CONJONG, Johannis Adrianus

Johannis Adrianus Conjong

bestuurder christelijke grafische bond, is geboren te Brandwijk op 30 oktober 1895 en overleden te Amsterdam op 9 september 1965. Hij was de zoon van Pieter Conjong, metselaar en uitvoerder, en Metje den Besten. Op 20 december 1920 trad hij in het huwelijk met Maria Sofia Josephina Gest, met wie hij een dochter en een zoon kreeg. In het gedenkboek Van vijftig jaren (1931) eindigt Conjongs achternaam evenals bij zijn vader en grootvader, maar afwijkend van de volgens de Burgerlijke Stand officiële naam op een h.

Nadat zijn ouders in mei 1896 van Brandwijk naar Meerkerk waren verhuisd, trokken zij twee jaar later naar Rotterdam (Kralingen) in de hoop dat de werkgelegenheid voor een metselaar daar beter was. In Kralingen bezocht Conjong een christelijke lagere school, alsmede enige jaren Meer Uitgebreid Lager Onderwijs. Daar zijn ouders vonden dat de financiële last van het verder leren te groot werd, verliet hij de school en ging op zoek naar werk. Hij werkte bij enige drukkerijen en kwam in mei 1913 als zetter in dienst bij drukkerij Libertas, waar H. Diemer - toen tevens voorzitter van het Christelijk Nationaal Vakverbond in Nederland CNV) - directeur was. Conjong werd dadelijk lid van de plaatselijke afdeling Helpt Elkander van de Christelijke Typografenbond in Nederland, hoewel hij nog geen achttien was. Hij haalde ook collega's over tot het lidmaatschap. Hierin volgde hij zijn vader, die sinds 1912 secretaris en een uitstekend propagandist van de afdeling Kralingen van Patrimonium was. In 1914 moest Conjong in militaire dienst. Door de mobilisatie zwaaide hij pas eind 1918 af (als sergeant). Hij keerde terug naar drukkerij Libertas en begon cursussen te volgen die Helpt Elkander vroeger voor jonge typografen had opgezet en die nu door de Nederlandsche Christelijke Grafische Bond, de voortzetting van de Christelijke Typografenbond, werden gegeven. Conjong slaagde als een van de eersten voor het diploma leermeestergezel machinezetten en gaf al spoedig aan anderen les in deze opleiding, eerst in Rotterdam, later ook in Den Haag en Amsterdam. Als lid van een door het hoofdbestuur ingestelde Vaktechnische Commissie verzorgde hij 's winters bovendien voor de afdelingen lezingen over machinezetten. Deze verduidelijkte hij met behulp van een projectielantaarn (epidiascoop) die via het vervoerbedrijf Van Gend en Loos verzonden werd. Om voor de bond meer tijd te hebben en het land in te kunnen gaan, kreeg Conjong toestemming van de drukkerij in de vaste vroege dienst te werken (van 's morgens zes tot 's middags drie uur). Spoedig werd hij bestuurslid van de afdeling en in de jaren dertig was hij voorzitter. Net als zijn vader was hij secretaris van de afdeling Rotterdam-Kralingen van Patrimonium. Voor deze afdeling schreef hij het gedenkboekje Van vijftig jaren, 1881 - 30 november - 1931, 'Waakt en bidt', Afdeling Kralingen van Patrimonium (Kralingen 1931).

Omdat drukkerij Libertas in mei 1940 bij het bombardement van Rotterdam werd verwoest, moest het dagblad De Rotterdammer elders worden gedrukt. Dit betekende dat het technisch personeel, onder wie Conjong, werd ontslagen. Hij werd te werk gesteld in een administratieve functie bij de gemeente Rotterdam voor het registreren van de verwoeste bedrijven, maar trachtte zo spoedig mogelijk in zijn oude beroep terug te keren. Dit lukte in september 1941 bij een drukkerij in Utrecht. Hij verhuisde met zijn gezin naar Utrecht, waar hij tevens zetwerk leverde voor het ondergrondse blad Trouw. Kort na het einde van de oorlog kreeg het werk voor de grafische bond weer alle aandacht. In het hoofdbestuur was door overlijden een vacature ontstaan. Omdat hij bij de laatste benoeming van een bondsbestuurder - in 1931 - tegenkandidaat was geweest, werd aan hem gedacht bij het overwegen van een voorlopige benoeming als hoofdbestuurder. Deze ging in afwachting van een nader besluit door de algemene vergadering in op 25 juni 1945. Zijn allereerste taak was het contact te herstellen met de afdelingen in het land om tot wederopbouw van de bond te komen. Vanwege de oorlogsschade aan de spoorwegen moest hij grote afstanden op de fiets afleggen. In augustus verhuisde hij naar Amsterdam en in oktober benoemde de algemene vergadering hem tot bondssecretaris. Zijn benoeming tot voorzitter volgde in juni 1948. Het vijftigjarig bestaan van de bond in 1952 was voor het hoofdbestuur aanleiding Conjong te vragen een gedenkboek te schrijven. Gezien het reeds verschenen gedenkboek over de eerste vijfentwintig jaar Van zorg en zegen (Amsterdam 1927) door J. Hofman - lag de nadruk in zijn boek - In volharding gezegend (Nijkerk 1952) - op de periode 1927-1952: de jaren van economische crisis en wederopbouw. Conjong beschreef in zijn boek het reilen en zeilen van de bond, maar vooral ook hetgeen door de ontwikkeling van de bedrijfsorganisatorische samenwerking in de grafische bedrijfsgemeenschap tot stand was gekomen. Naar zijn mening moest voortaan - bij al het te verrichten bondswerk - nog meer dan voorheen aandacht worden geschonken aan het streven naar levenskrachtige bedrijfschappen. De vrije organisaties van werkgevers en werknemers zouden met behoud van eigen verantwoordelijkheden de draagsters moeten zijn van de publiekrechtelijke bedrijfsorganen. Alleen dan zou voortgebouwd kunnen worden op hetgeen in private vorm tot stand kwam: een bedrijfsorganisatie die ook bij de bedrijfsgenoten zelf zou leven. Conjong nam in november 1960 wegens pensionering afscheid van de bond.

Publicaties: 

Behalve de genoemde: Artikelen in Grafisch Orgaan.

Literatuur: 

Grafisch Orgaan, 10.11.1960; Grafisch Orgaan, 23.9.1965; De Gids (CNV), 25 .9.1965.

Portret: 

J.A. Conjong, uit: Grafisch Orgaan, 10.11.1960

Auteur: 
J. van der Molen
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 38-39
Laatst gewijzigd: 

00-00-1992