiten tijdens de bezetting. Het blad Paraat, uit het verzet ontstaan, vond het 'verwonderlijk' dat Bakker en andere journalisten van De Telegraaf 'nog een ogenblik gelegenheid krijgen in de Nederlandse pers weer een rol te spelen'. Na de oorlog werkte Bakker nog enige tijd 'op verzoek' mee aan Het Vrije Volk, maar al tijdens de bezetting had hij naar eigen zeggen de behoefte gehad niet langer partij-journalist te zijn. Hij bleef partijloos omdat hij zich 'te socialistisch' vond voor de PvdA en 'te democratisch' voor de Communistische Partij in Nederland en koos voor Elseviers Weekblad. Voor dit blad bleef hij tot aan zijn dood werken, vooral als reisverslaggever. Hij reisde vaak in gezelschap van tekenaars als Jo Spier, Eppo Doeve en Cees Bantzinger, onder meer naar Indonesië. Hij besteedde veel aandacht aan de zeevaart, zoals in zijn roman over de slag in de Javazee: De Slag (Amsterdam 1951).

Archief: 

Collectie P.O. Bakker in Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (Den Haag).

Publicaties: 

Behalve de genoemde: (red.) Troelstra's heengaan (Amsterdam 1930); Rode jeugd in het rode noorden. Reisbrieven (Amsterdam 1935); (samen met L. van Gasteren) Toneel van vroeger en nu (Amsterdam 1935); Achter de mast (Amsterdam 1936); Gids voor Amsterdam (Amsterdam 1937); Vrouw aan boord (Amsterdam 1938); Holland, ze zeggen, je bent maar zo klein... (Bussum 1938); Over den drempel; een giropleidooi (Amsterdam 1938); (samen met L.J. Kleijn) Ruimte! Zeilend door Friesland (Sneek 1938); Branding... Verhaal van zand en zee (Amsterdam 1941); Ducardus (Amsterdam 1941); Het geheim van Dr. Ling (Amsterdam 1941); Pépé (Amsterdam 1942); Storm op de kust. Reddersvolk tussen de grondzeeën (Amsterdam 1942); Pauperiseeren, emigreeren, vegeteeren of annexeeren (Amsterdam 1945); Logboek van de Gratias (Amsterdam 1948); Ciske-trilogie (Amsterdam 1950); Kidnap (Amsterdam 1953); S.O.S. varen (Amsterdam 1954); Ik kwam, zag, schreef (Amsterdam 1954; in 1960 herdrukt als De grote reportage); Pia (Amsterdam 1956); Sprotje (bevestiging van de gelijknamige roman van M Scharten-Antink) (Amsterdam 1958); Wij en het water (Meppel 1958); Land, zee en schepen (Meppel 1958); Goud uit de zee (Meppel 1958); Het zal waerachtig wel gaen (Meppel 1958); Woest maar kalm (Meppel 1958); Deining in Zwinderen (Amsterdam 1958); Een buurt wordt bijgezet. Wel en wee rond het Waterlooplein (Laren 1959); Een zwerver vertelt (Meppel 1959); Jet. Roman van mensen en machines (Amsterdam 1960); Zo was het (Amsterdam 1961); Piet Bakker Omnibus (Amsterdam 1963); in samenwerking met Douwe Egberts vanaf 1951 plaatjesalbums over onder meer Bali, Oostenrijk, Frankrijk, Italië en Canada; enkele jubileumboeken voor bedrijven (Nederlandsche Kabelfabriek, Internationale Bedrijfsmachine-Maatschappij, Nederlandse Spoorwegen); een groot aantal artikelen in Het Volk, De Notenkraker en Elsevier.

Literatuur: 

L. Schotting, 'De journalist Piet Bakker' in: De Waarheid, 6.11.1945; 'Op zijn praatstoel. Piet Bakker' in: De Tijd, 1.8.1957; 'De heer Bakker over het Nederlands toneel' in: Algemeen Handelsblad, 19.10.1960; 'Piet Bakker overleden' in: Het Vrije Volk, 2.4.1960; 'Piet Bakker, de man achter Ciske' in: Tubantia, 11.5.1984; I. Cornelissen, 'Piet Bakker. Portret van een succes-auteur' in: Vrij Nederland, 30.6.1984; 'Geld van Ciske de Rat tegen apartheid' in: Het Vrije Volk, 22.10.1988; K. van Kempen, 'Piet Bakker, geen literatuur, maar nog steeds gelezen' in: Tubantia, 26.10.1991; O. van der Wal, "Rioolterriër" uit de Pijp schiep Ciske de Rat' in: Het Amsterdam van... Achttien schrijvers en de stad (Amsterdam 1995) 13-19; 1. Cornelissen, 'Piet Bakker vergeleek alles met de Albert Cuyp' in: Het Parool, 1.7.1995.

Portret: 

P.O. Bakker (1949), particuliere collectie

Auteur: 
Ben Maandag
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 13-16
Laatst gewijzigd: 

00-00-1995