
(roepnaam: Jan), socialistisch feminist en reformpedagoog, is geboren te Amsterdam op 27 maart 1864 en aldaar overleden op 30 september 1923. Hij was de zoon van Hendrik Gerhard, kleermaker, en Susanna Stehli, dienstbode. Op 16 juli 1891 trad hij in het huwelijk met Huitje Platte, koriste bij de Nederlandsche Opera, met wie hij een dochter en een zoon kreeg. Dit huwelijk werd op 27 juni 1902 ontbonden. Op 18 december 1902 trad hij in het huwelijk met Johanna Maria Catharina Hijner, onderwijzeres, met wie hij een dochter kreeg.
Pseudoniemen: anti-anti-semiet, Silvia (ook Sylvia), XXX.
Jan Gerhard en zijn oudere broer Adriaan werden onderwijzer met financiële steun van het Comité ter Bespreking der Sociale Quaestie en socialistische geestverwanten. Hun vader Hendrik Gerhard was vanwege zijn overtuiging ontslagen. Jan Gerhard bezocht vanaf 1879 de Amsterdamse kweekschool, waar hij als uitmuntende leerling een zilveren horloge won. Hij raakte er bevriend met Eldert van Det en Frans Ossendorp. Vanaf 1883 werkte Gerhard tot aan zijn dood aan de vooral door joodse kinderen bezochte Brugsma School. In 1890 behaalde hij de hoofdakte, maar niet om schoolhoofd te worden, want zijn leven lang streed hij tegen dat fenomeen. De akte verschafte een hoger inkomen. Aan de rangexamens om als onderwijzer financieel vooruit te komen deed hij uit principe niet mee. Hij wilde naar Zwitsers voorbeeld een democratische school voor onderwijzers en afschaffing van het ‘africhtinstituut’, waar leerlingen ‘moesten leeren, leeren en nog eens leeren’. Volgens Henri Polak leek Gerhard weinig op zijn broer: ‘niet naar uiterlijk en niet naar innerlijk. Zijn aangezicht was dat van den asceet en hij leefde inderdaad Spartaansch, vegetarisch en dan nog zeer sober’. In tegenstelling tot Adriaan was Gerhard, met zijn ‘dor-droge stem’, geen goed spreker. Als vegetariër was hij (bestuurs-)lid van de Nederlandsche Vegetariërsbond, maar hij vond ook alcohol, tabak, koffie en thee schadelijk. De relatie tussen socialisme en vegetarisme was voor hem duidelijk: het socialisme wilde een gezonde samenleving en had gezonde mensen nodig.
Als reformpedagoog, socialist en vrijdenker streed Gerhard voor ‘de algemeen verplichte volksschool, neutraal in godsdienstig en politiek inzicht’. De overheid had de plicht ieder kind de beste opvoeding te geven, zonder onderscheid naar klasse of geloof, ‘het kind is niets anders dan kind, mag niets anders zijn’. Duitsland en Zwitserland, het geboorteland van zijn moeder waar hij tijdens vakanties lange wandeltochten maakte, waren zijn grote voorbeelden. Ook bezocht hij congressen van de Sozialdemokratische Partei Deutschlands en van Duitse onderwijsbonden en hij schreef in hun bladen over het Nederlandse onderwijs. Wilhelm Liebknechts uitspraak ‘Durch Bildung zur Freiheit’ vormde zijn inspiratiebron. Gerhard had volgens Polak ‘– een zeldzaamheid in die tijd – vele relaties met voorname Duitsche partijgenooten’ en nam het werk van de reformpedagoog en volksschoolonderwijzer Heinrich Wolgast en diens blad Jugendschriften-Warte en de min of meer sociaal-democratische Kunsterziehungsbewegung als voorbeeld voor zijn strijd voor volksontwikkeling. Zijn eerste pedagogische artikelen verschenen in het Nieuw Tijdschrift ter bevordering der Studie der Pedagogiek en Het Schoolblad. Naar Duits voorbeeld ontwierp hij samen met Adriaan ‘Gerhards Steilschrift’, dat voor het fysieke welzijn van schoolkinderen beter zou zijn dan het schuinschrift.
