ERKEL, Gerrit van

Gerrit van Erkel

voorman van de radicaal-socialistische vakbeweging, is geboren te Amsterdam op 9 november 1860 en aldaar overleden op 13 januari 1937. Hij was de zoon van Gerrit van Erkel, pakhuisknecht, en Lena Reissenburg. Op 13 juni 1883 trad hij in het huwelijk met Maria Catharina Meijer, met wie hij twee dochters kreeg.

Van Erkel werd in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt geboren. Als enige zoon (hij had nog twee jongere zusters) had hij vrijstelling van militaire dienst. Hij trouwde op 23-jarige leeftijd met de stiefdochter van een timmerman. Het jonge gezin woonde in de Jordaan. Van Erkel sloot zich in het begin van de jaren negentig aan bij de vakorganisatie van schildersknechts en raakte betrokken bij het vakblad De Schildersgezel. In deze jaren werd hij lid van de Sociaal-Democratische Bond (SDB). In 1892 stelde hij zich kandidaat voor het bestuur van de afdeling Amsterdam van de SDB, maar werd niet gekozen. In dat zelfde jaar kwam de Centrale Organisatie van Schildersgezellen tot stand, die vanaf 1893 een blad uitgaf dat ook De Schildersgezel heette en waarvan Van Erkel redacteur werd. Vanuit de Centrale Organisatie werd op 1 oktober 1893 de Internationale Schildersgezellenbond opgericht, waarvan Van Erkel de eerste voorzitter werd. Namens de Schildersgezellenbond kreeg hij zitting in het eerste bestuur van het in 1893 opgerichte Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS), aanvankelijk als tweede voorzitter, vanaf maart 1896 als secretaris. De politieke kwesties die de arbeidersbeweging in die dagen verdeelden maakten dat Van Erkel een niet onbelangrijke rol speelde in de strijd tussen parlementairen en antiparlementairen. Die verdeeldheid trof zowel het NAS als de Schildersgezellenbond, waarvan Van Erkel in 1896 en 1897 nog voorzitter was. Vooral de afdeling Amsterdam van die bond verzette zich tegen het voeren van 'politieke actie'. Van Erkel trachtte in zijn bond net als binnen het NAS de strijd tussen sociaal-democraten en vrije socialisten buiten de vakbeweging te houden, maar, of hij wilde of niet, hij werd daarin partij. Toen eind jaren negentig de Schildersgezellenbond in de versukkeling raakte trachtte Van Erkel met een voorstel tot een fikse contributieverhoging daar een eind aan te maken, maar dat mislukte. In mei 1899 trad de bond uit het NAS, omdat hij de contributieafdracht niet langer kon opbrengen. Het ledental belandde onder de 300. De afdeling Amsterdam, die al in december 1898 de grootste moeite had gehad om zowel een hoofdbestuur als een afdelingsbestuur te bemannen, ging in maart 1899 teniet, waarna de 'moderne' afdeling Den Haag de leiding overnam. De latere NVV-voorman J. van den Tempel speelde daarbij een belangrijke rol. In de loop van 1899 ontstond in Amsterdam zowel een nieuwe schildersvereniging, Vooruit (die zich wel bij het NAS maar niet bij de gereconstrueerde Schildersgezellenbond aansloot), als een nieuwe afdeling van de Schildersgezellenbond.

