CREMER, Jacobus Johannes

Jacobus Johannes Cremer

sociaal betrokken schrijver en kunstschilder, is geboren te Arnhem op 1 september 1827 en overleden te Den Haag op 5 juni 1880. Hij was de zoon van Alexander Cremer, koopman, en Louisa Nagel. Op 19 mei 1852 trad hij in het huwelijk met Johanette Louise Brouerius van Nidek, met wie hij drie dochters en een zoon kreeg.
Pseudoniem: Jan Stukadoor.

Cremer bracht zijn eerste levensjaren door in Gelderland. Zijn vader was een vermogend koopman die in Arnhem een groot huis aan het Velperplein liet bouwen en ook het buitenverblijf De Oldenhof bij Driel in de Over-Betuwe bezat. Daar maakte Cremer kennis met het boerenleven dat hij later in zijn in dialect geschreven Betuwsche Novellen (Haarlem 1856) en Distels in 't weiland. Over-Betuwsche Vertellingen (Leiden 1865) geïdealiseerd zou weergeven. Cremer had geen aanleg voor studie en zijn ouders zorgden ervoor dat hij teken- en schilderlessen kon nemen om als kunstschilder in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Na zijn opleiding vestigde hij zich te Loenen aan de Vecht en, enige jaren later, te Den Haag. In de donkere herfst- en wintermaanden met ongunstig schilderlicht legde hij zich toe op het schrijven van zowel romans als korte verhalen. Vooral zijn voordrachten uit eigen werk werden binnen korte tijd beroemd. Hoewel hij tot het eind van zijn leven bleef tekenen en schilderen, verdiende hij al spoedig zijn inkomen voor het grootste deel met zijn pen in plaats van met zijn penseel. Het literaire werk van Cremer gaf vanaf het begin blijk van sociale betrokkenheid. Een winternacht (Arnhem 1854) werd 'uitgegeven ten voordeele van eerlijke armoede', Op den zolder (Rotterdam 1861) verscheen 'Geheel ten voordeele van de noodlijdenden ten gevolge der overstroomingen binnen Nederland in 1861'. Ook probeerde Cremer begrip te kweken voor de moeilijke positie van de minderbedeelden in de Nederlandse samenleving. Sociale problemen ging hij in zijn werk niet uit de weg. De roman Anna Rooze (Leiden 1868) had de preventieve hechtenis tot onderwerp, Hanna de Freule (Amsterdam 1873) schetste de ellende die de werkstaking kon veroorzaken. Ook in kleinere publikaties gaf Cremer zijn mening over de problemen van zijn tijd. Zo reageerde hij fel op de Frans-Duitse oorlog in De oorlog een noodzakelijk kwaad? (Leiden 1871). Op de oprichting in 1869 van het Nederlandsch Werklieden-Verbond, later bekend als Eerste Internationale, volgde een Brief aan alle Nederlandsche werklieden, leden en geen leden der Internationale, door Jan Stukadoor (Leeuwarden 1871). Deze lokte een reactie uit van een onbekende socialist: Een woordje an meneer J.J. Cremer, of liever an Jan Stukadoor [...]. Een kijkje in de woning en in het hart van de werkman (Den Haag 1871). Een jaar later verscheen het Antwoord van Jan Stukadoor aan Piet Schaver (Leeuwarden 1872). Cremer moest niets hebben van het internationaal geörienteerde communisme, maar verwachtte wel verbeteringen voor de arbeiders door samenwerking binnen een nationale werkliedenvereniging.

Zijn grootste bekendheid dankte Cremer aan zijn inzet in de strijd tegen de kinderarbeid. Een bezoek aan een Leidse textielfabriek inspireerde Cremer tot zijn Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld (Arnhem 1863). Cremer sprak zijn rede uit voor een aantal Kamerleden, ging er mee het land in en stuurde een exemplaar naar minister-president J.R. Thorbecke. De trage voortgang in de werkzaamheden van de inmiddels ingestelde staatscommissie die over het vraagstuk van de kinderarbeid moest rapporteren en de weifelende houding van de regering deden Cremer opnieuw naar zijn pen grijpen. In 'Een woord aan mijn landgenooten' in Het Vaderland riep hij in 1870 op adressen aan de minister te sturen. Ook bepleitte hij persoonlijk de zaak nog eens bij de minister van Financiën. Ten slotte publiceerde hij in Het Vaderland een 'Openbare Brief aan Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken' met daarin de vaststelling dat de publieke opinie zich voor overheidsingrijpen had uitgesproken. Het zou echter nog tot 1874 duren alvorens het 'Kinderwetje Van Houten' in werking zou treden. Cremer was de eerste Nederlandse schrijver die van zijn pen leefde en zich zowel voor zijn kopijrecht als voor zijn voordrachten goed liet betalen. Vaak waren de opbrengsten van zijn doorgaans zeer lucratieve voordrachten bestemd voor liefdadige doeleinden. Hij was een sociaal bewogen mens maar enigszins afstandelijk in de omgang. Zijn voordrachten en daarbij behorende reizen door Nederland matten hem af en om zijn zwakke gezondheid enigszins te ontzien leidde hij een teruggetrokken persoonlijk leven. Cremer overleed aan een leverkwaal. Zijn wens om hem niet met een grafmonument maar met een bank op een mooie plaats in de natuur te gedenken werd vervuld. Nog steeds houdt de 'Cremerbank' in de Scheveningse Bosjes de gedachtenis aan hem levend. Zijn schilderijen bevinden zich onder andere in het Rijksmuseum in Amsterdam, het Gemeentemuseum in Arnhem en het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag.

Archief: 

Manuscriptencollectie J.J. Cremer in Koninklijke Bibliotheek (Den Haag).

Publicaties: 

De Lelie van 's-Gravenhage (Amsterdam 1851); Daniël Sils (Arnhem 1854); Een Reisgezelschap (Haarlem 1858); Emma Berthold (Den Haag 1870); Dokter Helmond en zijn vrouw (Den Haag 1870); Gedichtjes (Amsterdam 1874); Boer en Edelman (Den Haag 1874); Tooneelspelers (Leiden 1876). De Romantische Werken (Leiden 1877-1881) bevatten naast de hierboven genoemde teksten de volledige letterkundige produktie van Cremer. Bibliografie in: H. Sanders, Jacob Cremer (Haarlem 1952).

Literatuur: 

A.H. Ising, E. Ising, 'Levensbericht van J.J. Cremer' in: Levensberichten der afgestorven medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (Leiden 1880) 117-133; C. Busken Huet, Literarische Fantasien en Kritieken. Deel IV (Haarlem z.j.) 52-59, 103-109; E. Zuidema, 'J.J. Cremer' in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek. Deel IV (Leiden 1918) 473-475; H. Sanders, Jacob Cremer (Haarlem 1952); H.J. Eijssens, 'Inleiding' in: J.J. Cremer, Distels in 't weiland. Over-Betuwsche Novellen (Den Haag 1980) IX-XL; N. Maas, Grote doden (Nijmegen 1986); H. Eijssens, 'Inleiding' in: J.J. Cremer, Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld (Schoorl 1988) 5-15.

Portret: 

Jacobus Johannes Cremer, Gemeentelijke Archiefdienst Rotterdam

Auteur: 
Henk Eijssens
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 38-40
Laatst gewijzigd: 

05-02-2003