Gerhard vond dat een volksonderwijzer niet anders dan sociaal-democraat kon zijn en sloot zich in 1882 aan bij de Nederlandsche Bond voor Algemeen Kies- en Stemrecht (NBvAKS) en de Sociaal-Democratische Bond (SDB). Daarvan was zijn vader, die hij zeer bewonderde, voorzitter. Gerhard ergerde zich aan schoolboekjes waarin sprake was van een idyllische omgeving. Zijn leerlingen woonden in krotten en verbleven in slechte schoolgebouwen zonder gymnastiekzaal of tekenlokaal. Hij vond literatuur, muziek en gezonde lichaamsinspanning in de natuur belangrijk voor arbeiders, die door lange arbeidsduur, armoede en onwetendheid daarvan niet konden genieten. Hij wilde door materiële verbetering en een esthetische opvoeding tot een ontwikkeld en welopgevoed proletariaat komen. Dat begon bij het schoolkind, dat via goed onderwijs (met gymnastiekles en goede kinderlectuur) tot een gezonde en ontwikkelde volwassene uitgroeide. Daarbij verloor Gerhard de details niet uit het oog. Zo beval hij als verantwoord speelgoed de Duitse reform-pedagogische Anker-bouwdozen aan. Zelf bouwde hij daarmee beroemde gebouwen na en stelde die als aanschouwelijk onderwijs in het sociaal-liberale volksgebouw Ons Huis tentoon.
Gerhard had oog voor de positie van vrouwen en stond op het standpunt ‘der volkomen gelijkheid der beide geslachten. Dit is de ware natuurlijke grondslag, en kan slechts de eenige zijn eener kommunistische samenleving, die het doel moet zijn onzer maatschappij’. Gerhard eiste vrouwenkiesrecht en aanpassing van het huwelijksrecht. Hij vertaalde August Bebels boek, De vrouw en het socialisme (1879), dat in 1891 als feuilleton in het Gentse Vooruit verscheen. Gerhard verweet Ferdinand Domela Nieuwenhuis, die hij van thuis kende, vrouwonvriendelijkheid, antisemitisme en het belasteren van de Duitse sociaal-democratie. Hij was met Polak Amsterdams afgevaardigde op het SDB-kerstcongres van 1891, waar ze Frank van der Goes’ aanval op Domela steunden. Toen Domela geroyeerd werd, verdedigde Gerhard Van der Goes. Hij vond dat Domela met zijn kennis en geld een funeste invloed op de SDB uitoefende en schreef: ‘Een gezworen vijand kreeg ik in die tijd in dezen man, die zich niet ontzag om allerlei scheeve voorstellingen omtrent mij te geven’.
Gerhard, die lid was van de Bond van Nederlandsche Onderwijzers (BvNO) en het Nederlandsche Onderwijzersgenootschap (NOG), sloot zich in 1890 aan bij de Sociaal-Democratische Onderwijzers-Vereeniging (SDOV), die de sociaal-democratische beginselen onder onderwijzers wilde verbreiden. In 1892 werd hij redacteur van het blad van SDOV, De Volksonderwijzer. Om de positie van onderwijzers te versterken streefde hij naar fusie van de BvNO en het NOG. De lage bezoldiging was hem een doorn in het oog. Voor zichzelf loste hij dat op door de verkoop van naaimachines, piano’s en Duitse socialistische literatuur. Daarnaast publiceerde hij tientallen operagidsen, die een commercieel succes bleken. Hij deed dat samen met het voormalige lid van de Centrale Raad van de SDB en mede-vegetariër J.F.A. Vlaanderen, die met een lening van Henri van Kol een boekhandel-uitgeverij was begonnen. Gerhard bezocht in 1893 als SDOV-afgevaardigde het Internationaal Socialistisch Congres te Zürich. Met Van Kol verdedigde hij tegenover Domela het parlementarisme. In Recht voor Allen, Morgenrood en De Vrouw en in brieven aan Domela schreef Gerhard dat Domela over het congres de waarheid verdraaide. Hij ontkende in Evolutie, het blad van Wilhelmina Drucker, dat de sociaal-democraten geen oog hadden voor vrouwenbelangen. In De Vrouw van de socialistische Nederlandsch-Vlaamsche Vrouwenbond schreef hij naar aanleiding van het congres over wettelijke bescherming voor arbeidsters en over vrouwenorganisaties in Nederland en Duitsland.
