GÖTZE, Johannes George

Johannes George Götze

(roepnaam: Jan), directeur van het socialistisch verzekeringsbedrijf Aurora, is geboren te Amsterdam op 11 oktober 1861 en aldaar overleden op 10 januari 1940. Hij was de zoon van Johannes George Götze, letterzetter, en Maria Zwart. Op 8 juli 1920 trad hij in het huwelijk met Dorothea Catharina Smitskamp. Na haar overlijden op 10 oktober 1929 trad hij op 25 maart 1931 in het huwelijk met Maria Sofia Roetman. Deze huwelijken bleven kinderloos.

Götze werd net als zijn oudere broer Everhard op jonge leeftijd typograaf. Beiden sloten zich aan bij de Algemeene Nederlandsche Typografenbond (ANTB) en de Sociaal-Democratische Bond (SDB). Everhard Götze speelde binnen de ANTB een rol, terwijl Jan Götze enkele jaren in de Amsterdamse SDB-afdeling actief was. Toen F. Domela Nieuwenhuis in 1897 uit de Socialistenbond ging en vele aanhangers hem volgden, bleef Götze in de Socialistenbond. Hij behoorde tot de kleine groep socialisten uit de oude beweging die Domela Nieuwenhuis niet volgde op zijn anarchistische weg en zich ook niet wenste aan te sluiten bij de SDAP. Götze zorgde er met J.A. Bergmeyer en L.M. Hermans voor dat het door Domela in de steek gelaten blad van de Socialistenbond, Recht voor Allen, bleef verschijnen. Tevergeefs probeerde Götze de Socialistenbond overeind te houden. Hij was een van de weinige sprekers die de bond nog over had. In 1895 was hij als kleine aandeelhouder betrokken bij de uitgave van de niet partijgebonden arbeiderskrant Het Volksdagblad. Met het opheffen van de Socialistenbond in 1900 ging Götze zonder veel enthousiasme over naar de SDAP, de partij waarvan hij bij de oprichting nog niets moest hebben. Maar al in 1901 viel hij de redactie van Het Volksdagblad aan, toen die zich afkerig toonde van de SDAP. Na de Spoorwegstakingen van 1903 deelde Götze de kritiek van de SDAP op die krant, die de houding van P.J. Troelstra had bekritiseerd. Hij gispte ook de anarchistische inslag van het blad. Götze verdiende zijn geld binnen de socialistische arbeidersbeweging. In april 1895 was hij administrateur, later directeur, geworden van het door de SDB in 1887 opgerichte, en aanvankelijk noodlijdende, Fonds tot Uitkering bij Overlijden. Götze toonde zich geknipt voor deze functie. Hij ging voortvarend te werk en bouwde het fonds snel uit. Het voorzag SDB en Socialistenbond vele jaren van financiële middelen om propaganda te kunnen bedrijven. Bij het verdwijnen van de Socialistenbond, de feitelijke eigenaar, was het nodig een zelfstandige rechtspersoonlijkheid te verkrijgen voor het fonds. Door onderling politiek geharrewar bleek dit niet mogelijk. Götze, zelf vrijdenker, vroeg de uit de vrijdenkersvereniging De Dageraad voortgekomen verenigingen het Nederlandsch Vrijdenkersfonds (NVF) en De Weezenkas het fonds over te nemen. Deze organisaties zagen daar wel heil in en onder de naam Levensverzekeringsmaatschappij Aurora ging het fonds onder leiding van Götze verder. Aurora verzekerde vooral links van de SDAP staande arbeiders. Voor de kersverse SDAP'er Götze was het dus niet gewenst zijn politieke voorkeur in het openbaar te belijden, teneinde niet zijn verzekerden weg te jagen.

