BOEKMAN, Emanuel

Emanuel Boekman

(roepnaam: Manus), partijbestuurder SDAP en wethouder van Onderwijs en Kunstzaken te Amsterdam, is geboren te Amsterdam op 15 augustus 1889 en dood bevonden aldaar op 15 mei 1940. Hij was de zoon van Maurits Boekman, boekhandelaar, en Heintje Peereboom. Op 6 juni 1918 trad hij in het huwelijk met Jansje Nerden, met wie hij een dochter kreeg.
Pseudoniem: J. Smid (soms: Smit).

Boekman is nooit treffender getypeerd dan door A.B. Kleerekoper, toen deze hem noemde 'een man wiens enige leerschool het leven is geweest'. Tijdens zijn leven werkte Boekman zich op van joods proletariërskind tot wethouder van Amsterdam en doctor in de letteren. Hij groeide in zijn jeugd op tussen de boekenstalletjes van vader en grootvader en stilde daar zijn leeshonger. Als twaalfjarige werd hij letterzetter en typograaf. Hij leerde zichzelf Engels en was actief in de Algemeene Nederlandsche Typografenbond. Na zelfstudie beëindigde hij in 1911 en 1913 met goed gevolg de studies staatshuishoudkunde en staatsinrichting. In de jaren 1911 tot 1916 was hij werkzaam bij de Havenarbeidsinspectie, waar hij belangrijk voorbereidend werk deed voor de Stuwadoorswet van 1916. Daarna werd hij bij de Rijksverzekeringsbank hoofd van de afdeling Statistiek. Voor Boekman was de statistiek één van de instrumenten om te komen tot regulering van het economische en sociale leven van de (socialistische) staat. Hij schreef over de meest uiteenlopende onderwerpen tal van artikelen van statistische aard. Onder meer was hij een fervent drankbestrijder en ook de statisticus van de drankbestrijding in relatie tot andere maatschappelijke verschijnselen. Hij studeerde sociale geografie na het afleggen van een colloquium doctum.

De politieke ontwikkeling van Boekman kan worden geschetst als 'van anarchist tot monarchist'. Met al zijn gedecideerdheid en sarcasme in politieke debatten en artikelen was hij een tolerant mens en ging hij met politieke tegenstanders soms vriendschappelijk om. Tekenend daarvoor is dat tijdens zijn wethouderschap - terwijl hij anticommunist was tot in het merg - zijn hoofdambtenaar op de afdeling Onderwijs en Kunstzaken vrij openlijk communist was. Zijn oorspronkelijk anarchistische sympathie verloor hij geleidelijk tijdens zijn werk als secretaris en rapporteur van de Commissie voor het Politiek Systeem (1920-1923), die de SDAP op initiatief van P.J. Troelstra een blauwdruk moest verschaffen voor een socialistische staatsinrichting. Door het verkeer met de groten in de partij, de kennismaking met de internationale literatuur en de reële politieke ontwikkelingen in Europa evolueerde Boekman tot reformist. In 1921 werd hij voor de SDAP gekozen als lid van de Amsterdamse gemeenteraad, in 1924 als fractievoorzitter. In 1927 werd hij lid van het partijbestuur. Hij speelde een centrale rol vanaf 1931 als hoofdredacteur van De Sociaal-Democraat, die moest fungeren als een vrije tribune voor partijleden in het uit 1928 daterende conflict tussen de linkse oppositie en het partijbestuur. In 1931 draaide het conflict vooral om de vraag welk beleid een socialistische partij in een economische crisis dient te voeren. De oprichting van het discussieorgaan kon een breuk niet voorkomen. In januari 1932 kwam de oppositie met haar eigen blad De Fakkel en in april 1932 richtte zij na de breuk op het congres in Haarlem de Onafhankelijke Socialistische Partij op. Boekman gebruikte De Sociaal-Democraat onder meer om zijn eigen politieke opvattingen te propageren, die neerkwamen op de transformatie van de SDAP in een bredere volkspartij, aanvaarding van de nationale bewapening en een principiële keuze voor de monarchie als staatsvorm. Terecht is dan ook het blad wel de kraamkamer van de nieuwe SDAP genoemd, met als basis het beginselprogramma van 1937 en de logisch daarop aansluitende oprichting van de PvdA.

Opmerkelijk in die jaren was zijn sympathie voor het Franse neo-socialisme. Dit stond voor de nationale opbouw van een socialistische maatschappij in samenwerking met burgerlijke partijen en voor de vestiging van een sterke staat, die zowel communisme als fascisme bestreed. Hoewel Boekman een boekje van de neo-socialisten heeft vertaald, kan hij niet (zoals dezen zelf later wel) van enige neiging worden beticht om met het fascisme of nationaal-socialisme tot een vergelijk te komen. Integendeel, Boekman zou ernaar streven om tot een 'gezonde liberale beweging' te komen, die zowel het nationaal-socialisme als Colijn zou indammen.