Toen het SDB-kerstcongres van 1893 besloot niet mee te doen aan verkiezingen, sloot Gerhard zich aan bij de Amsterdamse Sociaal-Demokratische Vereeniging (SDV). Hij wilde de NBvAKS omvormen tot een sociaal-democratische partij, gebaseerd op het program van de SDV. Hij beschuldigde Pieter Jelles Troelstra uit persoonlijke eerzucht de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP) te willen overheersen. Toen de SDV zich bij de partij aansloot, ging Gerhard schoorvoetend mee. Voor de SDOV schreef hij brochures over onderwijzerslonen en de lage kwaliteit van het onderwijs. Deze kenmerkten zich door een overvloed aan statistisch materiaal en het ophemelen van het Duitse, Oostenrijkse of Zwitserse onderwijs boven het Nederlandse. Adriaan betrok hem bij de commissie van opvoeding van de vereniging De Weezenkas, die zich er op toelegde (half-)wezen een ‘opvoeding zonder geloofsdogma’ te geven.
Gerhard, op een SDAP-congres beschreven als ‘een lastige schutter’, kreeg het aan de stok met Troelstra. Die noemde Gerhard een ‘onderwijsmonomaan’, omdat deze te pas en te onpas benadrukte dat een goed ontwikkeld proletariaat voor de SDAP onontbeerlijk was en dat alleen de neutrale volksschool dat kon bereiken. In november 1898 weigerde De Sociaaldemokraat Gerhards artikel waarin hij het standpunt van Troelstra over volksonderwijs ‘lamlendig’ noemde. Gerhard gaf het in eigen beheer uit als Arm Nederland: ‘De partij moge mij persoonlijk veroordeelen, de onaangenaamste mensch van de wereld vinden, ’t is mij alles gelijk, als zij maar wakker geschud wordt uit haar doodende onverschilligheid voor het onderwijs, voor volksontwikkeling, voor leerplicht’. Omdat Gerhard, die met zijn broer Adriaan, Ossendorp én Troelstra in de SDAP-onderwijscommissie zat, weinig verwachtte van de partij, organiseerde hij met zijn broer vanaf 1899 een reeks Landelijke Onderwijscongressen ‘om onder de arbeiders… gezonde begrippen omtrent goed volksonderwijs te verspreiden’. Zij wilden een leerplicht van zeven jaar en onverdeeld openbaar onderwijs, met daarbij een verbod op betaalde arbeid zolang een kind leerplichtig was. Met Troelstra botste hij ook over het vrouwenkiesrecht, die dat om tactische redenen afwees. Gerhards artikelen daarover werden door De Sociaaldemokraat geweigerd. Toen ook De Nieuwe Tijd ze niet plaatste, week Gerhard uit naar Evolutie. Hij diende op het oprichtingscongres van het Nederlandsch Comité voor Algemeen Kiesrecht (1899) namens de SDOV een motie in dat algemeen kiesrecht voor mannen én vrouwen eiste. Troelstra bestreed dit tevergeefs. Vanwege deze aangenomen motie kreeg Gerhard binnen de SDAP het verwijt als ‘vurig voorstander van het vrouwenkiesrecht’ ondoordacht te handelen.
Het Volk weigerde in april 1900 wederom een artikel, waarin Gerhard waarschuwde voor persoonsverheerlijking van Troelstra, die hij vergeleek met de ‘verafgoding van Domela Nieuwenhuis’. Wat hem vooral stak was dat hoofdredacteur Troelstra de krant gebruikte om tegen ‘onze partijgenoot J.W. Gerhard’ te ageren. Die stuurde het geweigerde artikel tenslotte als Een waarschuwend woord aan de Sociaal-Democraten in Nederland! naar alle partijafdelingen. Toen Gerhard in Het Volk positief wilde berichten over de reorganisatie van het Nationaal Arbeids-Secretariaat (de SDOV was daarvan in 1893 één van de oprichters), terwijl Troelstra pleitte voor een nieuwe vakfederatie, weigerde de krant dat. Gerhard publiceerde daarop de veel verkochte brochure Vóór neutrale vakvereenigingen. Daarover sprak hij voor SDAP-afdelingen, waarbij hij Troelstra fors de maat nam. Op het SDAP-congres van 1901 ging Troelstra uitgebreid op de kwestie in, maar werd Gerhard het woord ontnomen. Een arbitragecommissie, met daarin zijn broer en zijn vriend Jan van Zutphen, moest de ruzie sussen. In dat jaar verdedigde Gerhard in extreme gevallen het lichamelijk straffen van schoolkinderen. Want een onderwijzer was naast leermeester ook opvoeder. Als in een gezin de opvoeding achterwege bleef, diende de onderwijzer die taak over te nemen, inclusief het recht op lichamelijke straffen. Hij was toen lid van de pas opgerichte Bond voor Kinderbescherming. Gerhard publiceerde een studie naar arbeidsomstandigheden in bedrijven, waarvoor hij een uitgebreide enquête aan vakbonden stuurde. Ook zette hij zich als toneelliefhebber in voor de Bond van Nederlandsche Tooneelisten. Deze activiteiten brachten hem in het bestuur van het Centraal Bureau voor Sociale Adviezen.
