COLTOF, Bernhard

Bernhard Coltoff

(roepnaam: Ber), als publicist en partij-ideoloog actief in Sociaal-Democratische Partij en CPN, is geboren te Amsterdam op 28 april 1889 en overleden te Den Haag op 28 oktober 1940. Hij was de zoon van Alexander Hartog Coltof, ambtenaar, en Betje Koch. Op 28 augustus 1912 trad hij in het huwelijk met Helena Pieternella Thomas, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg.

Coltof werd geboren in de Amsterdamse Nieuwe Amstelstraat, op de grens van de oude Jodenbuurt en de nieuwe arbeidersbuurten in Amsterdam-Oost. Deze buurt werd bepaald door het zich emanciperende joodse arbeidersmilieu van sigarenmakers, diamantbewerkers en kooplieden. Zijn vader was de jongere broer van de socialistische voorman S.W. Coltof, waardoor Coltof al vroeg in aanraking met de ideeën van de arbeidersbeweging. In 1892 verhuisde het gezin Coltof naar Den Haag, waar vader Coltof ambtenaar werd op het Ministerie van Koloniën. Toen zijn vader in 1904 overleed werd Coltof wees en stond hij op eigen benen. Omdat er een verwijdering was ontstaan tussen vader Coltof en diens broer, nam ook de invloed van Sam Coltof op zijn neef af. Net als veel andere jongeren raakte Coltof onder de invloed van de radicale en strijdvaardige stellingnames van D.J. Wijnkoop, de voorman van het Amsterdamse SDAP-district III. Vanaf het begin maakte Coltof deel uit van de groep rond het blad De Tribune. Al in het eerste nummer in oktober 1907 stond een bijdrage van zijn hand. Hij volgde Wijnkoop en de zijnen na hun breuk met de SDAP en werd lid van de Sociaal-Democratische Partij (SDP). Hij toonde zich daarbij onverzoenlijk en sprak zich uit tegen verzoeningspogingen met de SDAP. Al vroeg speelde Coltof ook een rol in de vakbeweging. Vanaf de oprichting in 1910 was hij (onder bondsnummer 4) actief lid van de de Algemeene Nederlandsche Ambtenaarsbond (ANAB), de bond van kantoorpersoneel in dienst van rijk of gemeenten. Hij maakte gedurende de eerste jaren van het bestaan van de bond, die in 1919 zou opgaan in de Centrale Nederlandse Ambtenaarsbond (CNAB), deel uit van het landelijke hoofdbestuur en van het afdelingsbestuur Den Haag. Voor het bondsorgaan De Ambtenaar schreef hij talrijke artikelen, ook was hij de auteur van de brochure De Algemeene Nederlandsche Ambenaarsbond en zijn program (Amsterdam 1916).

In de SDP ontwikkelde Coltof zich als spreker en schrijver en gold in de kleine partij al snel als intellectueel. Op de partij congressen sprak hij als vertegenwoordiger van zijn woonplaats Den Haag, waar hij samenwerkte met L. de Visser. Tijdens het SDP-congres van 1914 brak Coltof definitief door met een 'zeer goed en doorwrocht' referaat, dat het congres 'vooral zijn cachet' gaf (W. van Ravesteyn). De verhandeling ging over de voorgestelde ouderdomswet van minister M.W.F. Treub en werd ook als brochure uitgegeven: De ouderdomswet-Treub (Amsterdam 1914). Coltof toonde zich een warm voorstander van staatspensionering, dat hij betitelde als 'het terugnemen van gestolen loon'. Hij werd actief in het agitatiecomité tegen het wetsontwerp-Treub. In SDP en CPN steeg de ster van Coltof vanaf 1914 snel. Hij behoorde, ondanks zijn relatiefjonge leeftijd, tot de oude garde. In de jaren 1914-1919 schreef hij veel bijdragen voor De Tribune en De Nieuwe Tijd, later ook voor De Communistische Gids. In de partij bewoog hij zich aanvankelijk op de linkervleugel.