In februari 1899 besloot de jaarvergadering van het NAS zijn secretaris voortaan te bezoldigen en werd Van Erkel met grote meerderheid in die functie benoemd. Op7 augustus van dat jaar trad hij in dienst als secretaris-administrateur, tegen een vergoeding van f 13 per week met vrije woning. Het secretariaat van het NAS, jarenlang gevestigd in het gebouw van de Timmerliedenbond, verhuisde eerst naar zijn woning aan de Lijnbaansgracht en in oktober 1900 naar een eigen kantoor aan de Rozengracht. In 1904 verdiende Van Erkel f 18 per week. Binnen de vakbeweging speelde Van Erkel in deze jaren organisatorisch en politiek een centrale rol. Hij propageerde op talloze plaatsen in Nederland de vakorganisatie, sprak stakende arbeiders toe en verzorgde namens het NAS stakingsuitkeringen. Hij was de oprichter van tal van vakverenigingen en hij was actief in het in 1901 gevormde Internationaal Vakbewegings Secretariaat. Daarnaast sprak hij op bijeenkomsten van de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging. In augustus 1900 werd hij lid van de commissie die met een voorstel tot reorganisatie van het NAS moest komen. De commissie bleek echter dermate verdeeld dat aan het reorganisatiecongres vier alternatieven werden gepresenteerd. Van Erkel was de voorsteller van de syndicalistische motie, waarbij de 'politieke actie' als strategie werd verworpen en gekozen werd voor een federatieve opbouw van de vakbeweging met daarin tevens plaatselijke arbeidssecretariaten. Dit voorstel werd in tweede instantie bij referendum aangenomen en op basis daarvan werd een reglementsartikel voorgesteld dat het ijveren voor sociale en arbeidswetten uitsloot. Dit artikel werd echter verworpen, waarna Van Erkel een compromistekst schreef die deze kwestie openhield. De toelichting die Van Erkel daarbij gaf maakte hem echter bij de sociaal-democraten helemaal tot de gebeten hond. Van het Comité van Verweer dat leiding moest geven aan de algemene werkstaking in 1903 was hij penningmeester. Ook daar viel op hoe hij een realistische opstelling combineerde met de neiging die weer te laten bepalen door de stemming der arbeiders. Dat leidde nog al eens tot een plotselinge verandering van standpunt. Tijdens de grote vergadering aan de vooravond van de staking, op 2 april 1903, ging hij om met een pathetisch 'Het volk wacht op een sein'. Hij was een van degenen die na het verlopen van de algemene werkstaking met de beschuldiging kwamen dat de staking was verraden, om enkele dagen daarna weer te verklaren dat de sociaal-democraten in het Comité geen verraad hadden gepleegd. Half mei 1903 stelde het NAS, in een poging de eenheid binnen de vakbeweging te bewaren, een commissie in die bij de niet-aangesloten bonden de bezwaren tegen het NAS moest onderzoeken. Een commissie uit die bonden zou dan, in overleg met het bestuur van het NAS, een nieuw reglement voorstellen. Ook deze commissie, onder voorzitterschap van H. Spiekman, bleek onderling verdeeld. Een meerderheid wenste een centrale organisatie en meende dat het NAS moest ijveren voor sociale en arbeidswetgeving. De minderheid wilde het NAS daarentegen een federatieve grondslag geven en wees het voeren van iedere 'politieke actie' af. Deze minderheid kreeg op het NAS-congres van december 1903 de steun van het bestuur, onder aanvoering van Van Erkel. De gemoederen liepen daarbij hoog op. In een felle discussie met Spiekman stelde Van Erkel dat de meerderheid met haar voorstel de stem van de vrije socialisten smoorde en daarmee de oorzaak was van de tweedracht in de vakbeweging. Hij dreigde af te treden wanneer het voorstel zou worden aangenomen. Zijn oproep had succes. Spiekman verliet het congres. P.J. Troelstra riep daarop de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond op het initiatief te nemen tot het stichten van een nieuwe vakcentrale. Het NAS-bestuur reageerde fel en Van Erkel schreef de zogeheten 'scheurcirculaire', met als kern de zin: 'Scheidt U af van de organisatie waar ge bij aangesloten zijt en sluit U aan bij het N.A.-S.! Wat niet bij elkander hoort moet van elkander af.' De splitsing in de linkse vakbeweging was definitief.