De marxisten Jan Ceton en Cornelis Bijkerk wilden in tegenstelling tot het hoofdbestuurslid Gerhard van de SDOV een gedisciplineerde strijdorganisatie maken. Die vond dat de vereniging zich naar Oostenrijks voorbeeld met niet-socialisten diende om te vormen tot een ‘Bond der Jongeren (voor elk die het ernstig meent met het volksonderwijs)’. Zij wisten de eigenzinnige Gerhard in 1900 uit zijn functies te zetten, ook omdat hij De Volksonderwijzer gebruikte voor zijn persoonlijke polemieken en het adverteren van zijn brochures. Hij bleef bestuurslid van de afdeling Amsterdam, maar het streven van de SDOV de BvNO in sociaal-democratisch vaarwater te brengen, leidde begin 1902 tot zijn vertrek uit de SDOV. Toen de SDAP in 1902 met de zogenoemde Groninger motie gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs accepteerde, zegde Gerhard zijn partijlidmaatschap (tijdelijk) op. In 1904 ontstond onder invloed van de Kunsterziehungsbewegung de Nederlandsche Vereeniging ‘Schoonheid in Opvoeding en Onderwijs’ (NVSOO), met als orgaan het fraai verzorgde Schoonheid en Onderwijs, onder redactie van Ida Heijermans, met medewerking van Gerhard. Die sloot zich aan omdat de vereniging de schoonheidszin bij de schooljeugd wilde ontwikkelen door verantwoorde schoolplaten, muziekles en handenarbeid. In Vragen des Tijds, De Amsterdammer en De Kroniek pleitte hij voor gezonde en hygiënische schoolgebouwen. Dat Gerhard bestuurslid van de commissie Rembrandt-Hulde werd, kwam omdat hij in het kielzog van de Kunsterziehungsbewegung Rembrandt vanwege diens scheppende kracht en verbeelding een groot volksopvoeder vond.
Met de volksverheffer en uitgever Leo Simons zette Gerhard zich in voor naschoolse activiteiten voor de Amsterdamse arbeidersjeugd. Gerhard schreef, naar voorbeeld van Wolgasts Das Elend unserer Jugendliteratur (1896), voor Simons’ Studies in Volkskracht twee brochures over esthetische opvoeding bij arbeiderskinderen. Die werden immers met literaire en kunstzinnige wanproducten afgescheept: ‘erbarmelijk lelijk en smakeloos’. Voor Simons’ Wereldbibliotheek vertaalde hij fraai geïllustreerde kinderboeken. Hij polemiseerde met Nellie van Kol, Nienke van Hichtum en Theo Thijssen over wat goede kinderboeken waren, al waren allen tegen jeugdboeken met socialistische propaganda. Van Hichtum vond Gerhards vertalingen maar broddelwerk. Thijssen schreef dat hem ieder artistiek gevoel ontbrak.
Gerhard kwam in 1907 in De Bode, het blad van de BvNO, weer met zijn fusieplan van BvNO en NOG om tot een krachtige bond te komen, vergelijkbaar met de Deutsche Allgemeine Lehrerbund. Hij stelde zich tevergeefs kandidaat voor het bestuur van de Amsterdamse BvNO-afdeling en bood voor propaganda zijn brochures aan. Men zag er niets in: ‘Gerhard schrijft te veel en niet populair genoeg’. Beledigd zegde hij tijdelijk zijn lidmaatschap van de BvNO op. Ook binnen de Amsterdamse SDAP-federatie ontstond ergernis. Het Volk weigerde in 1906 een artikel waarin Gerhard beweerde dat de Amsterdamse SDAP bestond uit diamantbewerkers, onderwijzers en ‘verdere proletariers met ’n hoed op en ’n klein aantal meer en minder welwillende dames en heeren’. Volgens hem was het ontwikkelingspeil van de arbeiders te laag om zich te organiseren. De redactie reageerde heftig op Gerhards herhaalde verzoeken om plaatsing en schreef niet gediend te zijn van ‘uwe onbeschoftheden… en uitschelden laten we ons ook niet’. Toen Gerhard het als manifest verspreidde, adviseerde de krant niet te reageren op de ‘lichtgeraakte partijgenoot’. Deze keer kon een arbitragecommissie geen uitkomst brengen en verliet Gerhard de SDAP.