Na het overlijden van zijn vader had Coltof de Hoogere Burger School verlaten en was op 1 februari 1905, nog geen zestien jaar oud, als klerk gaan werken waar ook zijn vader had gewerkt: op het Ministerie van Koloniën. In 1906 werd hij tweede klerk, in 1914 adjunct-commies, in 1918 commies en in 1923 volgde zijn benoeming tot hoofdcommies. Hij was werkzaam op de zogenaamde negende afdeling: Personele zaken, burgerlijke dienst. Deze afdeling hield zich bezig met benoemingen, uitzending, opleidingen, verloven en pensioenen. Gedurende de oorlogsjaren had Coltof het niet gemakkelijk. De oorlogssituatie veroorzaakte veel drukte op het ministerie, bovendien sukkelde zijn vrouw met haar gezondheid en werd hij zelf gekweld door hoofdpijnen. Daarbij kwamen de voortdurende geldzorgen. Enige verlichting daarin werd gebracht door het honorarium dat hij na de oorlog kreeg door zijn bijdragen aan De Tribune en als secretaris van het Adviesbureau voor Communistische Staten- en Raadsleden. Deze functie was een gevolg van het feit dat hij na het einde van de Eerste Wereldoorlog voor de CPN zitting kreeg in de gemeenteraad van Den Haag en de Provinciale Staten van Zuid-Holland. In de Haagse partijafdeling was na hevige interne strijd de rust weergekeerd en bij de gemeenteraadsverkiezingen behaalde de CPN drie zetels. Coltof bezette de tweede plaats, na De Visser. Bij de verkiezingen van 1923 verloor Coltof zijn raadszetel toen de CPN terugviel van drie naar één zetel. Die werd bezet door De Visser, hoewel er krachtige pogingen waren gedaan om Coltof op de eerste plaats te krijgen. Als gemeenteraadslid had Coltof veel krediet verworven, terwijl De Visser als bezoldigd partijpropagandist veel op reis was. Coltof werd dat jaar wel herkozen als lid van Provinciale Staten. In 1927 verloor hij die zetel. Toen zich op het SDP-congres van 1924 een belangrijke oppositie tegen het oude leidende driemanschap van de partij (Wijnkoop, Van Ravesteyn, J.C. Ceton) aandiende, zag het er even naar uit dat ook Coltof zich bij deze oppositie aansloot. Hij had immers grote bezwaren tegen de opeenstapeling van functies bij de drie partijleiders. Nadrukkelijk verklaarde hij zich echter verbonden met de oude partijleiding. Hij koos uiteindelijk de zijde van Wijnkoop. Zijn rivaliteit met zijn vroegere vriend De Visser was daar niet vreemd aan. Coltofs vertegenwoordigende functies voor de CPN in gemeenteraad en Provinciale Staten waren blijkbaar niet nadelig voor zijn loopbaan op het Ministerie van Koloniën. Met zijn benoeming tot referendaris in 1928 vervolgde hij zijn carrière, die hij zou eindigen als administrateur. Als topambtenaar op de afdeling personele zaken van het ministerie moet hij in aanzien hebben gestaan bij de lndië-gangers. Hij gold in de periode 1933-1937, toen H. Colijn het voorzitterschap van de ministerraad combineerde met het ministerschap op Koloniën, als invloedrijk. Coltof was toen al niet meer politiek actief. Na zijn benoeming tot referendaris was het in de CPN stil rond hem geworden. Door verscheidene partijgenoten werd hij doodgezwegen. In de herinneringen van De Visser komt zijn naam niet voor, anderen bespotten hem als slippendrager van Colijn. Toch bestond er ook veel waardering en respect voor het werk van Coltof. De 'bezadigde' Coltof, een 'uiterst bekwaam ambtenaar', die 'nooit overdreef en met de grootste nauwgezetheid zoowel in zijn ambtelijke als in zijn politieke loopbaan te werk ging' (Van Ravesteyn) bleef voor velen in de CPN een buitenbeentje.

Archief: 

Enige stukken in familiebezit.

Publicaties: 

Behalve de genoemde: 'Imperialistische zegeningen' in: De Nieuwe Tijd, 1916, 261-267; 'De nederlaag van een tcektiek' in: De Nieuwe Tijd, 1916, 377-382; 'Begrootingsdebatten' in: De Nieuwe Tijd, 1916, 83-90, en 1917, 131-135; 'Grondwetsherziening' in: De Nieuwe Tijd, 1916, 664-676, 707-719, en 1917, 22-31, 70-80; 'Indië weerbaar?' in: De Nieuwe Tijd, 1917, 236-246; 'Evenredige vertegenwoordiging' in: De Nieuwe Tijd, 293-300, 364-375; 'De oorlogswinst, de bankiers en de staat', De Nieuwe Tijd, 1917, 589-596, en 1918, 58-69; 'De voedselvoorziening in het parlement' in: De Nieuwe Tijd, 1918, 201-215, 293-305; 'Revolutionaire politiek' in: De Nieuwe Tijd, 1918, 516-522; 'Reactionaire politiek' in: De Nieuwe Tijd, 1919, 212-220; 'De Communisten in het Parlement' in: Jaarboekje van de Communistische Partij in Nederland 1920 (Amsterdam z.j.) 51-58; (met A[nton] de K[om?]) Werkloosheid en woningnood. Een aanklacht tegen 't kapitalisme (Den Haag 1921); 'Grondwetsherziening' in: De Communistische Gids, 1922, 48-56, 164-174; 'Verkiezingen' in: De Communistische Gids, 1922, 360-369; 'Troonrede' in: De Communistische Gids, 1922, 599-603; 'Troonrede' in: De Communistische Gids, 1923, 553-558; 'Vlootwetcrisis' in: De Communistische Gids, 1923, 697-706; 'Op het toppunt der macht. Een verkiezingsbeschouwing' in: De Communistische Gids, 1925, 342-347.

Literatuur: 

B. Coltof overleden' in: Nieuwe Rotterdamsche Courant, 29.10.1940 (avondblad); 'B. Coltof overleden' in: De Ambtenaar, 7.11.1940; W. van Ravesteyn, De wording van het communisme in Nederland 1907-1925 (Amsterdam 1948) 82, 105, 111, 126, 140, 182-184, 194, 200, 210, 218; J. de Kadt, Uit mijn communistentijd (Amsterdam 1965) 112; G. Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale (1919-1930) (Amsterdam 2001).

Portret: 

B. Coltof (1926), particuliere collectie

Auteur: 
Luuk Brug
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 48-51
Laatst gewijzigd: 

12-02-2003