BRANDSTEDER, Jacob Andries

Jacob Andries Brandsteder

bezoldigd functionaris bij de Bond voor Minder Marine-Personeel en vakbondsbestuurder transportarbeiders, is geboren te Amsterdam op 29 oktober 1887 en overleden te Rotterdam op 24 maart 1986. Hij was de zoon van Jacob Andries Brandsteder, schoenmaker en milicien, en Johanna Catharina Verhorst. Op 30 januari 1916 trad hij in het huwelijk met lda Christiaan, met wie hij drie dochters en twee zoons kreeg.

Als kleine jongen al wilde Brandsteder naar zee en stuurman worden. Omdat het zijn ouders daarvoor aan geld ontbrak, meldde hij zich op dertieneneenhalfjarige leeftijd bij de marine. Daar kreeg hij een opleiding tot seiner en bracht hij het tot chef seiner eerste klas. Tijdens zijn opleiding sloot Brandsteder zich aan bij de Bond voor Minder Marine-Personeel (BvMMP), waarvan hij op zeventienjarige leeftijd afdelingssecretaris werd. Vijf jaar later in 1909 werd hij lid van de plaatselijke afdeling van de SDAP te Den Helder.

In 1912 vertrok Brandsteder naar Indië. Door wat hij zag en hoorde nam hij al snel ontslag bij de marine en keerde terug naar Nederland. Het duurde echter niet lang of hij werd in oktober 1913 administrateur van het Soerabajasch Marinegebouw (SMG). Toen op 1 juli 1914 het SMG overging in de handen van de BvMMP kwam Brandsteder op 1 oktober 1914 in dienst van de Hoofdafdeling van de BvMMP. Ook elders was hij actief. Hij behoorde tot de linkervleugel van de Indische Sociaal-Democratische Vereeniging en maakte in de periode 1915 tot 1916 deel uit van het hoofdbestuur van deze vereniging. Brandsteder keerde zich in woord en geschrift fel tegen de lijfstraffen die in verschillende militaire strafkampen nog werden toegepast. Hij spoorde de officieren aan te weigeren met de rotan te slaan. Zijn actie leverde hem in 1918 een gevangenisstraf van drie maanden op, maar droeg er toe bij dat de rotanstraf ten slotte in alle kampen werd afgeschaft. In 1918 was Brandsteder een van de oprichters en leiders van de radicale soldatenbeweging, de Soldatenbond. Hij was van 1918 tot 1919 redacteur van de Soldaten- en Matrozenkrant. Hij bevorderde in die tijd ook de radicalisering van de BvMMP in Indië. Zijn heftige oppositie vanuit de hoofdafdeling tegen het gematigde beleid van het hoofdbestuur van de BvMMP in Den Helder betekende uiteindelijk zijn ontslag medio 1919. Ook het gouvernement had genoeg van zijn soldaten- en matrozenacties en besloot hem te externeren. Zo keerde Brandsteder met zijn gezin eind 1919 terug in Nederland. Daar sloot Brandsteder zich aan bij de Communistische Partij in Nederland (CPN) en was hij betrokken bij de oprichting van een bureau voor Nederlands-Indië, bij Pandoe Merah (= Rode Gids), het blad van de Partai Komunis Indonesia en bij het partijorgaan De Tribune. Hij was korte tijd secretaris van de Tribune-commissie en leider van de 'actie voor de Tribune'.

