EFFENDI, Roestam

Roestam Effendi

activist in de Indonesische en Nederlandse communistische beweging, is geboren te Padang (Sumatra) op 13 mei 1903 en overleden te Jakarta op 24 mei 1979. Hij was de zoon van Soeleiman Effendi, fotograaf, en Siti Sawiah. Op 17 juni 1937 trad hij in het huwelijk met Johanna Berta Roodveldt, met wie hij een dochter en een zoon kreeg.
Pseudoniem: Alfaroes.

Effendi groeide in Padang op als oudste zoon in een gezin van negen kinderen. Na de Hollands-Indische (lagere) school bezocht hij de Kweekschool in Boekittinggi en de Hogere Kweekschool in Bandoeng. In Bandoeng kwam hij in contact met Soekarno. Roestams vader was propagandist voor de Indische Partij van E.F.E. Douwes Dekker en Tj. Mangoenkoesoemo. I de jaren 1924 tot 1927 was Effendi actief in de Jong Sumatranenbond, vooral in de beweging in de Minangkabau. Hij werkte enige tijd als hoofd van de Islamitische Abadiah-school en werd als jongste lid in de gemeenteraad van Padang gekozen. Hij trok eveneens de aandacht als literator met Pertjikan Permenungan (Padang 1925; 'Fonkelende Overpeinzingen') en Bebasari (1926; 'De essentie is vrijheid'). In zijn politieke activiteiten onderhield Effendi al spoedig contacten met vooraanstaande leden van de Partai Komunis Indonesia (PKI). Na de opstanden tegen het Nederlandse kolonialisme in Java in 1926 en West-Sumatra in 1927 werd hij door het gouvernement als een actieve communist beschouwd en dreigde te worden gearresteerd. Met behulp van Hadji August Salim vertrok Effendi in 1927 voor studie naar Nederland. In Den Haag behaalde hij eerst de lagere onderwijsakte en studeerde vervolgens Middelbaar Onderwijs economie. Hij zou zich echter spoedig geheel aan politieke activiteiten wijden en publieke bekendheid verkrijgen. Hij werd lid van de Perhimpoenan Indonesia (PI), de studentenvereniging die voor een onafhankelijk Indonesië streed. In 1929 werd Effendi lid van het bestuur. De inlichtingendiensten maakten hiervan melding in de politiek-politionele overzichten en zouden hem verder blijven achtervolgen. In die jaren was hij voor de PI eveneens actief in de Liga tegen Imperialisme en Kolonialisme en verwierf zo internationale contacten. In Nederland leverde hij bijdragen aan linkse en antimilitaristische bladen, waarin hij onafhankelijkheid voor Indonesië propageerde. Onder leiding van M. Hatta trok de PI zich in 1932 korte tijd terug uit de Liga, maar na een scherpe interne discussie, waarbij Hatta in de minderheid bleef, ging de PI weer aan de activiteiten deelnemen. Hatta keerde zich tegen een te grote communistische invloed in de Liga. Een meerderheid van Indonesische studenten, onder wie Effendi, koos voor de Liga. Er bestond in de PI veel sympathie voor de Communistische Partij in Nederland (CPN), maar niet allen werden lid van de partij. Er waren bovendien PI'ers, die met het oog op het ambtenarenverbod niet altijd openlijk optraden als lid. Effendi woonde eind jaren twintig in Rotterdam en Den Haag en verhuisde daarna naar Amsterdam. Hij verbleef ook geruime tijd in Berlijn en studeerde in het cursusjaar 1932-1933 onder het pseudoniem Alfaroes aan de Leninschool in Moskou. Na zijn terugkeer in Nederland plaatste de CPN hem in 1933 op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamerverkiezingen. Indonesiërs werden bij wet beschouwd als Nederlands onderdaan en konden als zodanig lid worden van het parlement. Al eerder waren, sinds Tan Malaka in 1922, Indonesiërs (zonder resultaat) CPN-kandidaat geweest, nu zette de CPN om en om een Nederlander en een Indonesiër op de lijst. Lijsttrekker was L. de Visser, Effendi stond als derde Indonesiër op de zesde plaats. De CPN behaalde vier zetels, zodat van de Indonesiërs Sardjono de tweede kandidaat en Alimin de vierde gekozen werden. Maar PKI-voorzitter Sardjono zat gevangen in Boven-Digoel in het oerwoud van Nieuw-Guinea en mocht het gevangenkamp niet verlaten. Alimin verbleef in Moskou en liet, door chicanes van de Nederlandse regering geïntimideerd, weten dat hij wegens andere werkzaamheden zijn zetel niet zou innemen. Lang nadat de andere leden voor de nieuwe Kamer waren beëdigd werden C. Schalker en Effendi naast De Visser en D.J. Wijnkoop door het centraal stembureau verkozen verklaard. Effendi deed als eerste Indonesiër en jongste Kamerlid zijn intrede. Een procureur-generaal probeerde Effendi's beëdiging nog uit te stellen naar aanleiding van vermeende opruiing tijdens een verkiezingsbijeenkomst. Effendi ontkende dat hij arbeiders had opgeroepen het parlementaire werk te steunen met geweld en gewapend verzet. De Visser zou tijdens dezelfde vergadering de Duitse rijkskanselier P. von Hindenburg hebben beledigd. De Visser werd in een rechtszaak in Tiel vrijgesproken, Effendi veroordeeld tot tweehonderd gulden of een maand cel. Effendi ging in hoger beroep, bij De Visser tekende de procureur-generaal beroep aan. Het hoger beroep vond in Arnhem plaats op 30 juni 1933. De procureur-generaal eiste tegen Effendi drie maanden gevangenisstraf en onmiddellijke inhechtenisneming. Volgens de procureur-generaal was dat laatste noodzakelijk omdat er kans was op vluchten en omdat arrestatie dan moeilijk zou zijn omdat 'al die lui op elkaar lijken als pindamannetjes'. Effendi keerde zich in zijn slotwoord fel tegen dit racisme en zei verder: 'Gij vraagt mij, wat ik in Holland kom doen. Ik antwoord U met een wedervraag: Wat kwaamt gij en de Uwen in Indonesië doen? Ik kom hier als vertegenwoordiger van zestig miljoen Indonesiërs. ... Ik ga hier in het parlement temidden van onze vijanden om de stem van Indonesië te laten horen'. Het gerechtshof wees de eis tot directe gevangenneming af en bepaalde de uitspraak op 12 juli. Op 4 juli vond de beëdiging van Schalker en Effendi plaats. Toen Effendi de gelofte aflegde kwam er protest van de rechtervleugel van de Kamer, waarop Wijnkoop reageerde met de uitroep 'Indonesia Merdeka!' (vrijheid voor Indonesië). Een week later werd Effendi veroordeeld tot een maand gevangenisstraf, die hij later dat jaar in het Huis van Bewaring in Amsterdam uitzat.