In 1912 was hij kort bestuurslid van de BvNO-afdeling Amsterdam en redacteur van het maandblad School en Huis, bedoeld om contact met ouders te onderhouden. Een conflict met de afdelingssecretaris en SDAP’er Jan Willem Matthijssen leidde tot zijn aftreden als bestuurslid en redacteur. Gerhard toonde zich ook teleurgesteld in de Wereldbibliotheek die de arbeiders niet wist te bereiken. Hij richtte zich nu op de NVSOO en de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en werkte mee aan het Nationaal Reizend Museum voor ouders en opvoeders, dat zich richtte op arbeidersgezinnen. Hij schreef in De Vrouw over vrouwenorganisaties in Nederland en Duitsland, in het Sociaal Weekblad en De Amsterdammer over schoolartsen, speeltuinen en wandeltochten voor schoolklassen. Hij had een belangrijk aandeel in de tentoonstelling ‘De Opvoeding van het Kind’, waarvoor hij een kritisch overzicht van kinderprenten en prentenboeken maakte. Hij betuigde instemming met het Comité ter Bestrijding van het Bioscoopkwaad, dat smakeloze films wilde weren door zelf een modelbioscoop te beginnen. Samen met Van Hichtum en Simons waarschuwde hij tegen verderfelijke sensatieromans en zinnenprikkelende boeken. Gerhard beval ter bestrijding daarvan toch de boeken van de Wereldbibliotheek aan.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog verdedigde de antimilitarist Gerhard in De Bode en zelfs in De Vrije Socialist Duitsland tegen heftige antipathieën. Hij toonde zich wel teleurgesteld in de door hem zo bewonderde Duitse organisaties die de oorlog niet hadden voorkomen. In het blad voor kunstopvoeding Der Kunstwart schreef hij dat dat kwam door de leugens die de pers verspreidde. In Evolutie schreef hij dat er pas vrede zou komen na de invoering van democratie en door de ‘verstandelijke en moreele ontwikkeling des volks’. In 1916 schreef Gerhard over de onderwijspacificatie in De Bode dat de SDAP en de BvNO het openbaar onderwijs opofferden aan het algemeen kiesrecht, terwijl er een volksschool bleef, die ‘kinderen reeds verdeelt naar de geldbeurs der ouders en haar stempelt tot een armenschool voor de kinderen van het proletariaat’. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen stichtte naar aanleiding van de onderwijspacificatie een Nutscommissie voor volkscultuur, die in samenwerking met de BvNO en het NOG een nieuw uitgangspunt voor volksopvoeding onderzocht. Commissielid Gerhard richtte een tentoonstelling in over volkslectuur en volksonderwijs. Hij vergeleek in de catalogus de zorg voor de Nederlandse schooljeugd met die in Duitsland en Zwitserland, wat in het nadeel van Nederland uitviel. Gerhard prees in De Bode de houding van de Duitse onderwijzers tijdens de Novemberrevolutie. De Nederlandse onderwijzers konden een voorbeeld nemen aan hun Duitse collega’s die deelnamen aan de arbeiders- en soldatenraden. Tegelijkertijd verzette hij zich tegen aansluiting van de BvNO bij het Nederlands Verbond van Vakverenigingen. Gerhard vond dat de bond niet alleen de belangen van de onderwijzers had te dienen, maar ook die van het onderwijs en schoolgaande kinderen. Hij pleitte herhaalde malen in De Bode en in het blad van de Vereeniging van Ouders en Gezinshoofden, Nieuw Nederland, voor een gezinsloon (feitelijk kinderbijslag) voor onderwijzers. Omdat de BvNO mordicus tegen was, werd zijn royement geëist toen hij in 1920 de petitie van die vereniging voor gezinsloon ondertekende. Alhoewel zijn vriend, bondsvoorzitter Ossendorp, royement wist te voorkomen, hield Gerhard de eer aan zichzelf en bedankte voor de BvNO.