Götze werd eind 1898 nog namens de Socialistenbond voorzitter van het Landelijk Comité inzake de Invrijheidstelling der Drie Gebroeders Hogerhuis. Hij deed ook als spreker mee aan de landelijke agitatie. Het Comité diende in 1901 een gratieverzoek in met circa tienduizend handtekeningen. Voorzitter Götze ging samen met twee andere leden van het Comité op audiëntie bij koningin Wilhelmina om het gratieverzoek toe te lichten. 'Hij hoopte dat de gratie, die alleen bij haar berustte, gegeven zou worden; zij zou de harten winnen van de onderteekenaars en ook de Moeder der Hogerhuizen.' Het bezoek leverde niets op. Toen Keimpe Hogerhuis vrijkwam, woonde die enige tijd bij Götze om weer op krachten te komen. In 1903 hief het Comité zich op. Marten Hogerhuis was toen al vrij, maar Wybren Hogerhuis kwam pas 1905 uit de gevangenis. In de politiek was Götze niet meer actief, wel in De Dageraad, waarbinnen hij vanaf de eeuwwisseling als bestuurslid vooral in de florerende afdeling Amsterdam een tijdlang een rol speelde. Hij probeerde vergeefs de landelijke organisatie weer van de grond te krijgen. Vanaf 1906 was hij voorzitter van de afdeling en schreef hij een enkele maal in De Vrije Gedachte, het blad van de vereniging. In 1907 kwam hij als tweede secretaris-penningmeester in het hoofdbestuur. Spoedig werd hij in 1908 eerste secretaris-penningmeester, in 1911 secretaris. Deze functie vervulde hij tot 1916. Götze was een gematigd en gemoedelijk man, wat hem aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog op kritiek kwam te staan van jongere en fellere vrijdenkers als de energieke Jan Hoving. In 1912 trad hij af als voorzitter van de afdeling Amsterdam, wel bleef hij spreker op de zondagsbijeenkomsten van de vrijdenkers. In 1914 ging Götze als hoofdbestuurder van De Dageraad twee keer op bezoek bij ministers. Hij vroeg de minister van Marine waarom het het marinepersoneel verboden was uit hun zakboekje hun godsdienst te schrappen. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en de mobilisatie stond hij bij de minister van Oorlog op de stoep met het verzoek naast veldpredikers en legeraalmoezeniers ook niet-gelovige geestelijke verzorgers in het leger op te nemen. Hij was in deze periode voor De Dageraad ook 'ambtenaar voor kerkafscheiding'. Dit hield in dat hij er voor zorgde dat mensen daadwerkelijk uit een kerkgenootschap werden uitgeschreven. Zelf sprak hij op latere leeftijd als vertegenwoordiger - geestelijk raadsman - van De Dageraad veel bij begrafenissen van geestverwanten. Naast deze activiteiten concentreerde Götze zich vooral op de groei van Aurora. Die kreeg het na 1904 moeilijk toen de op de SDAP georiënteerde Centrale Arbeiders-Verzekerings- en Depositobank op het toneel verscheen. Götze probeerde waar hij kon De Centrale te beconcurreren. Hij ontzag zich niet in debat te gaan op propagandabijeenkomsten van de Centrale. In 1916 werd Aurora omgezet in een Naamloze Vennootschap, waarvan alle aandelen in handen waren van NVF en De Weezenkas. Directeur Götze keerde voor het eerst aan de eigenaren winst uit. Deze winsten werden aangewend voor het kunnen opvoeden van de wezen en halfwezen van De Weezenkas en voor het ondersteunen van oudere en hulpbehoevende vrijdenkers door het NVF, alsmede andere goede doelen binnen de vrijdenkersbeweging.