Effendi bleek in de Kamer een gevat debater, die soms felle taal uitte. Hij kreeg menige vermaning van de voorzitter en het woord werd hem vaak ontnomen. Toen de antirevolutionair J. Schouten bij de behandeling van de opstand op De Zeven Provinciën (1933) een rede beëindigde met de woorden 'En de regering moet regeren!', reageerde Effendi met 'En mijn volk moet zeker creperen.' In de Kamer nam Effendi bij de begroting van koloniale zaken in de regel Indonesië voor zijn rekening en soms Suriname. Hij werd in die jaren een veel gevraagd spreker bij openbare bijeenkomsten en conferenties. In 1935 nam Effendi als lid van de CPN-delegatie deel aan het zevende Comintern-congres in Moskou. PKI-leider M. Moesso, kandidaatlid van het Uitvoerend Comité van de Comintern, bevond zich op dat moment illegaal in Indonesië om de partij organisatorisch weer op gang te brengen. Volgens eigen zeggen werd Effendi tijdens het congres tot kandidaatlid van het Uitvoerend Comité gekozen, maar in de congresdocumenten is daarover niets terug te vinden. Wel was Effendi lid van het partijbestuur van de CPN en van het politiek bureau. Bij de Kamerverkiezingen van 1937 raakte de CPN een zetel kwijt. Effendi bleef in de Kamer. Op het CPN-congres van 1938 werd Effendi in het partijbestuur herkozen, maar hij keerde niet terug in het politiek bureau. De zittingen van dit bureau werden vanaf 1938 bij Indonesië-onderwerpen bijgewoond door Moesso, die toen veelal in Brussel woonde. Na het zevende Comintern-congres was Effendi in de Kamer en daarbuiten opgetreden voor een gezamenlijke opstelling van Nederland en Indonesië tegen de Japanse dreiging. De leuze tot directe onafhankelijkheid stond daarbij niet meer op de voorgrond. De partij bepleitte, evenals de PI, aanvaarding van de petitie-Soetardjo, een motie van een meerderheid van de Volksraad in Batavia voor een conferentie over de staatkundige verhouding. Onder invloed van het niet-aanvalsverdrag tussen Duitsland en de Sovjet-Unie van augustus 1939 geselde Effendi bij de begrotingsbehandeling in januari 1940 het Nederlandse koloniale beleid als vanouds en bepleitte weer directe onafhankelijkheid.