Bij de breuk tussen het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS) en de CPN in 1927 trad Brandsteder samen met andere NAS-leiders uit de CPN. In 1920 was hij hoofdbestuurder geworden van de Nederlandsche Federatie van Transportarbeiders, een functie die hij tot 1930 vervulde naast die van tweede penningmeester in het hoofdbestuur van het NAS. In zijn werk concentreerde Brandsteder zich op het stoomtrawler-visserijbedrijf te IJmuiden. Vanaf 1922 kwam hij regelmatig in deze vissersplaats en droeg bij tot de bloei van de IJmuider Federatie. In 1924 leidde hij een grote algemene staking, waarin de organisaties een flinke overwinning boekten, doordat de reders hen als onderhandelingspartners erkenden. Als bezoldigd bestuurder werd Brandsteder in 1926 in IJmuiden gestationeerd. Hij richtte er het Fonds voor Sociale Voorzieningen op en een jaar later de IJmuider Proviand Centrale, waarvan hij in 1928 en 1929 directeur was. De Proviand Centrale had de bedoeling de trawlerbemanningen van goed voedsel zoals vlees en groente te voorzien. De aandelen ervan waren in handen van NAS-organisaties. Onvoldoende medewerking van de opvarenden en gebrek aan geld leidden tot problemen met de bank en tot spanningen met het NAS-bestuur. Deze laatste liepen zo hoog op dat het NAS de IJmuider Federatie in 1930 vlak voor de onderhandelingen met de reders buiten de deur zette. De Centrale Bond van Transportarbeiders (CBT) van het NVV had intussen zijn positie in de onderhandelingen met de reders versterkt en deed moeite bij de bank de borgstelling van het NAS over te nemen. Fusiebesprekingen leidden ertoe dat de IJmuider Federatie zich bij de CBT aansloot en dat Brandsteder in het hoofdbestuur van de CBT kwam. In die functie leidde hij de felle staking, die in 1933 in IJmuiden onder de vissers uitbrak. Na vier maanden gezamenlijke strijd haakte de christelijke bond af. De anderen hielden het nog twee maanden vol, waarna door toedoen van de rijksbemiddelaar een compromis zonder loonsverlagingen tot stand kwam. Na de staking ontstonden in IJmuiden moeilijkheden over de inhoud van een verspreid manifest, die eerst na veel moeite door het bondsbestuur bedwongen konden worden. Voor Brandsteder was dit aanleiding ontslag te vragen als secretaris van de IJmuider Federatie. Dit werd verleend, waarna hij hoofd van het inmiddels opgerichte documentatie-bureau van de CBT werd.

Op 15 augustus 1940 werd Brandsteder met drie bestuursleden van de CBT ontslagen door de toenmalige commissaris van het NVV, H.J. Woudenberg, die als groothandelaar in vis te IJmuiden nog een appeltje had te schillen met Brandsteder. Wel kreeg deze nog een wachtgeld van achttien maanden, maar begin 1942 zat hij zonder inkomsten. Een aanbod om weer in het bestuur zitting te nemen accepteerde hij, zonder echter overleg te plegen met andere bestuurders. R. Laan Sr. wijst in dit verband op Brandsteders individualistische opstelling. Bij de oprichting van het Nederlandsch Arbeidsfront (NAF) op 1 mei 1942 nam Brandsteder ontslag als bestuurder, maar bleef lid van het NAF tot augustus 1942, toen hij na het neerschieten van een aantal gijzelaars bedankte. Na de oorlog verscheen Brandsteder voor de Ereraad voor de zuivering van het NVV. Deze oordeelde, dat Brandsteder geen juist gevoel voor verhoudingen had gehad door in 1942 zonder overleg weer in het bestuur plaats te nemen. Bovendien veroordeelde de raad zijn besluit om lid te worden van het NAF. Brandsteder keerde hierdoor niet meer terug in het bestuur van de CBT. Ook speelde een rol dat Brandsteder in juni 1945 betrokken was bij de oprichting van de IJmuider Federatie als onderdeel van de Eenheids Vakbeweging. Tot 1960 zou hij te Rotterdam een agentschap voeren, aanvankelijk voor het Het Parool, later voor het Algemeen Handelsblad.

Archief: 
Dagboekaantekeningen in familiebezit.
Publicaties: 
Ons dappere Indische leger. Knipsels uit kranten en brieven (z.pl. z.j.); Indië een hel. De externeering vanuit Indië. Een aanklacht tegen de kapitalistische regeering (Amsterdam z.j.); artikelen in Het Anker, Het Vrije Woord, Soldaten- en Matrozenkrant, Klassenstrijd en De Arbeid.
Literatuur: 
(R. Laan sr., A. Laan), Jaren van principiële strijd 1918- '55 (Rotterdam 1956); M. Perthus, Henk Sneevliet (Nijmegen 1976); W.H. Meijer, Terugblik (Amsterdam 1981); F. Tichelman, Socialisme in Indonesië. De Indische Sociaal-Democratische Vereeniging 1897-1917. Deel I (Dordrecht 1985); G. Harmsen, F. van Gelder, Onderweg (Baarn 1986); G. Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale (1919-1930) (Amsterdam 2001).
Portret: 
J.A. Brandsteder, 1930, particulier bezit
Auteur: 
Tjeerd Baas
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 2 (1987), p. 21-24
Laatst gewijzigd: 

05-2017 (beroep vader gecorrigeerd)