Götze had een mateloze bewondering voor Multatuli. Hij was steeds weer betrokken bij de vele herdenkingen van Eduard Douwes Dekker. De eerste keer was in 1910, toen door Götze en anderen een Multatuli-herdenking werd georganiseerd, waarbij ook de zoon Edu aanwezig was. Volgens Götze noemde Edu zijn vader toen een ploert en was Götze wel gedwongen zijn gezelschap te verlaten, samen met de andere multatulianen. Deze herdenking leidde tot het oprichten van de Vereeniging 'Het Multatuli-Museum', waarin Götze tot zijn dood actief zou zijn, eerst als secretaris en vanaf 1920 als voorzitter. Ondanks het wankele voortbestaan van de vereniging wist de onvermoeibare Götze steeds weer Multatuli onder de aandacht te brengen. In 1922 verleende hij de weduwe Mimi Douwes Dekker-Hamminck-Schepel het erelidmaatschap van de vereniging. De toen al bejaarde Götze was in 1928 betrokken bij de oprichting van de Vrijdenkers Radio Omroep. Hij was jarenlang voorzitter van deze kleine omroep, die veel te lijden had onder censuur en tenslotte in 1939 werd verboden. Tijdens de crisis in de jaren dertig raakten vele verzekerden van Aurora werkloos. Götze trok zich het lot van hun kinderen aan. Samen met De Weezenkas, het NVF en het Nationaal Arbeids-Secretariaat, waarvan veel verzekerden lid waren, organiseerde Götze vakantiekampen voor de kinderen van de werkloze verzekerden. Dat was een van zijn laatste initiatieven in zijn publieke leven. In 1936 kreeg Götze op 75-jarige leeftijd eervol ontslag als directeur van Aurora, die hij van een amateuristisch ziekenfondsje had uitgebouwd tot een moderne levensverzekeringsmaatschappij. Hij kon nu van zijn oude dag genieten. Vlak voor de Duitse inval stierf hij. Aan zijn graf spraken de directeur van Aurora L.I. Barmat en de president-commissaris M.A. Reinalda over Götze als een 'toonbeeld van onkreukbaarheid en een goed mens'.

Publicaties: 

Financieel rapport van het Landelijk Komitee tot invrijheidstelling der gebr. Hogerhuis (Amsterdam 1899).

Literatuur: 

Vliegen, Kracht I, 238-239; Levensverzekering 'Aurora'. Haar geschiedenis en ontwikkeling gedurende 1887-1912 (Amsterdam 1914); J. Pée, Multatuli en de zijnen (Amsterdam 1937) 336, 338, 359, 361; 'J.G. Götze overleden' in: Vooruit, 11.1.1940; De Vrijdenker, 20 en 27.1.1940; 'J.G. Götze' in: Opvoeding en moraal, nr. 2, februari 1940; U.D. Hannema, De Hogerhuiszaak (Drachten 1964) 143, 150; H.J. Scheffer, Het Volksdagblad (Den Haag 1981) 52, 84, 87, 88, 95, 102, 110, 113, 140; H. Sleurink, J. Frieswijk, De zaak Hogerhuis (Leeuwarden 1984) 171-172, 174, 178; G. Nabrink, 'Rumoer rond de Max-Havelaar herdenking 1910' in: Over Multatuli, nr. 14, 1985, 42-60; A. Jongstra, De Multatulianen (Amsterdam 1985); J. Houkes, P. Hoekman, 'Levensverzekering Aurora 1887-1972' in: BNA, nr. 40, december 1995, 8-45; Ch. Keijsper (red.), K. Ter Laan's Multatuli encyclopedie (Den Haag 1995) 140, 325, 367; P. Hoekman, J. Houkes, De Weezenkas. Vereniging op de grondslag van het beginsel 'Opvoeding zonder geloofsdogma 1896-1996' (Amsterdam 1996).

Portret: 

Johannes George Götze, uit: P. Hoekman, J. Houkes, De Weezenkas. Vereniging op de grondslag van het beginsel 'Opvoeding zonder geloofsdogma 1896-1996' (Amsterdam 1996)

Auteur: 
Jannes Houkes
Oorspronkelijk gepubliceerd in: 
BWSA 7 (1998), p. 53-56
Laatst gewijzigd: 

00-00-1998