Ook in de gemeentepolitiek speelde Boekman een belangrijke rol. Van 1931 tot 1940 (met een onderbreking tussen september 1933 en september 1935) was hij wethouder van Onderwijs en Kunstzaken. Hij was in die functie een onvermoeibaar pleitbezorger van het toneel, de muziek, de beeldende kunst en het museum. In één woord: van een actief kunstbeleid zoals de nationale regering dat pas na 1945 zou gaan voeren, en dat uitging van spreiding van kunst en kultuur onder achtergestelde maatschappelijke groepen. In 1939 promoveerde hij op de nog steeds toonaangevende verhandeling Overheid en Kunst in Nederland.

Boekman steunde in de jaren dertig actief het joodse vluchtelingenwerk, maar deed dit op de achtergrond. Hoewel niet in de jodenbuurt geboren, was hij wel grootgebracht met de symbolen van het joodse geloof, waarvan hij de gebruiken nog steeds in ere hield. Hij had zijn leven lang een grote belangstelling voor alles wat joods was, maar was wars van orthodoxie en ghettomentaliteit. Op het eind van zijn leven zou hij zionist worden. In 1936 publiceerde hij zijn baanbrekende werk Demografie van de Joden in Nederland. Opmerkelijk is dat hij nauwelijks reageerde op het nationaal-socialisme, allesbehalve uit lafheid, maar hij vermeed de directe confrontatie en vluchtte in zijn werk. Bij de inval van de Duitsers in mei 1940 weigerde hij aanvankelijk te vluchten naar Amerika, zoals zijn dochter en schoonzoon, Henny Engers-Boekman en Jacques Engers. Hij beschouwde dat als de vaandelvlucht van een vooraanstaande joodse bestuurder. Toen de capitulatie onontkoombaar bleek, deed hij alsnog met zijn vrouw Jansje Nerden een poging om in IJmuiden te ontkomen. Dat mislukte. Samen met hun vrienden, Bob van Gelderen en zijn echtgenote, maakten zij op 15 mei 1940 een einde aan hun leven. Zij werden op de joodse begraafplaats in Diemen begraven. Naar Boekman, wiens opvattingen over kunst en kunstpolitiek gezien moeten worden tegen de achtergrond van zijn persoonlijke en politieke ontwikkeling en van zijn interpretatie van socialisme en sociaal-democratie, werd in 1963 de Boekmanstichting in Amsterdam genoemd, die werd opgericht als wetenschappelijk instituut voor onderzoek naar vraagstukken van kunstbeleid.

Archief: 
Archief E. Boekman in IISG (Amsterdam; vgl. Campfens, 179).
Publicaties: 
Over het beginsel der "Decasualisatie" en zijn toepassing in het havenbedrijf' in: Tijdschrift der Nationale Vereeniging tegen de Werkloosheid, februari 1916; De sociale verzekering in Nederland (Amsterdam 1923; met Van den Tempel); B. Montagnon, A. Marquet, M. Déat, Neo-socialisme? Orde, gezag, natie (Amsterdam 1934; vertaling en inleiding); bibliografie in: Jansen, Rogier, Kunstbeleid in Amsterdam, 411-418.
Literatuur: 
S. Mok, 'Emanuel Boekman', in: De Nieuwe Stem, 1946, 311-316; J. Winkler, 'S.R. de Miranda en E. Boekman' in: Socialisme en Democratie, april 1946, 109-113; T. Jansen, J. Rogier, Kunstbeleid in Amsterdam 1920-1940. Dr. E. Boekman en de Socialistische gemeentepolitiek (Nijmegen 1983); H. van Dulken en T. Jansen (red.), Het leven als leerschool. Portret van Emanuel Boekman (Amsterdam 1989); J. Bosmans, Romme. Biografie 1896-1946 (Utrecht 1991); G.W.B. Borrie, Monne de Miranda (Den Haag 1993); P.J. Knegtmans, Socialisme en democratie. De SDAP tussen klasse en natie (1929-1939) (Amsterdam 1989); E. Gans, De kleine verschillen die het leven uitmaken. Een historische studie naar joodse sociaal-democraten en socialistisch-zionisten in Nederland (Amsterdam 1999).
Portret: 
E. Boekman, 1932, uit: T. Jansen, J. Rogier, Kunstbeleid in Amsterdam (Nijmegen 1983), t.o. titelpagina
Handtekening: 

Huwelijksakte van Boekman/Goette dd 12 december 1928. Reg 2G fol 41, akte 735; akteplaats Amsterdam. Als getuige

Auteur: 
Tony Jansen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 17-20
Laatst gewijzigd: 
21-08-2002