FUYKSCHOT, Frans Pieter

Frans Pieter Fuykschot

nationaal en internationaal protestants-christelijk vakbondsbestuurder, is geboren te Rotterdam op 18 september 1896 en overleden te Hamilton (Canada) op 22 januari 1961. Hij was de zoon van Johannis Fuykschot, postbeambte, en Jacoba Bakker. Op 25 augustus 1928 trad hij in het huwelijk met Cornelia Binkhorst, kantooremployé, met wie hij twee dochters kreeg.

Fuykschot groeide op als zesde kind in een orthodox-protestants gezin met negen kinderen. Op de christelijke lagere school onderscheidde hij zich door een klas over te slaan. Op aandrang van het schoolhoofd mocht hij verder leren op de MULO (Meer Uitgebreid Lager Onderwijs), waar hij reeds op veertienjarige leeftijd het einddiploma behaalde. Hij trad als jongste bediende in dienst bij een bank. Zijn leerhonger stilde hij nadien met reeksen cursussen. Zo volgde hij als extraneus colleges economie en leerde onder meer Spaans en Zweeds. Dat laatste met behulp van linguaphonecursussen, die hij liefst 's morgens tijdens het scheren afdraaide. Na bij diverse ondernemingen in Rotterdam gewerkt te hebben, aanvaardde Fuykschot in Amsterdam een betrekking bij de Rotterdamsche Bankvereeniging. Internationaal handels- en betalingsverkeer was hier zijn werkterrein. Voor deze bank werd hij in het midden van de jaren twintig geruime tijd uitgezonden naar Düsseldorf. De extra verdiensten die dit Duitse verblijf opleverde, waren welkom omdat een samen met een broer opgezet handelsonderneminkje in onder andere vulpennen was uitgelopen op een fiasco en nog jarenlang schulden moesten worden afbetaald.

Op 1 oktober 1927 werd Fuykschot na 'een proeve van bekwaamheid' benoemd tot bezoldigd lid van het hoofdbestuur van de Nederlandsche Vereeniging van Christelijke Kantoor- en Handelsbedienden (NVCKH). Gestimuleerd vanuit de Gereformeerde Jongelingsvereeniging, naar eigen zeggen zijn belangrijkste leerschool, had hij zich op jonge leeftijd bij deze bond aangesloten. In Rotterdam had hij al bestuursfuncties in de grote bondsafdeling bekleed. Behalve met het secretariaat belastte de NVCKH hem met de redactie van Ons Beginsel, het bondsorgaan. Fuykschot was geen barricadevechter maar een bescheiden man, die in plaats van de confrontatie liever het compromis zocht. Door zijn kennis, genuanceerde oordeel, zorgvuldig formuleren en verzorgde voorkomen dwong hij in en buiten de eigen beweging respect af. De bond schoof hem in de jaren dertig graag naar voren als vertegenwoordiger in landelijke commissies en als spreker op congressen. Van belang werden ook zijn economische commentaren in Ons Beginsel en later het CNV-orgaan De Gids. Ofschoon zijn artikelen qua inhoud zelden echt oorspronkelijk waren, oefende hij hiermee toch groeiende invloed uit in de christelijke vakbeweging. Tussen 1931 en 1936 was hij de voornaamste verdediger van het CNV-standpunt voor behoud van de Gouden Standaard. Ook was hij vanaf 1936 lid van de redactie-commissie van het Christelijk-Sociaal Dagblad 'De Amsterdammer'. Op kerkelijk gebied koos hij voor de in eigen familie verguisde Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, die in 1926 ontstonden naar aanleiding van de kwestie-Geelkerken over de al dan niet sprekende slang. In deze kerk kwamen hij en zijn vrouw Cornelia in contact met de 'sociale predikant' J.J. Buskes, wiens ouders later in Utrecht goede bekenden werden. De politieke stap van Buskes en ettelijke andere Hersteld Verbanders naar de progressieve Christelijk-Democratische Unie deed Fuykschot evenwel niet. Hij wees het pacifisme van deze kleine protestantse partij af en bleef, zij het kritisch, anti-revolutionair. Na een grondige afweging of niet een geestverwante academicus van buiten de beweging aangesteld moest worden, koos het CNV in januari 1938 Fuykschot tot lid van het Dagelijks Bestuur. Het was de bedoeling dat hij H. Amelink als internationaal-secretaris en redacteur van De Gids zou opvolgen. In juli 1939 nam Fuykschot de verantwoordelijkheid voor De Gids over. In dezelfde zomer koos de Protestants-Christelijke Arbeiders Internationale (PCAI) hem in Zürich tot secretaris, werd hij bestuurslid van het Internationaal Christelijk Vakverbond (ICV) en nam hij het voor het eerst als adviseur deel aan de Internationale Arbeidsconferentie te Genève. Door het uitbreken van de oorlog kwam dit werk nagenoeg stil te liggen. In november 1940 waren Fuykschot, CNV-voorzitter A. Stapelkamp en bondsbestuurder J.A. Schaafsma lid van de delegatie van de drie Nederlandse vakcentrales die op uitnodiging van het Deutsche Arbeitsfront een omstreden 'studiereis' door Duitsland maakte. De CNV-leiding had hiervan geen breekpunt willen maken. Dat breekpunt kwam op 25 juli 1941 toen CNV en RKWV door de bezetter gelijkgeschakeld werden. Samen met zijn collega's J. Schipper en W. de Jong - Stapelkamp en Amelink waren gearresteerd - diende hij als eerste zijn ontslag in. Onder het mom van verzekeringsagent bleef Fuykschot evenwel actief onder CNV-ers, totdat arrestatie op 4 mei 1942 daaraan en einde maakte. Tot kerstmis 1943 bracht hij als gijzelaar door in St. Michielsgestel.