Gerhard was lid van de Bond Heemschut en richtte in 1919 in het Stedelijk Museum een tentoonstelling over stedenschoon in. Daar hoorde volgens hem goede volkshuisvesting en natuurbescherming bij: ‘Gansche volksstammen en diersoorten worden uitgeroeid, alleen om geld op te stapelen’. Zijn laatste initiatief was een pleidooi voor een Bond van Verenigingen voor Volksontwikkeling, die eenheid onder de organisaties moest brengen. In 1923 stierf Gerhard na een eenvoudige operatie aan een hartverlamming. Bij zijn begrafenis bleek hoe geliefd hij was als onderwijzer. Veel (oud-)leerlingen bezochten zijn begrafenis, waarvoor Adriaan hen bedankte. De sociaal-democratische pers meldde kort dat Gerhard vroeger in de SDAP en de BvNO een vooraanstaande rol had gespeeld. Eerder was geschreven dat Gerhard een persoonlijkheid was met een vaste overtuiging, die niet iedereen deelde.

De vrouw en de maatschappij (Gent 1888); De positie van de onderwijzers in Nederland en in ’t buitenland (Amsterdam 1896); De zaak M. den Hartog. Bijdrage tot de kennis van het Nederlandsch Onderwijs- en Onderwijzerstoestanden op ’t einde der 19e eeuw (Amsterdam 1896); Het vegetarisme, in verband met de geheel-onthouding en ’t sociale vraagstuk (Amsterdam 1897); Waarom leerplicht? De volksontwikkeling in Nederland, Duitsland en Zwitserland (Amsterdam 1898); Beter onderwijs en betere onderwijzers zonder rangexamens en hoofden van scholen (Amsterdam 1898); Over de bestaansvoorwaarden voor de kunst en de kunstenaars in Nederland (Amsterdam 1899); De noodzakelijkheid voor goede bouwverordeningen ter verkrijging van betere woning- en bouwarbeidertoestanden (Amsterdam 1899); Een waarschuwend woord aan de sociaal-demokraten in Nederland! (Amsterdam 1900); Voor neutrale vakvereenigingen (Amsterdam 1900); Over lichamelijke straffen, de baldadigheid der jeugd en de rechtspositie der onderwijzers (Amsterdam 1901); Algemeene volksschool of vrije scholen? (Amsterdam 1904); De aesthetische opvoeding der jeugd (Haarlem 1905); Onze kinderliteratuur in de aesthetische opvoeding (Haarlem 1905); Het officieele Kunst-Nederland en de nationale Rembrandt-hulde in het jaar 1906 (Amsterdam 1906); Een ernstig woord aan de leden der S.D.A.P. (Amsterdam 1907); Over scholen en onderwijs in Nederland en Duitschland (Den Haag 1909); De kunst in het leesboek voor het eerste schooljaar (Den Haag 1911); Boek en tijdschrift voor de geestelijke ontwikkeling in Nederland en in het buitenland (Zaltbommel 1917); Zorg voor de jeugd in Nederland, Zwitserland en Duitschland (Zaltbommel 1918); Heemschut in Nederland, Duitsland en Zwitserland (Den Haag 1919).