Het sociaal-democratisch dagblad Het Volk schreef in maart 1905 dat Van Erkel had gesolliciteerd als bezoldigd secretaris bij het nieuw op te richten NVV. Dat was nog bij wijze van grap, maar zijn langste tijd als bestuurder van het NAS had Van Erkel toen al gehad. In augustus 1906 bedankte hij plotseling voor zijn functie. De reden van zijn ontslagaanvraag was de ontdekking dat de boekhouding van het NAS niet deugde. In Het Volk beschuldigde J. Oudegeest hem ervan bij het beheer van de gelden ook zijn eigen portemonnee niet te hebben vergeten. Om te tonen dat hij niet als de spreekwoordelijke rat het zinkende NAS-schip wilde verlaten trok Van Erkel zijn ontslagaanvraag in. Bij referendum werd hij daarop als secretaris herkozen. De beschuldigingen bleven echter terugkomen, vooral in De Vakbeweging, het blad van het NVV: Van Erkel zou geld ten eigen bate hebben gebruikt, schulden niet hebben aangezuiverd, het ene gat met het andere hebben gedicht en als penningmeester met stakingsuitkeringen en contributies hebben gemanipuleerd. Het NAS stelde een onderzoekscommissie in. Op het NAS-congres van augustus 1906 deelde Van Erkel mee zijn functie in handen van het bestuur te hebben gelegd. Hij was wel bereid de functie secretaris-administrateur weer op zich te nemen, maar liever had hij dat men een ander zocht. Er waren tegen zijn kandidatuur namelijk ook principiële bezwaren ingebracht. De Landelijke Federatie van Timmerlieden noemde hem 'in werkelijkheid, ondanks alle geschetter over federatie, een centralisatieman'. De ingestelde onderzoekscommissie kwam in oktober 1907 met een rapport, waarin een aantal boekhoudkundige onregelmatigheden van de NAS-bestuurders Van Erkel, J.N. van Zomeren en J.A. Baak werd geconstateerd. Gebleken was dat Van Erkel op soms onverantwoordelijke wijze met de NAS-gelden was omgesprongen, al was er geen bewijs dat hij geld zou hebben ontvreemd. Hij had bijvoorbeeld postwissels geïnd met de geïmiteerde handtekening van de penningmeester en de kas van de opgeheven vakvereniging van koffieverleesters gebruikt voor de oprichting van een nieuwe vereniging. De driemaandelijkse vergadering van het NAS concludeerde vervolgens dat zowel Baak als Van Erkel fraude hadden gepleegd en verklaarde hen ongeschikt om nog de positie van bestuurder in te nemen, zodat de kandidatuur van Van Erkel verviel. De uitkomsten van het onderzoek brachten binnen het toch al door ledenverlies en organisatieproblemen geteisterde NAS een grote schok teweeg.

Op het congres van 1912 kreeg Van Erkel, over wiens activiteiten van 1907 tot 1912 niets bekend is, eerherstel. Hij zou zich de komende jaren weer actief inzetten voor de vakbeweging. In 1913 werd hij, nadat zijn opvolger H. Kolthek ontslag had genomen, opnieuw gevraagd als secretaris van het NAS op te treden, maar hij meende in de Landelijke Federatie van Bouwvakarbeiders niet gemist te kunnen worden. Hij was in die tijd tevens internationaal actief en secretaris van het voorbereidingscomité voor een Internationaal Revolutionair Vakverenigingscongres dat, op voorstel van het NAS, eind 1913 te Londen werd gehouden. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog komen we hem enkele malen als spreker tegen, zoals in augustus 1914, toen hij samen met D.J. Wijnkoop op de Dam in Amsterdam een demonstratie van de samenwerkende revolutionaire organisaties tegen de duurte en de werkeloosheid toesprak. Hij was in 1915 een van de ondertekenaren van de oproep voor de stichting van een Landelijke Federatie van Sociaal-Anarchisten en was waarschijnlijk betrokken bij de hulpverlening aan Belgische deserteurs. Sinds 1917 woonden hij en zijn vrouw in de Amsterdamse Fagelstraat bij schoonzoon Van der Vecht, een sociaal-democraat. Volgens zijn kleinkinderen sprak de verbitterde Van Erkel niet over politiek en bracht hij, vanwege zijn astma, zijn laatste jaren voornamelijk door op een stoel in de hoek van de kamer. Henri Polak besteedde in Het Volk op 15 mei 1937 kort aandacht aan zijn overlijden in een artikel dat ook S.J. Pothuis herdacht, een van Van Erkels tegenspelers in de vakbeweging.

Publicaties: 
Nationaal Arbeids-Secretariaat in Nederland (Amsterdam z.j.); 'Aan de commissie tot samenstelling van een gedenkboek van het 25-jarig bestaan N.A.S.' in: Gedenkboek uitgegeven door het Nationaal Arbeids-Secretariaat ter gelegenheid van zijn 25-jarig bestaan (Amsterdam 1918) 38-43.
Literatuur: 
J. Oudegeest, De geschiedenis der zelfstandige vakbeweging in Nederland I (Amsterdam 1926); A.J.C. Rüter, De Spoorwegstakingen van 1903 (Leiden 1935); M. Buschman, 'De scheurcirkulaire' in: Jaarboek arbeidersbeweging, 1979, 145-181; W. Thorpe, 'The workers themselves'. Revolutionary syndicalism and international labour 1913-1923 (Dordrecht 1989); M. Buschman, Tussen revolutie en modernisme (Den Haag 1993).
Portret: 
G. van Erkel, IISG
Auteur: 
Johan Frieswijk
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 6 (1995), p. 61-64
Laatst gewijzigd: 
10-02-2003