FORTUIJN, Jan Antoon

Jan Antoon Fortuijn

inspirator van de socialistische beweging in Amsterdam en een van de twaalf oprichters van de SDAP, is geboren te Amsterdam op 3 september 1855 en overleden te Castricum op 9 oktober 1940. Hij was de zoon van Jan Fortuijn, metselaar, en Antoinetta Frederica Petronella van der Huur. Op 14 oktober 1885 trad hij in het huwelijk met Trijntje Tolk, huishoudster, met wie hij een dochter en twee zoons kreeg. Na haar overlijden op 23 mei 1920 hertrouwde hij op 23 september 1920 met Maria Johanna Elisabeth Mater, tot de opheffing in 1914 directeur van de coöperatie Samenwerkende Linnennaaisters, daarna vakkundig bemiddelaarster op het Arbeidsbureau. Dit huwelijk bleef kinderloos. Schreef zijn naam meestal zelf als Fortuyn.

De vader van Fortuijn was medeoprichter van de metselaarsvereniging Door eendracht saâmgebracht, die zich aansloot bij de Eerste Internationale, en richtte samen met Klaas Ris en anderen de Verenigde Bouwmaatschappij tot verkrijging van een Eigen Woning op. Hij liet zijn enig kind geen metselaar worden, maar zorgde dat deze op kantoor kwam. Fortuijn werd procureursklerk op een advocatenkantoor en maakte kennis met klerken als B. van Ommeren - die bij zijn huwelijk getuige was - en W.A. Paap. In 1878 leerde Fortuijn tijdens bijeenkomsten in het gebouw van de Amsterdamsche Werkmansbond Joan Nieuwenhuis kennen, die hem een onstuimige, goedwillende en kordate jongeman vond. Beiden luisterden gretig naar sprekers als B.H. Pekelharing, mr. S. Katz en F. Domela Nieuwenhuis. Via P.J. Penning kwamen zij in contact met socialisten en de geheime vrijdenkersorganisatie Vox Populi. Fortuijn, wiens moeder gelovig was, werd vrijdenker en lid van de vrijdenkersvereniging De Dageraad. In 1878 schreef hij een enkele maal tegen de godsdienst, waarover hij een berucht spreker was, in De Werkmansbode, maar zijn echte belangstelling ging uit naar het algemeen stemrecht. In 1879 werd hij bestuurslid en in 1882 secretaris van de Vereeniging Algemeen Stemrecht in Amsterdam. Om het politieke leven een impuls te geven richtten Nieuwenhuis en Fortuijn eind 1880 de staatkundige vereniging De Unie op. Fortuijn sprak begin 1881 op de eerste openbare bijeenkomst. Door dit politieke werk ging hij veel met socialisten om. Hoewel hij aanvankelijk sceptisch tegenover het socialisme stond, werd hij in 1882 lid van de Sociaal Democratische Vereeniging en volgde in 1883 de oude H. Gerhard als voorzitter op. Fortuijn, die toen 28 jaar oud was en als klerk bij het advocatenkantoor van Wertheim en Gomperts werkte, versloeg daarbij Klaas Ris. W.H. Vliegen sprak over een tragisch element 'In het zich toch telkens herhalende schouwspel, degenen, die een zaak hebben voorbereid door soms levenslangen harden arbeid, te zien overvleugelen door jongeren'. De oudere generatie vroeg zich morrend af wat er van de afdeling terecht moest komen, nu een 'heer' de leiding had gekregen. Het wantrouwen werd echter gelogenstraft. De eerste jaren waarin Fortuijn met strakke hand de afdeling leidde, waren de meest succesvolle in haar geschiedenis. Naar het oordeel van Domela Nieuwenhuis - en met instemming door Vliegen geciteerd - was niet de oude Gerhard, maar Fortuijn 'de man, die de beweging in Amsterdam groot gemaakt heeft'.