Na tien jaar. Gedenkschrift bij het tienjarig bestaan der Soc.Dem.Arb.Partij (Amsterdam 1904); W.H. Vliegen, De Dageraad der Volksbevrijding, Deel II (Amsterdam 1921); W.H. Vliegen, Die onze Kracht ontwaken deed. Deel I (Amsterdam 1924); F. Domela Nieuwenhuis, Van christen tot anarchist (Amsterdam 1910); De Bode, 2.10.1923; H. Polak, ‘Kroniek’ in: Het Volk, 24.3.1930; D.J. Wansink, Het socialisme op de tweesprong (Haarlem 1939); A. Scheffer, Ome Jan. Het leven van Jan van Zutphen (Amsterdam 1958); I. Fey, ‘Schoonheids- en kunstonderwijs voor het volk. De invloed van de reformpedagogie op het tekenonderwijs in Nederland rond 1900’ in: Kunsthistorisch Jaarboek, jrg. 30, 1979, 197-232; L. Dasberg, Het kinderboek als opvoeder. Twee eeuwen pedagogische normen en waarden in het historische kinderboek in Nederland (Assen 1981); E.J. van Det, De Bond van Nederlandse Onderwijzers. Nieuwe uitgave van Zestig Jaren Bondsleven, deel I en II. (Amsterdam 1983, bewerkt door Sj. Karsten en H. van Setten); F. Dieteren en I. Peeterman, Vrije vrouwen of werkmansvrouwen? Vrouwen in de Sociaal-Democratische Bond (1879-1894) (Utrecht 1984); W.W. Mijnhardt en A.J. Wichers (red.), Om het algemeen volksgeluk. Twee eeuwen particulier initiatief 1784-1984. Gedenkboek ter gelegenheid van het tweehonderdjarig bestaan van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (Edam 1984); Sj. Karsten, Op het breukvlak van opvoeding en politiek (Amsterdam 1986); Th. Veld, Volksonderwijs en leerplicht. Een historisch sociologisch onderzoek naar het ontstaan van de Nederlandse leerplicht 1860-1900 (Delft 1987); F. de Glas, Nieuwe lezers voor het goede boek. De Wereldbibliotheek en ‘Ontwikkeling’/De Arbeiderspers vóór 1940 (Amsterdam 1989); A. de Vries, Wat heten goede kinderboeken? (Amsterdam 1989); M. Bürgi, Die Anfänge der Zweiten Internationale. Positionen und Auseinanderstetzungen 1889-1893 (Frankfurt 1996); P. Hoekman en J. Houkes, De Weezenkas. Vereniging op de grondslag van het beginsel ‘Opvoeding zonder geloofsdogma’ 1896-1996 (Amsterdam 1996); S.J.P. Asselbergs-Neessen, Kind, kunst en opvoeding. De Nederlandse beweging voor beeldende expressie (1876-1968) (Amsterdam 1998); A.B.G.M. van Kalmthout, Muzentempels. Multidisciplinaire kunstkringen in Nederland tussen 1880 en 1914 (Hilversum 1998); D. Bos, Waarachtige volksvrienden. De vroege socialistische beweging in Amsterdam 1848-1894 (Amsterdam 2001); D. Bos, ‘De echte mannen van het vroege socialisme’ in: Groniek, nr. 158/159, 2002, 119-130; S. de Bodt en J.A. Kapelle, Prentenboeken. Ideologie en illustraties 1890-1950 (Amsterdam 2003); A. Holtrop, Nynke van Hichtum. Leven en werk van Sjoukje Troelstra-Bokma de Boer 1860-1939 (Amsterdam 2005); P. Hoekman, ‘Vrij van “spokery”. Vrijdenkers over opvoeding en onderwijs’ in: B. Gasenbeek e.a. (red.), God noch autoriteit. Geschiedenis van de Vrijdenkersbeweging in Nederland (Amsterdam 2006) 192-217; M. Adang, Voor sociaal-democratie, smaakopvoeding en verheffend genot. De Amsterdamse vereniging Kunst aan het Volk, 1903-1928 (Amsterdam 2008); S. Parlevliet, Meesterwerken met ezelsoren. Bewerkingen van literaire klassiekers voor kinderen 1850-1950 (Hilversum 2009); P. Hagen, Politicus uit hartstocht. Biografie van Pieter Jelles Troelstra (Amsterdam 2010); Chr. Verbruggen en J. Carlier, ‘“Wat zullen kinderen lezen?” Een sociaalkritische en feministische invulling van goede kinderliteratuur’ in: Brood en Rozen, jrg. 2, nr. 5, 2011, 5-41; J.W. Stutje, Ferdinand Domela Nieuwenhuis (Antwerpen 2012); V. Stolk, Tussen autonomie en humaniteit. De geschiedenis van levensbeschouwelijk humanisme in relatie tot opvoeding en onderwijs tussen 1850 en 1970 (z.pl. 2015); A. van Veldhuizen, De Partij. Over het politieke leven in de vroege S.D.A.P. (Amsterdam 2015); Sj. Karsten, De rode bovenmeester. De humanistische pedagoog en sociaaldemocratische politicus A.H. Gerhard, 1858-1948 (z.pl. 2019).
J.W. Gerhard, foto L.R. Werner, IISG.
Huwelijksakte van Gerhard/Hijner dd 18 december 1902. Reg 43 fol 46v, akte 4229; akteplaats Amsterdam. Als bruidegom.