In mei 1945 hervatte Fuykschot na anderhalf jaar van gedwongen terughoudendheid zijn werk. Zijn omgeving zag hem opleven. Veel aandacht kreeg het bedrijfsorganisatie- en medezeggenschapsvraagstuk. In De Gids en brochures als Dat is bedrijfsorganisatie (Hoorn 1947) en Medezeggenschap van de arbeiders in overeenstemming met een schriftuurlijk eigendomsbegrip (Utrecht 1950) verdedigde hij de CNV opvattingen tegen hardnekkige bedenkingen van vooral conservatieve Anti-Revolutionairen en christelijke werkgevers. Een groeiend deel van zijn tijd werd echter in beslag genomen door het snel toenemende internationale werk. Als internationaal secretaris van het CNV, vice-voorzitter van het ICV (sinds 1945), en vertegenwoordiger of adviseur van de Nederlandse regering was hij vanaf 1945 voortdurend op pad. Zo nam hij vanaf 1945 jaarlijks deel aan de conferenties van de Internationale Arbeids Organisatie in onder meer Parijs, Montreal, Genève en San Francisco, bracht hij in 1948 advies uit aan de Surinaamse en Antilliaanse overheid over de vakbewegingssituatie daar, en was hij betrokken bij voorbereidingen van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. Begin 1952 - hij was toen 54 jaar oud - nam zijn loopbaan een beslissende wending. Hij besloot zich door de PCAI en het CNV uit te laten zenden naar Noord-Amerika. Behoefte aan een laatste nieuwe uitdaging gepaard aan idealisme waren de voornaamste drijfveren. Mogelijk speelde ook de Koreaanse oorlog, die veel Nederlanders tot emigratie dreef, een rol. Tijdens een in 1951 op uitnodiging van de Amerikaanse regering gemaakte reis door Noord-Amerika was hij tot de overtuiging gekomen dat daar een grote toekomst weggelegd lag voor principiële christelijke vakbeweging, tegenover de zijns inziens door plat materialisme en maffiapraktijken verziekte American Federation of Labor (AFL) en het Congress of Industrial Organizations (CIO). De Nederlandse kolonie in Canada leek hem de beste springplank. In maart 1952 vestigde hij zich met zijn vrouw en jongste dochter in Hamilton, Ontario, aanvankelijk voor een periode van vier jaar, maar omdat hij na zijn pensionering in 1956 zijn werk wenste voort te zetten, uiteindelijk voorgoed. Vanuit Hamilton, waar ook het bureau van de Christian Labor Association of Canada (CLAC) gevestigd werd, startte Fuykschot vanuit het niets, met een beperkt budget en een lager inkomen dan voorheen, zijn zendingsarbeid kriskras door het land. Het Canadese avontuur werd een lijdensweg. Het bikkelharde verzet van AFL, CIO en het Canadian Labour Congress en de closed shop-problematiek waren van tevoren ingecalculeerd, de tegenwerking door de Canadese overheid daarentegen niet. Teleurstellend was de minimale respons bij de meeste protestantse kerken. Al zijn pogingen ten spijt kreeg de CLAC daardoor vrijwel geen voet aan de grond buiten de orthodox Nederlands-calvinistische kolonie in vooral Ontario en Alberta. Het Nederlands bleef de voertaal, ook in het propaganda- en contactorgaan The Guide. Ronduit traumatisch was het voortdurende fundamentalistische verzet tegen zijn algemeen-christelijke koers vanuit de hoek van de Canadese pendant van Vrijgemaakt Gereformeerden in Nederland. In 1958 liepen de conflicten zo hoog op dat hij zich met een handvol medestanders afscheidde en de Christian Trade Unions of Canada (CTUC) oprichtte. Deze CTUC, waarvan hij secretaris werd en waarvoor hij het blaadje The Voice redigeerde, was een doodgeboren kind. De CLAC bleef bestaan. Fuykschot was een teleurgesteld en een zich wat verlaten voelend man toen een auto-ongeluk in Hamilton begin 1961 een einde aan zijn leven maakten. Zijn echtgenote, die al jaren aan de ziekte van Parkinson leed, stierf daar twee jaar later.