Fortuijn, die in zijn gehele leven weinig publiceerde, schreef in de jaren 1882 en 1883 'Amsterdamsche Brieven' in Recht voor Allen. In het laatste jaar kwam hij tevens in het landelijk bestuur van de Nederlandsche Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht. Hij was aanwezig op het Internationaal Vrijdenkerscongres in 1883 in Amsterdam. Fortuijn werd in 1884 onverwacht bestuurslid van De Dageraad, maar de niet-socialistische leden wisten hem en Domela Nieuwenhuis in dat jaar uit de vereniging te werken. In 1884, het sterfjaar van zijn vader, openbaarde zich de zwakke gezondheid van Fortuijn. Hij werd zwaar ziek en voor zijn leven werd gevreesd. Na zijn herstel ging hij weer geheel op in de strijd. Hij wist uit ieder voorval propagandistische munt te slaan en was een meester in het bedenken van pakkende titels en zinnen. Maar zijn werkgever stelde hem voor de keus: matigen of ontslag. Hij nam ontslag en voorzag zich van een bestaan als copiist van brieven. Fortuijn was een knap organisator en wist in 1886 voor de Sociaal-Democratische Bond (SDB) het Volkspark te huren, zodat zaalafdrijving niet meer dreigde. Dit was een verwaarloosde theetuin aan de rand van de Jordaan, die socialisten veelvuldig als wijkplaats gebruikten. In 1890 zorgde hij ervoor dat Joan Nieuwenhuis het gebouw Constantia voor de SDB bouwde. Eigenaar werd de door Fortuijn gestichte Amsterdamsche Arbeidersmaatschappij. Later, na de verkoop van Constantia, scholden tegenstanders hem uit voor 'Jan de dief'. Als spreker hanteerde Fortuijn de spot als krachtig wapen. Door zijn juridische kennis wist hij meestal buiten bereik van justitie te blijven. Maar toen hij eind 1885 sprak en relletjes uitbraken, werd hij verantwoordelijk gesteld en tot twee weken cel veroordeeld. Fortuijn had zich na zijn huwelijk in 1885 als boekhandelaar en uitgever in de Jordaan gevestigd, waar hij met zijn vrouw en zijn moeder in de Tuinstraat woonde. Tijdens het Palingoproer in 1886 verspreidde hij een pamflet, waarin de politie als 'stokslagersbende' werd aangeduid. Hiervoor gearresteerd en zeventig dagen in voorarrest gehouden, werd hij veroordeeld tot vier maanden celstraf. De Hooge Raad vernietigde echter dit vonnis. Fortuijn wist de zaak volop in de publiciteit te krijgen, wat de andere veroordeelden hielp bij hun uiteindelijke vrijlating. Kort na het Palingoproer was Fortuijn weer middelpunt van volksoploopjes. In 1887 werd Willem III zeventig jaar en trokken Oranjeklanten naar bekende socialisten op om die te molesteren. De ruiten van Fortuijns winkeltje gingen aan diggelen en hij moest gewapend over straat. Als bekende verschijning sprak hij in deze tijd door het hele land over 'Vuist- of Stemrecht'. Fortuijn was een heftig spreker met veel gebarentaal, maar van het opkomend anarchisme moest hij weinig hebben. Hij bleef een aanhanger van de strijd voor algemeen stemrecht. Tijdens de verkiezingen van 1888 en 1891 stond hij kandidaat voor de Tweede Kamer. Hij kwam in de hoofdstad op de achtergrond toen in 1890 de Centrale Raad van de SDB, in 1893 gevolgd door Recht voor Allen en Domela Nieuwenhuis, zich daar vestigde. De verhouding met Domela, bij wie zijn vrouw nog als huishoudster had gewerkt, was gespannen en Fortuijn kreeg ruzie met de boekhandelaar J. Rot. Deze begon een lastercampagne tegen hem, waarbij Fortuijn werd omschreven als 'ploert'. Toen Fortuijn in februari 1892 tot secretaris van de Centrale Raad was gekozen, weigerden A. Rot en S. Coltof, waarschijnlijk aangezet door J. Rot, met hem in het bestuur zitting te nemen. Na het Kerstcongres van 1892 hield Fortuijn het voor gezien. Henri Polak nam zijn plaats in. Slechts na een bestuurscrisis keerde Fortuijn nog even terug. De oude vete met de broers Rot deed hem echter na twee weken weer opstappen.