In 1938 was Effendi met zijn gezin naar Blaricum verhuisd, waar het tijdens de Duitse bezetting verbleef en aanvankelijk vanuit de illegale CPN financieel werd gesteund. Door de dood van De Visser en Wijnkoop tijdens de oorlog was Effendi na de bevrijding korte tijd het enige communistische parlementslid. Het parlement kwam pas voor het eerst weer in september 1945 in de vooroorlogse samenstelling (zonder NSB'ers) bijeen. Op 10 oktober 1945 sprak Effendi bij de beraadslagingen tot vorming van een voorlopige Staten-Generaal. Hij drong er toen op aan dat de benoemingscommissie ook Indonesiërs op gelijke voet met de andere leden op opengevallen plaatsen zou benoemen. Tegelijkertijd gaf hij aan dit slechts als tijdelijk te zien en merkte op: 'De Indonesische afgevaardigden moeten in de eigen Indonesische Volksvertegenwoordiging zitting hebben. Deze laatste behoort in Indonesië zelf te zijn. In die richting moeten wij allen zoo snel mogelijk koersen. Zoodra dit een feit is, acht ik de aanwezigheid van Indoneiërs in een Nederlandsche Staten-Generaal ongewenscht en overbodig. Ik brand van ongeduld, dat ik ook mijn mandaat uit deze overwegingen spoedig zal kunnen neerleggen om dit college te kunnen verlaten. Ik hoop vurig, dat de tijd niet zoover meer ligt, dat ik de aangename en sympathieke samenwerking met Nederlanders hier te lande, zoowel buiten als in deze Kamer in een grooter en breeder verband van de samenwerking der Rijksdeelen Nederland en Indonesië daarginds in mijn land zal mogen voortzetten tot heil van het Nederlandsche en Indonesische volk.' Een week later was er een discussie naar aanleiding van een regeringsverklaring over de toestand in Indonesië. Effendi zei onder meer: 'De samenwerking der beide volkeren is ... een gebiedende eisch en van een essentieel levensbelang voor de beide landen, willen ze niet de noodlottige speelbal worden van de worstelende, intrigeerende en kuipende imperialistische machten.' Hij wees erop dat het Indonesische volk de Republiek had uitgeroepen: 'de regeering is geen marionettenregeering van de Japanners en van wie dan ook, maar is benoemd en geniet den steun van het Indonesische volk'. Bij de felle, interne perikelen in de CPN rond en tijdens de zogenoemde juli-conferentie in 1945 had Effendi sympathie getoond voor de oppositie van D. Goulooze. In november 1945 deelde het dagelijks bestuur van de partijraad van de CPN in een verklaring mee, dat Effendi als lid was geschorst. Het verwees naar een (niet bewaard) onderzoek door de controlecommissie van de partij en uitte een aantal beschuldigingen. Het verklaarde dat Effendi tijdens de illegaliteit opzettelijk de verbinding tussen hem en de partij had verbroken en dat hij na de bevrijding tegen deelname van Nederland aan de oorlog tegen Japan was geweest. Begin januari 1946 volgde het royement en op 22 januari las parlementsvoorzitter J.R.H. van Schaik een brief van Effendi voor, waarin deze zich in verband met dit royement genoodzaakt zag zijn zetel ter beschikking te stellen.