Archief: 

Personeelsdossier F.P. Fuykschot in archief CNV (Utrecht).

Publicaties: 

Behalve de genoemde: 'Richtlijnen voor de bedrijfsorganisatie' in: J.C. Pellicaan (red.), Naar het gemaakt bestek (Amsterdam z.j.); Economische medezeggenschap. Referaat gehouden in de Sociaal Economische Conferentie op 14 en 15 April 1947 in 'Birkhoven' te Amersfoort (z.pl. z.j.); Hoe zit het eigenlijk met de C.L.A.C.? (Hamilton 1954); De achtergrond van het conflict in de Christian Labour Association of Canada (C.L.A.C.) (Hamilton z.j.); 'Christelijke vakbeweging in Canada' in: Evangelie en Maatschappij, juli/augustus 1960, 225-239.

Literatuur: 

A. Stapelkamp, J. Schipper, De banier opnieuw geheven. Geschiedenis van het Christelijk Nationaal Vakverbond in Nederland in de jaren van de tweede wereldoorlog (Hoorn 1956); De Amerikaanse Vakverenigingen en hun rol in de vrije wereld (Den Haag 1949) 43; B. Demik, 'Frans Pieter Fuykschot 1896-1961' in: Calvinist Contact, 3.2.1961; 'Een tweede zware slag' in: De Gids, 4.2.1961; 29e Verslag CNV, 1960-1962, 34-35; Cornelia Fuykschot, Hunger in Holland (Gananoque 1988).

Portret: 

F.P. Fuykschot, uit: 29e Verslag CNV, t.o. 96

Auteur: 
Paul E. Werkman
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 5 (1992), p. 73-76
Laatst gewijzigd: 

00-00-1992