Fortuijn ging de geschiedenis in als één van de 'twaalf apostelen' van de SDAP. Maar zijn overgang kwam voor velen als een verrassing. Toch gaf zijn opstelling in de programcommissie van de SDB in 1892 al aan waar hij in de beweging stond. Met Vliegen bepleitte hij de opstelling van een 'program van demokratische hervormingen'. Vliegen raakte er toen van overtuigd dat onder het 'onstuimig doen' van Fortuijn een 'praktische natuur' schuilging. Die opstelling was al in 1888 naar voren gekomen, toen hij de anarchisten voorhield eerst te organiseren en pas dan te revolutioneren. In 1894 werd Fortuijn 'als persoon' gevraagd het manifest te ondertekenen dat voorafging aan de oprichting van de SDAP. De roemruchte vergadering op 1 oktober 1894 in Constantia, waar de SDAP zich presenteerde en die in een ordinaire vechtpartij eindigde met de aanhangers van Domela Nieuwenhuis, zal hem diep geschokt hebben. Met Polak bemande hij het lokethokje. Als een dief in de nacht moest hij zich die avond met het geld uit de voeten maken. Zelf had hij zijn bedenkingen tegen de 'heren' P.J. Troelstra en H.H. van Kol. Hij trad toe tot het eerste partijbestuur als penningmeester, maar bedankte enkele dagen later vanwege zijn gezondheid. In werkelijkheid speelde een oude vete over het begrafenisfonds van de SDB een rol, waarmee Troelstra hem, aldus Henri Polak, tot terugtreden dwong. Hoewel zijn afdeling hem opnieuw kandidaat stelde, zag Fortuijn uiteindelijk van de kandidatuur af. In plaats daarvan deed hij op 7 februari 1895 zijn intrede in het afdelingsbestuur, om zich vanaf dat moment weer volledig voor de zaak in te zetten. Korte tijd later werd hij voorzitter van de afdeling. Deze functie bleef hij, afgezien van een korte onderbreking in 1898, tot 1901 uitoefenen. In 1898 verhuisde het gezin Fortuijn naar de Kerkstraat, waarmee een periode van twaalf bewogen jaren in de Jordaan werd afgesloten. Hij trad in de voetsporen van zijn vader door in 1899 in de commissie van de SDAP plaats te nemen, die de positie van de verbruikscoöperatie moest bestuderen, en richtte in 1901 met anderen in Amsterdam de Arbeiderscoöperatie De Dageraad op, waarvan hij voorzitter werd. Zijn functioneren binnen de SDAP werd bemoeilijkt door zijn gezondheid. Hij had een zwak zenuwgestel. Vliegen sprak van 'zenuwlijden', dat hem het werken een paar keer onmogelijk maakte, maar er was meer. Fortuijn had als spreker de gewoonte het publiek zijn woorden toe te slingeren en wel zo snel dat men hem nauwelijks kon verstaan. Daarbij sprak hij binnensmonds. Buiten Amsterdam leverde dit hem steeds meer problemen op als propagandist. Fortuijns propagandistische waarde daalde ook omdat hij niet publiceerde. Om in het bestaan te kunnen voorzien, was Fortuijn in 1888 met de uitgave van de Radicale Bibliotheek begonnen. Zijn eerste uitgave was opmerkelijk genoeg God en de Staat van Bakoenin. In 1896 werd hij, nadat H. Poutsma failliet was gegaan, uitgever van het blad De Nieuwe Tijd, waarvan hij in het begin tevens als medewerker werd genoemd. Rijk werd hij er niet van. Daarom solliciteerde hij - echter tevergeefs - in 1896 naar de functie van directeur van Het Volksdagblad. De benoeming ging naar zijn rivaal J. Rot. Bij het verschijnen van Het Volk in 1900 werd hij wel directeur, maar de benoeming draaide spoedig op een teleurstelling uit. Al op 19 mei was zijn naam weer uit de kop van de krant verdwenen. Fortuijn begon nu naast zijn uitgeverij/boekhandel een praktijk als zaakwaarnemer. Toen de afdeling Amsterdam van de SDAP in april 1903 werd omgezet in een Federatie van negen afdelingen, werd Fortuijn voorzitter van afdeling VI, de kleinste afdeling van de stad. Namens deze afdeling nam hij als tweede voorzitter plaats in het Federatiebestuur onder leiding van D. Wijnkoop. Hij bleef jarenlang voorzitter van zijn afdeling, die later werd samengevoegd met afdeling I, het centrum. Voor zijn afdeling bezocht Fortuijn regelmatig de partijcongressen. Daar bleek zowel zijn praktische zin hij pleitte voor het arbeidscontract en tegen de algemene werkstaking als zijn radicale gezindheid. In de partijstrijd voor 1909 steunde hij de marxistische richting. Hij hielp zelfs bij de oprichting van De Tribune. Na de scheuring in 1909 bleef hij lid van de SDAP, hoewel hij zich nadrukkelijk tegen een verbod van De Tribune verklaarde. In 1913 keerde hij zich tegen deelname van de SDAP aan de regering. Ondertussen bleef hij garant staan voor de uitgave van De Nieuwe Tijd. Ernstige moeilijkheden met betrekking tot die uitgave ontstonden pas toen W. van Ravesteyn redactiesecretaris werd in 1917. Fortuijn had zich toen inmiddels voor een belangrijk deel uit de uitgeverij teruggetrokken ten gunste van zijn schoonzoon J. Rogge en een functie aanvaard als rechtskundig adviseur bij het Bureau voor Arbeidsrecht van de Amsterdamsche Bestuurdersbond. In die hoedanigheid maakte hij nader kennis met Marie Mater, een dochter van zijn strijdmakker uit de tijd van het Volkspark Jan Mater. Veel geluk van hun huwelijk in 1920 hebben zij niet gekend, want op 31 augustus 1923 moest Fortuijn worden opgenomen in het provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch in Castricum, dat gespecialiseerd was in psychiatrische behandelingen. Tot 1935 bleef hij daar, waarna hij introk bij zijn vrouw, die inmiddels in Castricum was komen wonen. Ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag in dat jaar ontving hij een verslaggever van Het Volk. Toen deze Fortuijn zag zitten met zijn 'fleurige puntbaard' en 'levendige ogen' en zijn 'radde spraakje' hoorde, wist hij direct wat J.J. de Roode bedoelde met zijn typering van Fortuijn als enige 'Fransman in de Partij'.