In november 1946 keerde Effendi met zijn gezin en een jonge huisgenote terug naar Indonesië. In Soerabaja aangekomen werd het gezin gedwongen direct door te reizen naar het gebied van de Indonesische Republiek. Het ging naar Madioen, waar Effendi's ouders leefden. Korte tijd later vestigden Effendi en gezin zich in Solo, waar zij tijdens de eerste en tweede koloniale oorlog woonden. Na zijn terugkeer was Effendi korte tijd lid van de in 1948 opgerichte Partai Murba (proletarische partij) van Tan Malaka en Soekarni, die aangesloten was bij de trotskistische Vierde Internationale. Hij schreef enkele politieke boekjes met onder meer verwijten tegen de CPN vanwege haar Gemenebestpolitiek uit het jaar direct na de Tweede Wereldoorlog. Hij vond dat de CPN de politiek van Lenin en Stalin had verlaten. Op het CPN-congres van december 1949 deed Annie Averink in een inleiding over Indonesië enkele scherpe uitvallen naar Effendi en diens keuze voor het trotskisme. Kort na de soevereiniteitsoverdracht (1949) verliet Effendi de Partai Murba en bleef verder ongeorganiseerd. Hij verhuisde naar Jakarta, begaf zich zonder succes een poosje in zaken en wijdde zich vervolgens aan zijn literaire arbeid. Op politiek terrein vervulde hij een rol als adviseur van de voorzitter van de Masjumi-partij. Effendi werd weer praktizerend islamiet, maakte drie keer een reis naar Mekka en kon zich daardoor hadji (bedevaartsganger) noemen. Na de machtsgreep van Soeharto in 1965 vernietigde Effendi uit veiligheidsoverwegingen manuscripten, aantekeningen en documentatiemateriaal. Hij bleef over literatuur schrijven en voor zijn levensonderhoud werd ook zijn Kamerpensioen van betekenis. In 1978 verscheen in Jakarta ter herdenking van de 'eed van de jeugd' uit 1928 een bloemlezing met bijdragen van oud-strijders uit de onafhankelijkheidsstrijd. Effendi kreeg daarin een plaats voor zijn herinneringen en ging niet voorbij aan zijn studie aan de Leninschool, zijn bestuursfunctie in de CPN en zijn Kamerlidmaatschap. Hij herinnerde aan zijn scherpe discussies in Nederland voor de rechtbank en in de Tweede Kamer, die zich naar de letter genomen weliswaar wat anders hadden voorgedaan, maar in hun essentie de rassendiscriminatie en de hovaardigheid van de kolonialen aangaven.Hij verklaarde in deze bijdrage zich na de Tweede Wereldoorlog zowel politiek als ideologisch van Moskou te hebben losgemaakt en daarmee te hebben getoond dat zijn geest van patriottisme sterker was dan welke vorm van ideologie ook. Na zijn overlijden aan een hartaanval kreeg Effendi een islamitische begrafenis, oud-premier M. Natsir (van de Masjumi-partij) sprak een afscheidswoord. Enkele Indonesische bladen schonken aandacht aan Effendi's verscheiden. In een uitvoerig in memoriam wees het dagblad Suara Karya (Stem van de Werker) op zijn lidmaatschap van en zijn activiteiten binnen de Nederlandse communistische partij, 'de enige die opkwam voor de Indonesische republiek'.

Publicaties: 

(met L. de Visser) Colijn verdwijn. Rede in de Tweede Kamer (Amsterdam 1933); Indonesia's jeugd in strijd tegen Hollandsche heerschappij (Amsterdam 1933); Van Moskou naar Tiflis. Mijn reis door de nationale Sowjet-republieken van de Kaukasus (Amsterdam 1937); Recht voor Indonesië! Een beroep op democratisch Nederland (Amsterdam 1937); Indonesia Vrij! (Amsterdam 1940); Quo Vadis (Blaricum 1945); Revolusi Nasional (Djakarta 1947).

Literatuur: 

B. Siregar, Sedjarah sastera Indonesia modern djilid I (Djakarta 1964; De geschiedenis van de moderne Indonesische literatuur); Bunga Rampai Soempah Pemoeda dihimpun oleh Yayasan Gedung-Gedung Bersejarah Jakarta (1978) (Bloemlezing over de eed van de jeugd, verzameld door de Stichting Geschiedenismuseum Jakarta); H.A. Poeze, In het land van de Overheerser. Indonesiërs in Nederland 1600-1950 I (Dordrecht 1986); J.W. Stutje, De man die de weg wees. Leven en werk van Paul de Groot 1899-1986 (Amsterdam 2000).

Portret: 

Roestam Effendi, uit: H. van Galen Last, Nederland voor de storm. Politiek en literatuur in de jaren dertig (Bussum 1969)

Auteur: 
Joop Morriën
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 41-45
Laatst gewijzigd: 

10-02-2003