Archief: 

Knipselarchief J.A. Fortuijn in Gemeentearchief Amsterdam.

Publicaties: 

De ongevallen wet en de beroepswet. De hoofdbepalingen voor werklieden (Amsterdam 1902).

Literatuur: 

Bymholt, Geschiedenis; E.Ph.H. van der Ven, 'Silhouetten 6, J.A. Fortuijn' in: De Controleur, nr. 243, 23.3.1895; Scipio, 'Silhouetten uit de arbeidersbeweging' in: De Jonge Gids, 1898-1899, 812-813; Vliegen, Dageraad I, 107-111 en Dageraad II, Kracht I, II, III; 'Jan Fortuijn 70 jaar' in: Het Volk, 3.9.1925; J.A. Nieuwenhuis, Uit den tijd der voortrekkers (Amsterdam 1927) 50-55; Het Volk, 2.9.1935; De Vrije Socialist, 7.9.1935; Amstelodamum, 1940, deel 27, 147; P. de Rooij, Een revolutie die voorbijging (Bussum 1971); B. Kersbergen, Jan Anton Fortuijn. Een leven in dienst van de arbeider (scriptie Amsterdam z.j.); H.J. Scheffer, Henri Tindal. Een ongewoon heer met ongewone besognes (Bussum 1976); H.J. Scheffer, Het Volksdagblad ('s-Gravenhage 1981) 15-19; D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001).

Portret: 

J.A. Fortuijn, uit: Vliegen, Dageraad (Amsterdam 1905) I, t.o. 107

Auteur: 
Luuk Brug
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 4 (1990), p. 46-53
Laatst gewijzigd: 

05-08-2002